Het zorgstelsel rust op de Wet langdurige zorg (Wlz) voor blijvende, intensieve zorg (CIZ-indicatie, eigen bijdrage via het CAK), de Zorgverzekeringswet (Zvw) met het verplichte basispakket bij een private zorgverzekeraar, en de vrijwillige aanvullende ziektekostenverzekering. Wmo 2015 en Jeugdwet zijn gemeentelijke voorzieningen.
Wie Wlz-verzekerd is (ingezetene of in Nederland werkend, art. 2.1.1 Wlz) moet op grond van art. 2 Zvw een zorgverzekering sluiten, binnen vier maanden (art. 5 Zvw). Kinderen zijn zelf verzekeringsplichtig, worden door een ouder aangemeld en betalen tot de eerste dag van de maand na hun 18e verjaardag geen nominale premie (art. 16 Zvw). De zorgverzekeraar heeft een acceptatieplicht (art. 3 Zvw) en mag de premie niet differentiëren naar leeftijd, gezondheid of woonplaats (art. 17 Zvw); de collectiviteitskorting op de basisverzekering is sinds 2023 afgeschaft. De risicoverevening (Zorginstituut Nederland) compenseert verzekeraars met dure verzekerden. De financiering bestaat uit de nominale premie, de inkomensafhankelijke bijdrage via de Belastingdienst en de rijksbijdrage voor verzekerden onder 18; de zorgtoeslag van de Dienst Toeslagen compenseert lagere inkomens. De aanvullende verzekering valt onder Boek 7 titel 17 BW: geen acceptatieplicht, gezondheidsvragen en wachttijden toegestaan.
De inhoud van het basispakket staat in het Besluit zorgverzekering; Zorginstituut Nederland adviseert, de minister van VWS beslist, wijzigingen gaan in per 1 januari. Het verplicht eigen risico (art. 19 Zvw, bedrag jaarlijks vastgesteld, indicatief) geldt vanaf 18 jaar per kalenderjaar, behalve voor huisartsenzorg, verloskunde en kraamzorg, wijkverpleging, hulpmiddelen in bruikleen en ketenzorg. Daarbovenop kan een vrijwillig eigen risico worden gekozen tegen premiekorting (art. 20 Zvw). Een eigen bijdrage (kraamzorg, GVS-limiet, hulpmiddelen) gaat eerst van de nota af, daarna het eigen risico.
Bij een naturapolis declareren gecontracteerde aanbieders rechtstreeks; niet-gecontracteerde zorg wordt lager vergoed, maar niet zo laag dat dit een feitelijke hinderpaal vormt (art. 13 Zvw, Hoge Raad 2014). Een restitutiepolis vergoedt tot een marktconform bedrag; een combinatiepolis wisselt per zorgsoort. Het eigen risico hoort bij het jaar waarin het DBC-zorgproduct is geopend.
Na zes maanden premieachterstand volgt aanmelding bij het CAK, dat een hogere bestuursrechtelijke premie int; de dekking loopt door en overstappen is geblokkeerd (art. 18a-18f Zvw). Onverzekerden worden door het CAK aangeschreven, beboet en ambtshalve verzekerd (art. 9a-9d Zvw). Opzeggen kan uiterlijk 31 december; een nieuwe polis gesloten uiterlijk 31 januari werkt terug tot 1 januari (art. 7 Zvw).
Het werklandbeginsel van Verordening (EG) 883/2004 bepaalt waar iemand verzekerd is: expats die elders werken verliezen de Wlz en de Zvw, kenniswerkers en immigranten worden hier verzekeringsplichtig, gepensioneerden in een verdragsland zijn verdragsgerechtigd via het CAK en asielzoekers vallen onder de Regeling Medische zorg Asielzoekers. De basisverzekering vergoedt zorg in het buitenland tot het Nederlandse tarief; de EHIC geeft toegang tot publieke zorg in de EU en de reisverzekering dekt het meerdere en de repatriëring.
1. Welke drie verzekeringsvormen dekken in Nederland samen het ziektekostenrisico van een particulier af?
Het stelsel kent drie lagen: de Wet langdurige zorg (volksverzekering voor blijvende, intensieve zorg), de zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet (verplicht basispakket bij een private zorgverzekeraar) en de aanvullende ziektekostenverzekering, die vrijwillig is. Een ongevallenverzekering is een sommenverzekering en dekt geen ziektekosten; de Wmo is geen verzekering maar een gemeentelijke voorziening.
