WftExamenTrainer

🏭 Bezit zakelijk: opstal, inventaris, goederen, geld en fraude, machinebreuk, agrarisch, milieu, CAR

Waarover dit onderdeel gaat

Onderdeel A1 Bezit omvat de verzekeringen van wat een onderneming heeft: gebouw, inventaris, goederen, glas, geld, machines, gewassen, dieren, milieu en bouwwerken. Toetstermen 1c.10, 1c.11, 1e.3, 1e.6, 1e.7, 1e.9, 1e.10, 1h.1, 1h.4, 2c.2 en 1i.15-1i.19.

Waardemaatstaven en indemniteit

De schadeverzekering vergoedt nooit meer dan de schade (indemniteitsbeginsel, art. 7:960 BW). Het bedrijfsgebouw wordt verzekerd naar herbouwwaarde; wie niet herbouwt, krijgt de verkoopwaarde (zonder grond) en bij sloopbestemming de sloopwaarde. Bij een claim gelden herstelkosten, of bij totaal verlies de herbouwwaarde mits wordt herbouwd (1i.17). De indexclausule past het verzekerd bedrag jaarlijks aan; bij schade telt de indexstijging sinds de laatste vervaldag mee als overdekking (1i.16). Inventaris wordt verzekerd naar nieuwwaarde, met dagwaarde voor sterk afgeschreven zaken; goederen naar inkoopwaarde of vervaardigingskosten.

Onder- en oververzekering, premier risque, taxatie

Bij onderverzekering geldt de evenredigheidsregel: uitkering = schade × verzekerd bedrag / werkelijke waarde (art. 7:958 lid 5 BW). Oververzekering levert nooit meer op dan de werkelijke schade (art. 7:960 BW). Zuivere premier risque vergoedt tot het verzekerd bedrag zonder evenredigheid. Een garantie tegen onderverzekering (herbouwwaardemeter, inventarisinventarisatie, taxatie) schakelt de evenredigheidsregel uit (1i.18). Een deskundigentaxatie (art. 7:960 BW) bindt de verzekeraar aan de getaxeerde waarde gedurende de looptijd van de taxatie; daarna geldt zij als opgave van de klant en kan de verzekeraar een uitkeringscorrectie toepassen (1i.15). Taxatie is zinvol bij unieke zaken: monumenten, kunst, oude machines (1h.4).

Bijzondere bezitsverzekeringen

De geld- en fraudeverzekering dekt waarden (geld, geldswaardig papier) tegen het verblijfsrisico (in pand of kluis), het vervoersrisico (naar de bank), fraude door personeel en oplichting (vals geld, valse betaalmiddelen); een omzetpolis rekent premie over de omzet (1e.10). Machinebreuk dekt het van binnen komende onheil dat de brandpolis uitsluit (bedieningsfout, kortsluiting), niet slijtage. Lichtreclame, instrumenten, paarden en vee en de agrarische polis zijn specifieke vormen (1e.9); de brede weersverzekering dekt gewassen op open grond tegen hagel, storm, regen, vorst en droogte en is vrijgesteld van assurantiebelasting. De milieuschadeverzekering (MSV) vergoedt saneringskosten van bodem en water op de eigen locatie en bij derden, ongeacht aansprakelijkheid, tegen de achtergrond van de Wet milieubeheer en de Omgevingswet. De CAR-verzekering dekt het werk, hulpmaterieel, bestaande eigendommen en aansprakelijkheid tijdens bouw en onderhoudstermijn; het risico van het werk gaat over bij oplevering (art. 7:758 BW).

Risicowijziging, leegstand en verbouwing

Leegstand, kraken, verkoop en bestemmingswijziging veranderen het risico (1c.10): de polis eist melding en beperkt de dekking vaak tot brand, storm en bliksem. Bij verbouwing geldt doorgaans een beperkte dekking en vervalt de dekking voor diefstal en water zolang het pand niet wind- en waterdicht is (1c.11).

Salvage

De Stichting Salvage, opgericht en betaald door de brandverzekeraars, wordt via de brandweer gealarmeerd en verleent na brand eerste hulp aan gedupeerden, ongeacht bij wie de klant is verzekerd (1i.19).

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Naar welke waarde is een bedrijfsgebouw volgens het Burgerlijk Wetboek verzekerd als de polis daarover niets bepaalt?

