De ongevallenverzekering is de enige sommenverzekering in de module Schadeverzekeringen particulier. De toetstermen (1c.18, 1d.19 tot en met 1d.21, 2c.3, 2e.14 tot en met 2e.16) verlangen dat de adviseur de verschijningsvormen en dekkingsrubrieken kent, het begrip ongeval volgens de polisvoorwaarden kan definiëren, de gevolgen van de kwalificatie persoonsverzekering kan aangeven en de gangbare clausules, uitsluitingen en fiscale gevolgen kan toepassen. Anders dan een schadeverzekering vergoedt zij geen werkelijk geleden schade: zij keert een vooraf afgesproken bedrag uit zodra het verzekerde evenement zich voordoet, zonder schuldvraag.
Art. 7:964 BW omschrijft de sommenverzekering als een verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. Het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW geldt daarom niet: meerdere ongevallenpolissen mogen naast elkaar uitkeren en de verzekeraar heeft geen verhaalsrecht op de aansprakelijke derde, omdat de subrogatie van art. 7:962 BW alleen bij schadeverzekeringen bestaat. Omdat het risico een persoon betreft, is de ongevallenverzekering tevens een persoonsverzekering (art. 7:925 lid 2 BW). Daaruit volgt onder meer dat de verzekeraar de overeenkomst niet mag opzeggen of wijzigen op grond van een verslechterde gezondheid van de verzekerde (art. 7:940 lid 5 BW), dat de mededelingsplicht ook gezondheidsfeiten betreft en dat de Wet op de medische keuringen grenzen stelt aan wat de verzekeraar mag vragen en onderzoeken.
Polisvoorwaarden omschrijven een ongeval doorgaans als een plotseling, onverwacht, van buiten komend geweld dat rechtstreeks en onafhankelijk van de wil van de verzekerde lichamelijk letsel veroorzaakt dat medisch is vast te stellen. Verdrinking, bevriezing, verstikking, acute vergiftiging en wondinfectie na een gedekt ongeval worden meestal uitdrukkelijk gelijkgesteld; ziekte, een hartinfarct of slijtage vallen erbuiten. De dekking is opgebouwd uit rubrieken: A uitkering bij overlijden, B uitkering bij blijvende invaliditeit, vaak aangevuld met C (dagvergoeding bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid), D (geneeskundige kosten als aanvulling op de zorgverzekering) en tandheelkundige kosten voor kinderen. De uitkering onder rubriek B wordt bepaald met de gliedertaxe: een tabel die aan het verlies of het functieverlies van een lichaamsdeel een vast percentage koppelt, eventueel met een progressieve uitkering (bijvoorbeeld 225 % of 350 %) bij zware invaliditeit. Verzekeraars hanteren in de regel maxima per rubriek, vaak lager bij overlijden dan bij blijvende invaliditeit; de bedragen zijn indicatief en verschillen per aanbieder.
Naast de individuele en de gezinsongevallenverzekering bestaan de collectieve ongevallenverzekering (werkgever, vereniging, school, met een verzekerde kring in plaats van namen), de ongevallenverzekering voor in- en opzittenden (vaste bedragen per zitplaats) en de schadeverzekering voor inzittenden, die juist géén sommenverzekering is maar de werkelijke schade vergoedt. Toetsterm 2e.14 plaatst de ongevallenverzekering als oplossing voor klanten die geen arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen of willen sluiten: zij dekt alleen het ongevalsrisico, niet ziekte, en de adviseur werkt samen met de inkomensadviseur.
De premie hangt af van beroep, sport en leeftijd; gevaarlijke beroepen en risicosporten leiden tot een toeslag, een clausule of een uitsluiting. Gangbare uitsluitingen zijn opzet en roekeloosheid, misdrijf, alcohol- en drugsgebruik boven een grens, bestaande aandoeningen die het letsel verergeren (de verzekeraar keert dan uit naar de mate waarin een gezond persoon getroffen zou zijn), motorsport, bergsport zonder gids en oorlogsrisico. Fiscaal is de premie van een particuliere ongevallenverzekering niet aftrekbaar en is de uitkering onbelast in box 1; een ontvangen kapitaal telt daarna gewoon mee als vermogen in box 3. Op de premie is geen assurantiebelasting verschuldigd, omdat ongevallenverzekeringen onder de vrijstelling van de Wet op belastingen van rechtsverkeer vallen.