2. Meneer Van Dijk (34) woont en werkt in Nederland en heeft geen chronische aandoening. Hij vraagt zijn adviseur of hij verplicht is een zorgverzekering te sluiten. Wat is juist?
Art. 2 Zvw koppelt de verzekeringsplicht aan de Wlz-verzekering: wie ingezetene is of in Nederland werkt en loonbelasting betaalt (art. 2.1.1 Wlz), moet zichzelf verzekeren. Inkomen, arbeidsrelatie of zorgbehoefte spelen geen rol. De verzekering moet binnen vier maanden na het ontstaan van de plicht zijn gesloten (art. 5 Zvw); wie dat nalaat, wordt door het CAK opgespoord.
3. Wat is het kenmerkende verschil tussen een naturapolis en een restitutiepolis?
Art. 11 Zvw laat de verzekeraar zijn zorgplicht invullen als zorg in natura of als vergoeding van kosten (restitutie). Bij restitutie geldt volgens art. 2.2 Besluit zorgverzekering als grens wat in de Nederlandse marktomstandigheden passend is. Beide polisvormen dekken hetzelfde basispakket, kennen hetzelfde eigen risico en vergoeden zorg in het buitenland tot het Nederlandse tarief.
4. Mevrouw Smits heeft een naturapolis en laat zich behandelen door een fysiotherapeut zonder contract met haar verzekeraar. De behandeling valt onder haar basisverzekering. De polis vergoedt bij niet-gecontracteerde zorg 75 % van het gemiddeld gecontracteerde tarief. Wat is juist?
Bij een naturapolis heeft de verzekerde volgens art. 13 Zvw bij niet-gecontracteerde zorg recht op een door de verzekeraar vastgestelde vergoeding, die niet zo laag mag zijn dat zij een feitelijke hinderpaal vormt (Hoge Raad 2014, CZ/Momentum). Vergoeding tot het marktconforme tarief is het kenmerk van de restitutiepolis. Ook het eigen risico wordt nog op de vergoeding toegepast.
5. Wat wordt verstaan onder een combinatiepolis in de zorgverzekering?
Art. 11 Zvw staat toe dat de zorgplicht per zorgvorm verschillend wordt ingevuld: bijvoorbeeld ziekenhuiszorg in natura en GGZ op restitutiebasis. Zo'n polis heet combinatiepolis. Basis- en aanvullende verzekering blijven altijd twee afzonderlijke overeenkomsten, ook als zij op één polisblad staan, en het eigen risico wordt nooit met de premie samengevoegd.
6. Wie bepaalt welke zorg in een kalenderjaar tot het basispakket van de zorgverzekering behoort?
Art. 10 en 11 Zvw bepalen dat de te verzekeren prestaties bij algemene maatregel van bestuur (Besluit zorgverzekering) en ministeriële regeling worden vastgesteld. Zorginstituut Nederland brengt jaarlijks pakketadvies uit, de minister van VWS beslist en het parlement controleert. Zorgverzekeraars hebben geen invloed op de inhoud; zij kiezen alleen de wijze van uitvoering (natura of restitutie).
7. Meneer Bos gebruikt een geneesmiddel dat volgens een kabinetsbesluit per 1 januari uit het basispakket verdwijnt. Hij vraagt zijn adviseur wat dit voor hem betekent. Wat is juist?
Het basispakket is uniform: het Besluit zorgverzekering geldt voor elke zorgverzekeraar en elke polisvorm, ook voor restitutiepolissen. Wijzigingen volgen op een besluit van de minister van VWS na advies van Zorginstituut Nederland en gaan in per 1 januari. De Zvw kent geen persoonlijk overgangsrecht; alleen een aanvullende verzekering kan een uit het pakket gehaald middel nog dekken.
8. Hoe komt de hoogte van het verplicht eigen risico van de zorgverzekering tot stand?
Art. 19 Zvw legt het verplicht eigen risico als één wettelijk bedrag vast dat voor iedere verzekerde van 18 jaar en ouder gelijk is; de politiek beslist jaarlijks over indexering of bevriezing (indicatief enkele honderden euro's, jaarlijks herzien). De verzekeraar kan het niet verhogen of verlagen; alleen het vrijwillig eigen risico van art. 20 Zvw is een keuze van de verzekerde.