  1. Naar de verkoopwaarde inclusief grond, omdat de wet uitgaat van wat het gebouw bij verkoop zou opbrengen op de vrije markt
  2. Naar de herbouwwaarde, terwijl andere zaken naar hun vervangingswaarde zijn verzekerd
  3. Naar de boekwaarde uit de laatst vastgestelde jaarrekening van de eigenaar, verminderd met de afschrijvingen
  4. Naar de WOZ-waarde die de gemeente jaarlijks vaststelt voor de onroerendezaakbelasting en de waterschapslasten

Art. 7:956 BW bepaalt dat een gebouw is verzekerd naar zijn herbouwwaarde en andere zaken naar hun vervangingswaarde, tenzij partijen anders overeenkomen (toetsterm 1e.3). Vervangingswaarde is het bedrag dat nodig is voor gelijkwaardige zaken naar soort, kwaliteit, staat en ouderdom. Verkoopwaarde, boekwaarde en WOZ-waarde zijn geen wettelijke waardemaatstaven voor de schadeverzekering; de WOZ-waarde bevat bovendien de grond.

2. Het bedrijfspand van Meubelmakerij De Groot BV brandt volledig af. De eigenaar laat binnen de polistermijn weten op dezelfde plaats een nieuwe werkplaats te bouwen. Welke waardemaatstaf hanteert de verzekeraar bij de schadevaststelling?

  1. De sloopwaarde, omdat de restanten van het pand moeten worden gesloopt voordat de herbouw kan beginnen
  2. De verkoopwaarde van het pand zonder grond, omdat een afgebrand pand geen herbouwwaarde meer heeft en de markt de waarde bepaalt
  3. De herbouwwaarde, omdat herbouw op dezelfde plaats met dezelfde bestemming plaatsvindt
  4. De boekwaarde van het pand op de balans, omdat de verzekeraar nooit meer vergoedt dan de klant fiscaal heeft geactiveerd

Toetsterm 1i.17 vraagt de waardemaatstaf bij een claim op de opstalverzekering uit te leggen. Bij herbouw op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming, aangekondigd binnen de polistermijn (doorgaans twaalf maanden), vergoedt de verzekeraar naar herbouwwaarde (art. 7:956 BW). Wie niet herbouwt, krijgt de verkoopwaarde zonder grond, en bij een pand dat al voor sloop bestemd was de sloopwaarde. De boekwaarde speelt geen rol.

3. Na een brand besluit Transportbedrijf El Amrani het verwoeste pand niet te herbouwen. De herbouwwaarde is € 900.000; het pand met grond was vóór de brand € 850.000 waard, waarvan € 250.000 grond. Welk bedrag vergoedt de opstalverzekeraar bij totaal verlies?

  1. € 300.000, het verschil tussen herbouwwaarde en verkoopwaarde, omdat de klant de rest bespaart door niet te herbouwen
  2. € 900.000, de herbouwwaarde, omdat het verzekerd bedrag op herbouwwaarde is vastgesteld en de klant dat bedrag heeft verzekerd
  3. € 850.000, de verkoopwaarde inclusief grond, omdat de klant met de uitkering elders een gelijkwaardig pand moet kunnen kopen
  4. € 600.000, de verkoopwaarde van het gebouw zonder grond, omdat bij niet herbouwen de lagere verkoopwaarde geldt

Wie niet herbouwt, krijgt volgens de gebruikelijke polisbepaling de verkoopwaarde van het gebouw, exclusief grond, tenzij de herbouwwaarde lager is: € 850.000 − € 250.000 = € 600.000 (toetsterm 1i.17). De grond gaat niet verloren en wordt niet vergoed. Het indemniteitsbeginsel (art. 7:960 BW) verhindert dat de klant met een herbouwwaarde-uitkering in een voordeliger positie komt als hij niet herbouwt.

4. Vastgoedbeheerder Van Leeuwen BV bezit een leegstaand bedrijfspand waarvoor al een sloopvergunning is verleend om er woningen te bouwen. Het pand brandt af. Op welke waarde baseert de verzekeraar de uitkering?