1. Waarom wordt de ongevallenverzekering als een sommenverzekering aangemerkt?
Art. 7:964 BW omschrijft de sommenverzekering als een verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. De ongevallenpolis keert per rubriek een vast bedrag of percentage uit; de werkelijke kosten spelen alleen een rol bij de aanvullende rubriek geneeskundige kosten. Terugvordering op de veroorzaker is juist uitgesloten, omdat art. 7:962 BW alleen bij schadeverzekeringen geldt.
2. Meneer Van Dijk sluit een individuele ongevallenverzekering met een uitkering van € 100.000 bij blijvende invaliditeit. Zijn adviseur legt uit hoe deze polis juridisch wordt gekwalificeerd. Welke uitleg is juist?
Art. 7:925 lid 2 BW noemt persoonsverzekering elke verzekering die het leven of de gezondheid van een mens betreft; dat omvat naast levensverzekeringen ook ongevallen- en ziektekostenverzekeringen. Omdat de uitkering een vast bedrag is dat losstaat van de werkelijke schade, is de ongevallenverzekering bovendien een sommenverzekering in de zin van art. 7:964 BW.
3. Welke omschrijving sluit het beste aan bij het begrip ongeval zoals polisvoorwaarden van ongevallenverzekeraars dat gebruikelijk hanteren?
De gangbare polisdefinitie (toetsterm 1d.20) bevat vier elementen: plotseling, van buiten komend geweld, buiten de wil van de verzekerde, en medisch vaststelbaar letsel als rechtstreeks gevolg. Arbeidsongeschiktheid als zodanig is het domein van de AOV, en geleidelijke overbelasting of ziekte mist het plotselinge en van buiten komende karakter.
4. Mevrouw Jacobs krijgt tijdens het hardlopen een hartinfarct, valt en breekt daarbij haar pols. Zij claimt onder haar ongevallenverzekering. Hoe zal de verzekeraar deze melding volgens de gebruikelijke voorwaarden beoordelen?
Een hartinfarct is een inwendige ziekte en mist het van buiten komende geweld dat de polisdefinitie eist; de val met breuk is wel een plotselinge inwerking van buitenaf. Verzekeraars beoordelen het letsel dan per onderdeel, waarbij zij zich op de voorwaarden kunnen beroepen als de bestaande aandoening de gevolgen heeft vergroot (toetsterm 2e.16). Hardlopen is geen risicosport in de zin van de gebruikelijke uitsluitingen.
5. Welke gebeurtenis stellen ongevallenverzekeraars in hun voorwaarden doorgaans uitdrukkelijk gelijk met een ongeval, hoewel zij strikt genomen niet aan alle elementen van de definitie voldoet?
De gebruikelijke voorwaarden breiden het ongevalsbegrip uit met een limitatieve lijst: verdrinking, verstikking, bevriezing, zonnesteek, hitteberoerte, acute vergiftiging en wondinfectie na een gedekt ongeval (toetsterm 1d.20). Slijtage, burn-out en een reactie op eigen geneesmiddelengebruik zijn ziekten of vrijwillige inwerkingen en blijven buiten de dekking.
6. Wat dekken de rubrieken A en B van een gangbare ongevallenverzekering?
De indeling is vast: rubriek A keert een bedrag uit bij overlijden door een ongeval, rubriek B een percentage van de verzekerde som bij blijvende invaliditeit (toetsterm 1c.18). Dagvergoeding en geneeskundige kosten zijn aanvullende rubrieken (C en D); zaakschade aan kleding of voertuig hoort bij schadeverzekeringen, niet bij een sommenverzekering.
7. Een klant overweegt de rubriek geneeskundige kosten op zijn ongevallenverzekering mee te verzekeren. Wat is de functie van deze rubriek naast zijn zorgverzekering?
De rubriek geneeskundige kosten is aanvullend op de Zorgverzekeringswet: zij vergoedt de kosten die na een gedekt ongeval voor rekening van de verzekerde blijven, zoals het verplicht eigen risico, eigen bijdragen en niet-vergoede behandelingen, tot het verzekerde maximum. Zij vervangt de basisverzekering niet en is, anders dan rubriek A en B, een schadedekking die alleen de werkelijk gemaakte kosten vergoedt.