9. Het echtpaar Verhoeven heeft twee kinderen van 8 en 15 jaar. Wat geldt voor de zorgverzekering van deze kinderen?
De verzekeringsplicht van art. 2 Zvw is individueel en geldt ook voor kinderen; een ouder sluit als verzekeringnemer de verzekering ten behoeve van het kind. Volgens art. 16 lid 2 Zvw is tot de eerste dag van de maand na de 18e verjaardag geen premie verschuldigd; de overheid betaalt daarvoor een rijksbijdrage in het Zorgverzekeringsfonds. Automatische meeverzekering bestaat niet.
10. Sanne wordt op 14 mei 18 jaar. Zij staat als verzekerde op de zorgverzekering van haar moeder. Vanaf wanneer is voor haar nominale premie verschuldigd?
Art. 16 lid 2 Zvw bepaalt dat geen premie verschuldigd is tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand waarin de verzekerde 18 jaar wordt. Vanaf datzelfde moment geldt ook het verplicht eigen risico, naar evenredigheid van het resterende deel van het jaar. De verzekeraar mag de premie dus niet vanaf de verjaardag zelf rekenen.
11. Uit welke componenten bestaat de financiering van de zorgverzekering op grond van de Zvw?
De Zvw kent drie geldstromen: de nominale premie (art. 16 en 17 Zvw), de inkomensafhankelijke bijdrage die werkgevers en uitkeringsinstanties afdragen of die via een aanslag wordt geheven (art. 41 e.v. Zvw), en de rijksbijdrage voor verzekerden onder 18 jaar in het Zorgverzekeringsfonds (art. 54 Zvw). De zorgtoeslag is een compensatie voor de verzekerde, geen financieringsbron van het fonds.
12. Meneer Dekker ziet op zijn loonstrook een post 'werkgeversheffing Zvw' staan en vraagt zijn adviseur wat dit is. Wat is juist?
De werkgeversheffing Zvw is de inkomensafhankelijke bijdrage van art. 41 e.v. Zvw: een percentage over het loon tot een maximumbijdrageloon (jaarlijks vastgesteld, indicatief), afgedragen aan de Belastingdienst en gestort in het Zorgverzekeringsfonds dat Zorginstituut Nederland beheert. Zelfstandigen en gepensioneerden betalen een lager percentage via een aanslag. De Wlz-premie is een aparte volksverzekeringspremie.
13. Wat is het karakter van de zorgtoeslag?
De Wet op de zorgtoeslag geeft Zvw-verzekerden van 18 jaar en ouder een tegemoetkoming die afhangt van het toetsingsinkomen en het vermogen; de hoogte is afgeleid van de standaardpremie (gemiddelde nominale premie plus gemiddeld eigen risico). De Dienst Toeslagen betaalt maandelijks een voorschot na aanvraag. De verzekeraar zelf verrekent niets; een gemeentelijke bijdrage is een minimaregeling, geen zorgtoeslag.
14. Mevrouw Aalbers betaalt € 145 nominale premie per maand. Zij kiest een vrijwillig eigen risico van € 500, waarvoor zij € 20 korting per maand krijgt. Het verplicht eigen risico bedraagt dit jaar € 385. In dat jaar maakt zij € 900 aan zorgkosten die onder het eigen risico vallen. Hoeveel betaalt zij dat jaar in totaal aan premie en eigen risico?
De premie wordt 12 × (€ 145 − € 20) = € 1.500. Het totale eigen risico is € 385 verplicht (art. 19 Zvw) plus € 500 vrijwillig (art. 20 Zvw) = € 885; de zorgkosten van € 900 overschrijden dat, dus zij betaalt € 885 zelf en de verzekeraar € 15. Totaal € 1.500 + € 885 = € 2.385. De bedragen van eigen risico en korting zijn indicatief en worden jaarlijks herzien.
15. Welke regel geldt bij de acceptatie van een aanvraag voor een basisverzekering?
Art. 3 Zvw legt de zorgverzekeraar een acceptatieplicht op voor iedere verzekeringsplichtige die in zijn werkgebied woont, en art. 17 Zvw verbiedt premiedifferentiatie naar persoonskenmerken. Medische selectie is bij de basisverzekering uitgesloten; het hogere risico van chronisch zieken en ouderen wordt via de risicoverevening uit het Zorgverzekeringsfonds gecompenseerd (art. 32 e.v. Zvw).