  1. Op de verkoopwaarde inclusief grond, omdat de eigenaar het pand als ontwikkellocatie zou hebben verkocht
  2. Op de herbouwwaarde, omdat een opstalverzekering altijd naar herbouwwaarde uitkeert zolang het verzekerd bedrag toereikend is
  3. Op de sloopwaarde: de opbrengst van de materialen minus de sloopkosten, omdat het pand toch gesloopt zou worden
  4. Op de nieuwbouwwaarde van de geplande woningen, omdat de eigenaar die door de brand niet meer kan bouwen

Als een gebouw vóór de schade al bestemd was voor sloop, is het verlies van de eigenaar beperkt tot de sloopwaarde: wat de materialen opbrengen minus de kosten van slopen (toetsterm 1i.17). Uitkeren naar herbouw- of verkoopwaarde zou hem in een duidelijk voordeliger positie brengen, wat art. 7:960 BW verbiedt. Leegstand en sloopbestemming zijn bovendien risicowijzigingen die de klant had moeten melden (toetsterm 1c.10).

5. Op welke wijze kan de adviseur de herbouwwaarde van het bedrijfspand van Bakkerij Van der Meer het meest betrouwbaar vaststellen?

  1. Met de WOZ-beschikking van de gemeente, omdat die de herbouwkosten van het pand jaarlijks actualiseert op basis van de bouwkostenindex
  2. Met een herbouwwaardemeter voor bedrijfsgebouwen of een taxatie door een deskundige op basis van bouwkosten per m²
  3. Met de aankoopprijs van het pand vermeerderd met de inflatie sinds de aankoopdatum, omdat bouwkosten de inflatie volgen
  4. Met de brandverzekeringspremie van vergelijkbare bakkerijen, teruggerekend naar een verzekerd bedrag

Toetsterm 1h.1 vraagt te beschrijven hoe de te verzekeren waarde wordt vastgesteld. De herbouwwaarde volgt uit de bouwkosten (inhoud of oppervlakte × eenheidsprijs voor het bouwtype, plus installaties en sloop- en opruimingskosten), via een herbouwwaardemeter of een taxatie (art. 7:960 BW). De WOZ-waarde is een marktwaarde inclusief grond en de aankoopprijs zegt niets over de huidige bouwkosten.

6. Bij de opstalverzekering van een bedrijfshal kan Loonbedrijf Dijkstra kiezen om de funderingen wel of niet mee te verzekeren. Wat legt de adviseur uit over deze keuze?

  1. Funderingen kunnen nooit worden meeverzekerd, omdat zij onder de grond liggen en daarom volgens de polis als grond gelden
  2. Funderingen moeten volgens het Burgerlijk Wetboek altijd worden meeverzekerd, omdat zij een onlosmakelijk deel van het gebouw vormen
  3. Zonder funderingen zijn verzekerd bedrag en premie lager, maar gaat de fundering wél verloren, dan is die niet gedekt
  4. Het meeverzekeren van funderingen is alleen mogelijk bij woonhuizen, niet bij bedrijfsgebouwen of loodsen

Toetsterm 1h.1 en 2c.2 vragen het verzekerd belang juist te benoemen. Bij brand blijven funderingen meestal bruikbaar, zodat veel klanten ze buiten het verzekerd bedrag laten om premie te sparen; bij ontploffing, instorting of verplichte nieuwbouw op een andere plek kan de fundering echter wel verloren gaan. De polis omschrijft wat onder gebouw valt; de wet (art. 7:956 BW) schrijft niets voor over funderingen.

7. De opstalpolis van Drukkerij Kleurrijk heeft een verzekerd bedrag van € 800.000 met indexclausule. Op de schadedatum is het bouwkostenindexcijfer sinds de laatste premievervaldag met 3 % gestegen. Van welk verzekerd bedrag gaat de verzekeraar uit bij de schaderegeling?