8. Wat is de gliedertaxe in een ongevallenverzekering?
De gliedertaxe (toetsterm 2e.15) is de tabel in de polisvoorwaarden die per lichaamsdeel of zintuig een invaliditeitspercentage vastlegt, bijvoorbeeld voor het verlies van een duim, een arm, een oog of het gehoor. De uitkering onder rubriek B is dat percentage van de verzekerde som. Het is een contractuele afspraak, geen wettelijke regeling, en staat los van de premietabel.
9. De ongevallenverzekering van meneer Smit kent onder rubriek B een verzekerde som van € 150.000 zonder progressie. Na een ongeval stelt de medisch adviseur op grond van de gliedertaxe een blijvende invaliditeit van 35 % vast. Hoe hoog is de uitkering?
Zonder progressieve uitkering is de uitkering onder rubriek B het vastgestelde invaliditeitspercentage maal de verzekerde som: 35 % van € 150.000 is € 52.500. De volledige som wordt alleen uitgekeerd bij 100 % invaliditeit; de gliedertaxe levert een percentage op, geen bedrag per procent (toetsterm 2e.15).
10. Mevrouw Hendriks heeft rubriek B verzekerd voor € 100.000 met een progressieve uitkering die vanaf 26 % invaliditeit oploopt tot 225 % bij volledige invaliditeit. Volgens de progressietabel van haar polis hoort bij 60 % invaliditeit een uitkeringspercentage van 95 %. Hoeveel keert de verzekeraar uit?
Bij een progressieve uitkering vervangt de progressietabel het gewone percentage zodra de invaliditeit boven de drempel komt: 60 % invaliditeit geeft hier 95 % van € 100.000, dus € 95.000. De 225 % is het eindpunt van de tabel bij 100 % invaliditeit, geen extra vermenigvuldigingsfactor (toetsterm 2e.15).
11. Meneer Bakker heeft een individuele ongevallenverzekering en is daarnaast verzekerd op de collectieve ongevallenverzekering van zijn werkgever en op de inzittendenverzekering van zijn auto. Na een verkeersongeval raakt hij blijvend invalide. Wat geldt voor de uitkeringen?
Bij sommenverzekeringen bestaat geen samenloop in de zin van art. 7:961 BW: elke polis keert het afgesproken bedrag uit, ongeacht wat andere verzekeraars betalen, omdat art. 7:960 BW (indemniteit) alleen schadeverzekeringen betreft. De verdeling naar rato en de na-u-regel horen bij schadeverzekeringen (toetsterm 2e.15).
12. Een ongevallenverzekeraar heeft € 40.000 uitgekeerd aan een verzekerde die door de schuld van een automobilist blijvend letsel opliep. Kan de verzekeraar dit bedrag verhalen op de aansprakelijke automobilist of diens WAM-verzekeraar?
De wettelijke subrogatie staat in afdeling 2 van titel 17 (schadeverzekering) en is in art. 7:962 BW beperkt tot schadevergoeding; bij een sommenverzekering gaat de vordering van de verzekerde niet op de verzekeraar over. De verzekerde behoudt zijn volledige vordering op de aansprakelijke partij naast de ontvangen som (toetsterm 1d.19).
13. Twee jaar na het sluiten van een ongevallenverzekering krijgt mevrouw Peters de diagnose diabetes. De verzekeraar wil de polis daarom opzeggen. Wat is juist?
Art. 7:940 lid 5 BW bepaalt dat de verzekeraar een persoonsverzekering niet kan opzeggen of wijzigen op grond van een verzwaring van het gezondheidsrisico dat in de persoon van de verzekerde is gelegen. Dat is een van de belangrijkste gevolgen van de kwalificatie persoonsverzekering (toetsterm 1d.19); een eenzijdige verlaging van de som valt onder hetzelfde verbod.
14. Bij de aanvraag van een ongevallenverzekering vraagt de verzekeraar of de aanvrager epilepsie heeft. Meneer De Groot beantwoordt de vraag ontkennend, hoewel hij daarvoor medicijnen gebruikt. Na een val tijdens een aanval claimt hij. Welke regel past de verzekeraar toe?
Ook bij een persoonsverzekering geldt de mededelingsplicht van art. 7:928 BW; een onjuist antwoord op een uitdrukkelijke gezondheidsvraag is een schending. Art. 7:930 BW bepaalt de gevolgen: geen uitkering als de verzekeraar bij juiste kennis niet had geaccepteerd of als er opzet tot misleiding was, en anders een evenredige of aangepaste uitkering (toetsterm 1d.19).