16. Meneer Haddad heeft diabetes type 2 en wil per 1 januari overstappen naar een goedkopere zorgverzekeraar voor zijn basisverzekering en een aanvullende tandartsverzekering. Wat moet de adviseur hem vertellen?
Voor de basisverzekering gelden de acceptatieplicht van art. 3 Zvw en het verbod op premiedifferentiatie van art. 17 Zvw; de Zvw kent geen wachttijden of uitsluitingen. De aanvullende verzekering is een gewone particuliere verzekering onder Boek 7 titel 17 BW, waarbij de verzekeraar gezondheidsvragen mag stellen en mag weigeren of een wachttijd mag hanteren. Een overdrachtsverklaring bestaat niet.
17. Mag een zorgverzekeraar de nominale premie van de basisverzekering laten verschillen tussen zijn verzekerden?
Art. 17 lid 2 Zvw verplicht de verzekeraar voor dezelfde variant van de zorgverzekering dezelfde premie te rekenen aan iedere verzekeringnemer. Verschillen ontstaan alleen door de variant (natura, restitutie, combinatie) en de korting voor een vrijwillig eigen risico (art. 20 Zvw); sinds 2023 is ook de collectiviteitskorting op de basisverzekering afgeschaft. De hoogte van de premie bepaalt de verzekeraar wel zelf.
18. Welke zorg valt onder de Wet langdurige zorg?
Art. 3.2.1 Wlz geeft recht op zorg bij een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid; het CIZ stelt die indicatie vast (art. 3.2.3 Wlz) en het zorgkantoor regelt de zorg. Leeftijd is geen criterium. Huishoudelijke hulp en dagbesteding zijn Wmo-voorzieningen van de gemeente; ziekenhuiszorg blijft onder de Zvw, hoe lang zij ook duurt.
19. Mevrouw De Jong (82) heeft gevorderde dementie en kan niet langer zonder permanent toezicht thuis wonen. Haar dochter vraagt de adviseur hoe de zorg wordt geregeld en betaald. Wat is juist?
Blijvende behoefte aan permanent toezicht is het Wlz-criterium van art. 3.2.1 Wlz. Het CIZ indiceert, het zorgkantoor regelt de leveringsvorm (verblijf, volledig of modulair pakket thuis, pgb) en het CAK berekent en int de eigen bijdrage op basis van inkomen en vermogen (art. 3.2.5 Wlz). De Zvw dekt alleen tijdelijke zorg zoals wijkverpleging of geriatrische revalidatie; de Wmo biedt ondersteuning thuis.
20. Welke stelling over de Wmo 2015 en de Jeugdwet is juist?
De Wmo 2015 (huishoudelijke hulp, begeleiding, dagbesteding, woningaanpassing) en de Jeugdwet (jeugdhulp, jeugd-GGZ, opvoedondersteuning) zijn gemeentelijke voorzieningen, geen verzekeringen; voor de Wmo int het CAK een vaste eigen bijdrage (indicatief, jaarlijks herzien). Kinderen blijven op grond van art. 2 Zvw verzekeringsplichtig voor huisarts, ziekenhuis en geneesmiddelen.
21. Meneer Kuijpers (76) komt na een ziekenhuisopname thuis en heeft enkele weken verpleegkundige wondzorg nodig. Permanent toezicht is niet nodig. Onder welk stelsel valt deze zorg en wat betaalt hij zelf?
Verpleging en verzorging zonder verblijf (wijkverpleging) is sinds 2015 een prestatie van het basispakket (art. 2.10 Besluit zorgverzekering); de wijkverpleegkundige stelt de indicatie, niet het CIZ. Art. 21 Zvw en art. 2.17 Besluit zorgverzekering zonderen wijkverpleging uit van het eigen risico. De Wlz geldt alleen bij een blijvende behoefte aan 24-uurszorg.
22. Welke zorg uit het basispakket is uitgezonderd van het verplicht eigen risico?
Art. 21 Zvw en art. 2.17 Besluit zorgverzekering zonderen huisartsenzorg, verloskundige zorg en kraamzorg, wijkverpleging, hulpmiddelen in bruikleen, ketenzorg en nacontrole van donoren uit; verzekerden onder 18 hebben helemaal geen eigen risico (art. 19 Zvw). Geneesmiddelen en diagnostiek die de huisarts voorschrijft of aanvraagt tellen wél mee, net als spoedeisende hulp en ambulancevervoer.