  1. € 800.000, omdat de indexclausule alleen op de premievervaldag werkt en niet tussentijds bij een schade
  2. € 824.000, omdat het verzekerd bedrag bij schade wordt aangepast aan de indexstijging sinds de laatste premievervaldag
  3. € 776.000, omdat een gestegen index betekent dat het pand relatief minder waard is geworden ten opzichte van de bouwkosten
  4. € 1.000.000, omdat de indexclausule bij schade standaard een overdekking van 25 % boven het verzekerd bedrag toekent

Toetsterm 1i.16 vraagt de werking van de indexclausule bij schade uit te leggen. Naast de jaarlijkse aanpassing op de premievervaldag wordt bij schade het verzekerd bedrag verhoogd met de stijging van het indexcijfer sinds die vervaldag: € 800.000 × 1,03 = € 824.000. Zo ontstaat geen onderverzekering door prijsstijgingen tussen twee vervaldagen (art. 7:958 lid 5 BW). Een eventuele extra overdekking staat in de polis; zij is niet standaard 25 %.

8. Waarom adviseert de adviseur een indexclausule op de opstalverzekering van een bedrijfsgebouw?

  1. Om het verzekerd bedrag automatisch mee te laten stijgen met de bouwkosten, zodat onderverzekering door prijsstijgingen wordt voorkomen
  2. Om de premie voor de hele looptijd van het contract vast te zetten, zodat de klant niet met premieverhogingen wordt geconfronteerd
  3. Om bij schade een hogere uitkering te krijgen dan de werkelijke herbouwkosten, als compensatie voor het ongemak van de herbouw
  4. Om het eigen risico jaarlijks te verlagen naarmate de klant langer schadevrij verzekerd is bij dezelfde verzekeraar

De indexclausule koppelt het verzekerd bedrag aan een indexcijfer voor bouwkosten en past het jaarlijks op de premievervaldag aan (toetsterm 1e.3). Daarmee blijft de dekking gelijke tred houden met de herbouwkosten en wordt de evenredigheidsregel bij onderverzekering (art. 7:958 lid 5 BW) voorkomen; de premie stijgt mee. Een uitkering boven de werkelijke schade is in strijd met het indemniteitsbeginsel (art. 7:960 BW).

9. Bij Metaalbewerking Visser gaat een twaalf jaar oude draaibank verloren. De nieuwwaarde is € 30.000, de dagwaarde € 9.000. De inventarispolis vergoedt naar nieuwwaarde, maar hanteert de dagwaarde als die minder dan 40 % van de nieuwwaarde bedraagt. Welke vergoeding volgt?

  1. € 21.000, omdat de verzekeraar de nieuwwaarde vergoedt minus de dagwaarde die de klant zelf nog kan realiseren
  2. € 30.000, omdat de polis naar nieuwwaarde vergoedt en de leeftijd van een machine daarbij geen rol speelt
  3. € 12.000, omdat de verzekeraar bij oude machines standaard 40 % van de nieuwwaarde uitkeert
  4. € 9.000, omdat de dagwaarde 30 % van de nieuwwaarde is en dus onder de grens van 40 % ligt

Toetsterm 1e.3 vraagt de waardemaatstaven uit te leggen. Inventaris wordt doorgaans naar nieuwwaarde verzekerd, maar de polis kent een dagwaarderegeling voor zaken waarvan de dagwaarde onder een grens ligt, meestal 40 % van de nieuwwaarde: € 9.000 / € 30.000 = 30 %, dus dagwaarde. Zonder die regeling zou de klant met een nieuwe machine in een duidelijk voordeliger positie komen (art. 7:960 BW). De grens van 40 % is polisafhankelijk.

10. Speelgoedgroothandel Toys & Co heeft de voorraad verzekerd naar inkoopwaarde voor € 150.000, gelijk aan de werkelijke inkoopwaarde. Door waterschade gaat 30 % van de voorraad verloren; de verkoopwaarde van dat deel was € 70.000. Welke vergoeding volgt?

  1. € 150.000, het volledige verzekerd bedrag, omdat waterschade in een magazijn de hele voorraad onverkoopbaar maakt
  2. € 70.000, de verkoopwaarde, omdat de groothandel door de schade ook de winst op de verkoop van deze goederen mist
  3. € 25.000, het verschil tussen verkoopwaarde en inkoopwaarde, omdat alleen de gemiste marge als schade geldt
  4. € 45.000, de inkoopwaarde van het verloren deel, omdat handelsgoederen naar inkoopwaarde zijn verzekerd

Handelsgoederen worden verzekerd naar inkoopwaarde (inclusief inkoopkosten), omdat de ondernemer met dat bedrag de goederen kan vervangen: 30 % × € 150.000 = € 45.000 (toetsterm 1e.3, begrip goederen 1c.8). De gemiste winstmarge is geen zaakschade maar bedrijfsschade en hoort op de bedrijfsschadeverzekering. Alleen reeds verkochte, nog niet geleverde goederen worden vaak naar verkoopprijs vergoed.