15. Welke rol speelt de Wet op de medische keuringen bij het aanvragen van een particuliere ongevallenverzekering?
De Wet op de medische keuringen (Wmk) stelt grenzen aan keuringen bij het aangaan van verzekeringen die de gezondheid betreffen: vragen moeten noodzakelijk en proportioneel zijn, bepaalde onderzoeken zijn verboden en onder de vragengrens is geen keuring toegestaan. Vragen stellen blijft toegestaan; een verplichte volledige keuring is het niet (toetstermen 1d.19 en 4a.2).
16. Meneer Verhoeven valt na een feest van een trap en breekt zijn heup. Uit het ziekenhuisdossier blijkt een alcoholpromillage ruim boven de grens die zijn ongevallenpolis noemt. Hoe zal de verzekeraar dit doorgaans beoordelen?
Gangbare ongevallenvoorwaarden sluiten ongevallen uit die ontstaan terwijl de verzekerde onder invloed van alcohol boven een genoemd promillage verkeert; de verzekeraar moet het verband wel aannemelijk maken (toetsterm 2e.16). Een vaste korting van 50 % is geen algemene regel, en de definitie van ongeval is niet het enige criterium: uitsluitingen gaan daaraan vooraf.
17. Een klant beoefent regelmatig bergbeklimmen met touw en zonder gids. Hoe gaan ongevallenverzekeraars in de regel met dit risico om bij acceptatie?
Gevaarlijke sporten zoals bergsport zonder gids, motorsport of parachutespringen zijn acceptatiefactoren: de verzekeraar kan de sport uitsluiten, een toeslag rekenen of een clausule opnemen (toetsterm 2e.16). Er bestaat geen wettelijk verbod op dat onderscheid en evenmin een wettelijke onverzekerbaarheid; de adviseur moet de klant wijzen op de gekozen oplossing.
18. Mevrouw Willems heeft door reuma al een beperkte functie van haar rechterhand. Na een ongeval verliest zij de functie van die hand volledig. Volgens de gliedertaxe geldt 60 % voor het verlies van een hand. Hoe bepalen verzekeraars de uitkering doorgaans in zo'n geval?
De gebruikelijke voorwaarden bepalen dat bij een reeds bestaande ziekte of afwijking alleen wordt uitgekeerd voor het deel dat aan het ongeval is toe te rekenen: de invaliditeit wordt vastgesteld alsof de verzekerde gezond was, of het vooraf bestaande functieverlies wordt afgetrokken (toetsterm 2e.16). Volledige weigering geldt alleen als de aandoening zelf de oorzaak van het letsel is.
19. Hoe wordt de premie van een particuliere ongevallenverzekering fiscaal behandeld in de inkomstenbelasting?
De Wet IB 2001 laat als uitgaven voor inkomensvoorzieningen alleen premies toe voor verzekeringen die periodieke uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval geven, zoals een AOV. Een ongevallenverzekering met een kapitaaluitkering valt daar niet onder, zodat de premie niet aftrekbaar is (toetsterm 2e.16). De rubriek geneeskundige kosten is geen specifieke zorgkostenaftrek.
20. Meneer Aalbers ontvangt na een ongeval € 80.000 uit rubriek B van zijn particuliere ongevallenverzekering. Wat zijn de fiscale gevolgen?
Omdat de premie niet aftrekbaar was en de uitkering geen periodieke uitkering uit een inkomensvoorziening is, blijft een kapitaaluitkering uit een particuliere ongevallenverzekering buiten box 1 (toetsterm 2e.16). Het geld dat op de peildatum nog aanwezig is, hoort vervolgens gewoon tot de bezittingen in box 3 van de Wet IB 2001; een algehele vrijstelling bestaat niet.
21. Een klant vergelijkt de premies van zijn inboedelverzekering en zijn ongevallenverzekering en ziet dat op de eerste 21 % assurantiebelasting staat en op de tweede niet. Wat is de verklaring?
De Wet op belastingen van rechtsverkeer heft 21 % assurantiebelasting over schadeverzekeringspremies, maar stelt onder meer levens-, ongevallen-, invaliditeits-, arbeidsongeschiktheids- en ziektekostenverzekeringen vrij (toetsterm 1g.1). Verzekeringsdiensten zijn bovendien vrijgesteld van omzetbelasting; de inboedelpremie is dus terecht met belasting verhoogd.