23. Mevrouw Peters (45) bezoekt haar huisarts, die antibiotica voorschrijft en bloedonderzoek in het laboratorium van het ziekenhuis aanvraagt. Welke kosten tellen mee voor haar verplicht eigen risico?
Art. 21 lid 1 Zvw zondert zorg zoals huisartsen die plegen te bieden uit van het eigen risico, maar niet de kosten van geneesmiddelen en van diagnostiek die de huisarts elders laat verrichten. Het consult is dus vrij, de apotheeknota en de laboratoriumnota worden met het eigen risico verrekend (bedrag indicatief, jaarlijks herzien).
24. Wat is het verschil tussen het verplicht en het vrijwillig eigen risico van de zorgverzekering?
Art. 19 Zvw legt het verplicht eigen risico vast; art. 20 Zvw laat de verzekerde daarbovenop een vrijwillig eigen risico kiezen in stappen tot een wettelijk maximum (indicatief € 500, jaarlijks herzien), waarvoor de verzekeraar premiekorting geeft. Beide gelden uitsluitend voor het basispakket, met dezelfde uitzonderingen; eerst wordt het verplichte deel verbruikt, daarna het vrijwillige.
25. Meneer Roos heeft een verplicht eigen risico van € 385 en een vrijwillig eigen risico van € 200. Eerder dit jaar is al € 150 aan zorgkosten met zijn eigen risico verrekend. Nu ontvangt de verzekeraar een nota van een gecontracteerd ziekenhuis van € 1.100. Welk bedrag brengt de verzekeraar bij meneer Roos in rekening?
Verplicht en vrijwillig eigen risico vormen samen één bedrag per kalenderjaar (art. 19 en 20 Zvw): € 385 + € 200 = € 585. Daarvan was € 150 verbruikt, dus resteerde € 435. De verzekeraar betaalt het ziekenhuis € 1.100 en int € 435 bij de verzekerde; de overige € 665 blijven voor de verzekeraar. Contractering verandert niets aan het eigen risico; het bedrag van € 385 is indicatief.
26. Mevrouw Lammers start op 12 december een behandeling in het ziekenhuis; de controles lopen door tot in februari van het volgende jaar. Met het eigen risico van welk jaar worden de kosten van deze behandeling verrekend?
Ziekenhuiszorg wordt gedeclareerd als DBC-zorgproduct volgens de declaratieregels van de NZa; de kosten worden toegerekend aan het kalenderjaar waarin het zorgproduct is geopend, dus de startdatum van de behandeling. Het eigen risico van art. 19 Zvw van dat jaar wordt aangesproken, ook al ontvangt de verzekerde de afrekening pas maanden later. Een verdeling naar rato bestaat niet.
27. Hoe verloopt de afwikkeling van een zorgnota bij een naturapolis wanneer de zorg door een gecontracteerde aanbieder is geleverd?
Bij zorg in natura (art. 11 Zvw) betaalt de verzekeraar de gecontracteerde aanbieder rechtstreeks; de declaratie loopt via het portaal Vecozo, waar de aanbieder ook het verzekeringsrecht controleert. Het eigen risico van art. 19 Zvw wordt daarna door de verzekeraar bij de verzekerde geïnd. Zelf voorschieten en declareren hoort bij restitutie of niet-gecontracteerde zorg; het CAK speelt hier geen rol.
28. Mevrouw Bakker heeft een restitutiepolis en gaat naar een psycholoog zonder contract met haar verzekeraar. De nota bedraagt € 2.000; de verzekeraar stelt het marktconforme bedrag voor deze behandeling op € 1.800. Wat is juist?
Een restitutiepolis vergoedt de kosten van zorg, maar volgens art. 2.2 lid 2 Besluit zorgverzekering niet meer dan in de Nederlandse marktomstandigheden passend is; het meerdere is voor de verzekerde. Het percentage van 75 % hoort bij niet-gecontracteerde zorg op een naturapolis (art. 13 Zvw). GGZ zit in het basispakket, en het eigen risico wordt ook bij restitutie toegepast.