22. Hoe gaan ongevallenverzekeraars in de regel om met de hoogte van de te verzekeren bedragen?
Toetsterm 1d.21 vraagt naar de praktijk: verzekeraars stellen per rubriek een maximum en beoordelen hoge sommen op moreel risico en verhouding tot inkomen en belang; bij overlijden ligt het maximum vaak lager dan bij blijvende invaliditeit, omdat een zwaar invalide verzekerde levenslang kosten heeft. De bedragen zijn indicatief en per verzekeraar verschillend; er bestaat geen wettelijk maximum.
23. Een klant twijfelt tussen het claimen van zijn letsel bij de aansprakelijkheidsverzekeraar van de tegenpartij en zijn eigen ongevallenverzekering. Zijn adviseur wijst op een wezenlijk voordeel van de ongevallenverzekering. Welk voordeel is dat?
Toetsterm 2c.3 benoemt precies dit punt: een ongevallenverzekering keert uit als het ongeval en het letsel vaststaan, ongeacht wie schuld heeft, zodat een jarenlange aansprakelijkheidsdiscussie wordt vermeden. De verzekerde kan daarnaast zijn werkelijke schade op de aansprakelijke derde verhalen; de som en de schadevergoeding sluiten elkaar niet uit.
24. Een zelfstandige stukadoor is door zijn medische voorgeschiedenis afgewezen voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De inkomensadviseur verwijst hem naar de schadeadviseur. Welke oplossing is passend, en met welke beperking?
Toetsterm 2e.14 beschrijft deze situatie: voor een klant die onverzekerbaar is voor een AOV, die te duur vindt of een te zwaar medisch risico vormt, is een ongevallenverzekering een gedeeltelijke oplossing. De adviseur moet nadrukkelijk uitleggen dat alleen het ongevalsrisico is gedekt en niet ziekte, en werkt daarbij samen met de inkomensadviseur.
25. De polis van mevrouw Roos kent onder rubriek C een dagvergoeding van € 60 bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid door een ongeval, met 14 wachtdagen en een maximale uitkeringsduur van 365 dagen. Na een ongeval is zij 50 dagen volledig arbeidsongeschikt. Hoeveel ontvangt zij?
De wachtdagen worden van de periode van arbeidsongeschiktheid afgetrokken: 50 dagen minus 14 wachtdagen is 36 uitkeringsdagen, maal € 60 is € 2.160. De maximale uitkeringsduur is een plafond, geen vast recht, en de zorgverzekeraar vergoedt zorg, geen inkomensverlies (toetsterm 1c.18).
26. Wat is kenmerkend voor een collectieve ongevallenverzekering die een sportvereniging voor haar leden sluit?
Bij een collectieve ongevallenverzekering wordt de verzekerde kring omschreven (leden, werknemers, leerlingen), vaak met een omschrijving van de gedekte activiteiten en tijd, zodat individuele acceptatie en gezondheidsverklaringen achterwege blijven (toetsterm 1c.18). De dekking omvat doorgaans ook trainingen en het rechtstreekse reizen; de premie wordt collectief bepaald.
27. Een collectieve ongevallenverzekering van een klimvereniging heeft in drie jaar veel claims opgeleverd. Wat mag de vereniging bij de verlenging van de verzekeraar verwachten?
Het verbod van art. 7:940 lid 5 BW ziet op het gezondheidsrisico van een individuele verzekerde, niet op het schadeverloop van een collectief contract; bij de contractvervaldatum mag de verzekeraar premie en voorwaarden herzien. De adviseur bespreekt dan preventie en alternatieven (toetsterm 1h.5 zakelijk, beheer 2f.5). Automatisch verval en keuring achteraf bestaan niet.
28. Wat is het verschil tussen een ongevallenverzekering voor inzittenden en een schadeverzekering voor inzittenden?
De ongevallen-inzittendenverzekering is een sommenverzekering met vaste bedragen per zitplaats; de schadeverzekering voor inzittenden is een schadeverzekering die de werkelijke schade (letsel, kleding, inkomensverlies) van bestuurder en passagiers vergoedt, ook als de bestuurder zelf schuld heeft (toetsterm 1d.9). Geen van beide is verplicht op grond van de WAM.
29. Meneer Dekker overlijdt door een verkeersongeval. Op zijn ongevallenpolis is onder rubriek A € 25.000 verzekerd en als begunstigde is zijn echtgenote aangewezen. Aan wie en op welke grond betaalt de verzekeraar?
Bij een sommenverzekering kan de verzekeringnemer een begunstigde aanwijzen; bij overlijden krijgt de aangewezen begunstigde een eigen recht op de uitkering (afdeling 3 van titel 17 BW, art. 7:966 e.v.). Verrekening door de WAM-verzekeraar is uitgesloten, omdat een sommenuitkering de schadevergoeding niet vermindert (art. 6:100 BW wordt daarop in de rechtspraak niet toegepast).
30. Na een ongeval ontvangt mevrouw Kuiper onder rubriek B een uitkering van € 30.000 wegens blijvende invaliditeit. Vier maanden later overlijdt zij alsnog aan de gevolgen van datzelfde ongeval; onder rubriek A is € 20.000 verzekerd. Wat bepalen gangbare voorwaarden?
De meeste voorwaarden bepalen dat bij overlijden aan de gevolgen van hetzelfde ongeval de reeds betaalde invaliditeitsuitkering op de overlijdensuitkering in mindering komt, zonder terugvordering van het meerdere. Hier is € 30.000 al betaald tegen een overlijdenssom van € 20.000, zodat rubriek A niets meer uitkeert. De precieze regeling verschilt per verzekeraar (toetsterm 1c.18).
31. Waarom koppelen ongevallenverzekeraars de uitkering bij overlijden aan een termijn na het ongeval, bijvoorbeeld overlijden binnen een jaar?
De termijn is een contractuele afbakening van het oorzakelijk verband: hoe langer na het ongeval, hoe groter de kans dat andere oorzaken meespelen. Het is geen wettelijke eis, en staat los van de premieberekening of het erfrecht (toetsterm 1d.20). Bij twijfel over de oorzaak vraagt de verzekeraar medische informatie op met toestemming van de nabestaanden.
32. Welke rubriek van een gezinsongevallenverzekering is speciaal van belang voor meeverzekerde kinderen?
Gezinspolissen kennen vaak een aparte rubriek voor tandheelkundige kosten door een ongeval bij kinderen, aanvullend op de Zorgverzekeringswet, waarin tandzorg voor kinderen weliswaar is opgenomen maar niet elke behandeling en niet levenslang voor de gevolgen (toetsterm 1c.18). Overlijdenssommen voor kinderen worden juist laag gehouden, en dagvergoeding veronderstelt inkomen.
33. Volgens de gliedertaxe van een polis geldt voor het volledige verlies van het gezichtsvermogen van één oog 30 %. Meneer Prins verliest door een ongeval één oog; rubriek B is verzekerd voor € 120.000 zonder progressie en met een franchise van 5 % invaliditeit. Hoeveel wordt uitgekeerd?
Een franchise in een ongevallenpolis is een drempel: onder 5 % invaliditeit wordt niets uitgekeerd, daarboven het volledige percentage. Bij 30 % invaliditeit is de uitkering dus 30 % van € 120.000, ofwel € 36.000. Alleen een eigen risico zou van het percentage worden afgetrokken; de gliedertaxe is contractueel en kent geen wettelijke verdubbeling (toetsterm 2e.15).
34. Een verzekerde raakt gewond wanneer hij bij een inbraak die hij zelf pleegt van een dak valt. Hij claimt onder zijn ongevallenverzekering. Wat is juist?
Ongevallenvoorwaarden sluiten letsel uit dat ontstaat door opzet, roekeloosheid of het plegen van of deelnemen aan een misdrijf (toetsterm 2e.16); daarnaast staat art. 7:952 BW de verzekeraar toe schade door opzet of roekeloosheid niet te vergoeden. Een wettelijke matiging van 50 % bestaat niet en het Waarborgfonds Motorverkeer heeft met deze situatie niets te maken.
35. Een klant van 68 jaar wil een individuele ongevallenverzekering sluiten. Waar moet de adviseur op letten?
Veel ongevallenverzekeraars kennen een acceptatieleeftijd en een eindleeftijd, of hanteren voor oudere verzekerden een lagere uitkering of een hogere premie, omdat de kans op letsel en de herstelduur toenemen (toetsterm 1c.18). Er bestaat geen wettelijk verbod, geen verplichte keuring boven een leeftijd en geen automatische omzetting in een periodieke uitkering.