29. Wat houdt het hinderpaalcriterium bij de zorgverzekering in?
Art. 13 Zvw geeft de verzekerde met een naturapolis recht op een vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg; de Hoge Raad oordeelde in 2014 (CZ/Momentum) dat die vergoeding geen feitelijke hinderpaal mag vormen. In de praktijk geldt een korting van circa 25 % op het gecontracteerde tarief als toelaatbaar, wat de Hoge Raad in 2019 (Conductore) bevestigde. Het criterium gaat niet over overstappen of wachttijden.
30. Meneer Sluis heeft een naturapolis en wil een geplande knieoperatie laten uitvoeren in een kliniek waarmee zijn verzekeraar geen contract heeft. Wat moet de adviseur hem vertellen?
Art. 13 Zvw geeft ook bij een naturapolis recht op niet-gecontracteerde zorg, tegen een in de polis vastgelegde lagere vergoeding die geen feitelijke hinderpaal mag zijn (Hoge Raad 2014). Sommige polissen vragen bij bepaalde zorgsoorten vooraf toestemming, maar dat betekent niet dat elk recht vervalt. De zorgplicht verplicht de verzekeraar niet tot volledige vergoeding buiten zijn contracten.
31. Welke stappen schrijft de Zorgverzekeringswet voor als de premieachterstand op de basisverzekering oploopt?
De wanbetalersregeling van art. 18a tot en met 18f Zvw kent een vaste volgorde: bij twee maandpremies achterstand biedt de verzekeraar een betalingsregeling aan, bij vier maanden waarschuwt hij voor aanmelding, bij zes maanden meldt hij de verzekeringnemer aan bij het CAK. De dekking loopt door en de zorgverzekering wordt niet ontbonden; De Vereende speelt in de zorg geen rol.
32. Meneer Tak heeft zes maanden geen premie voor zijn basisverzekering betaald en is door zijn zorgverzekeraar aangemeld bij het CAK. Wat zijn de gevolgen?
Na aanmelding heft het CAK op grond van art. 18d en 18e Zvw een bestuursrechtelijke premie die hoger is dan de gemiddelde nominale premie (bedrag jaarlijks vastgesteld, indicatief), bij voorkeur via bronheffing op loon of uitkering. De dekking blijft in stand en art. 8a Zvw blokkeert opzegging zolang de achterstand bestaat. De boete van driemaal de standaardpremie hoort bij onverzekerden (art. 9b Zvw), niet bij wanbetalers.
33. Mevrouw Koning betaalde € 140 nominale premie per maand aan haar zorgverzekeraar. Na aanmelding bij het CAK moet zij een bestuursrechtelijke premie van € 170 per maand betalen (indicatief). Hoeveel betaalt zij over twaalf maanden meer dan bij normale premiebetaling, en wat gebeurt er met de oude achterstand?
Het verschil is (€ 170 − € 140) × 12 = € 360 per jaar. Zolang de bestuursrechtelijke premie loopt, is aan de zorgverzekeraar geen nominale premie meer verschuldigd (art. 18e Zvw), maar de opgebouwde achterstand blijft een schuld die moet worden afgelost. De regeling eindigt pas als de schuld is voldaan of een betalingsregeling loopt (art. 18d Zvw). De bedragen zijn indicatief en worden jaarlijks herzien.
34. Wat gebeurt er met iemand die verzekeringsplichtig is maar geen zorgverzekering sluit?
Op grond van art. 9a tot en met 9d Zvw vergelijkt het CAK de gegevens van de SVB met de verzekerdenregistratie, schrijft onverzekerden aan met een termijn van drie maanden, legt daarna een bestuurlijke boete op en sluit na een tweede boete ambtshalve een zorgverzekering, waarvan de premie wordt ingehouden. Werkgever en Belastingdienst hebben hierin geen taak.
35. Meneer Elzinga negeert twee aanschrijvingen van het CAK omdat hij geen zorgverzekering heeft gesloten. De standaardpremie bedraagt in dat jaar € 165 per maand (indicatief) en de boete per aanschrijving is driemaal die maandpremie. Welk boetebedrag is in totaal verschuldigd?
Art. 9b Zvw stelt de boete op driemaal de tot een maandbedrag herleide standaardpremie; blijft ook na de tweede aanschrijving een verzekering uit, dan volgt opnieuw een boete en daarna de ambtshalve verzekering van art. 9d Zvw. Hier: 2 × 3 × € 165 = € 990. De standaardpremie wordt jaarlijks vastgesteld en is indicatief; de premie van de ambtshalve gesloten verzekering komt daar nog bovenop.