11. Meubelmakerij De Groot BV heeft in het magazijn zowel ingekocht plaatmateriaal als kant-en-klare, zelf gemaakte kasten die nog niet zijn verkocht. Naar welke waarde worden de kasten op de goederenverzekering vergoed?

  1. Naar de vervaardigingskosten: grondstoffen, arbeid en kosten die in de kasten zitten, zonder de nog niet gerealiseerde winst
  2. Naar de catalogusverkoopprijs, omdat de kasten klaar zijn voor verkoop en de maker recht heeft op zijn volledige winstmarge
  3. Naar de inkoopwaarde van het plaatmateriaal alleen, omdat arbeid en kosten niet verzekerbaar zijn op een goederenpolis
  4. Naar de nieuwwaarde van vergelijkbare kasten bij een concurrent, omdat de maker die zou moeten inkopen om te leveren

Goederen van eigen fabricaat worden verzekerd en vergoed naar vervaardigingskosten: de grondstoffen plus de loon- en overige kosten die erin zijn verwerkt (toetsterm 1e.3). De winst is pas geleden schade als de goederen al waren verkocht; dan hanteren veel polissen de verkoopprijs. Onverkochte voorraad naar verkoopprijs vergoeden zou de maker in een voordeliger positie brengen (art. 7:960 BW); de gemiste marge hoort thuis op de bedrijfsschadeverzekering.

12. Autospuiterij Colorline huurt een pand, heeft er een spuitcabine van € 80.000 in laten bouwen en heeft doorlopend auto's van klanten in de werkplaats. Welke belangen brengt de adviseur naast de eigen inventaris onder op de bezitsverzekering?

  1. De volledige herbouwwaarde van het pand, omdat een huurder die verbouwt het gehele gebouw moet verzekeren
  2. Alleen de eigen inventaris, omdat de spuitcabine door natrekking van de verhuurder is en klantauto's door de klant zelf zijn verzekerd
  3. Het huurdersbelang voor de spuitcabine en, als aanvullende dekking, de zaken van derden die Colorline onder zich heeft
  4. De klantauto's naar nieuwwaarde op de wagenparkverzekering van Colorline, omdat zij tijdens de reparatie als eigen voertuigen gelden

Toetsterm 2c.2 vraagt eigenaarsbelang, huurdersbelang en belang van derden te onderscheiden. De spuitcabine is door natrekking (art. 5:20 BW) eigendom van de verhuurder, maar het economisch belang van € 80.000 ligt bij de huurder: het huurdersbelang. Klantauto's zijn zaken van derden onder opzicht; zij worden via een aanvullende dekking of de garageverzekering gedekt (art. 7:946 BW: verzekering mede voor het belang van een derde).

13. Wat dekt een glasverzekering voor de etalageruiten van Juwelier Goudsmit in hoofdlijnen?

  1. Krassen, verkleuring en lekkage van isolatieglas, omdat dit de meest voorkomende schades aan winkelruiten zijn
  2. Alleen breuk door brand en storm, omdat andere oorzaken van glasbreuk onder de aansprakelijkheid van de veroorzaker vallen
  3. Breuk van het glas door vrijwel elke oorzaak, inclusief de kosten van vervanging, plaatsing en een noodvoorziening
  4. Diefstal van de sieraden uit de etalage nadat de ruit is ingeslagen, omdat glas en inhoud één risico vormen

De glasverzekering dekt breuk van het verzekerde glas door een van buiten komende oorzaak, vrijwel ongeacht welke, en vergoedt de vervanging inclusief plaatsen en een noodvoorziening (toetsterm 1e.9). Krassen, lekkage van isolatieglas en eigen gebrek (art. 7:951 BW) zijn uitgesloten; brandschade aan glas valt onder de brandpolis (toetsterm 1c.9). Diefstal van de inhoud is een goederen- of kostbaarhedenrisico, geen glasschade.

14. Restaurant Nguyen heeft glas-in-loodramen en een gebogen etalageruit. Waarop let de adviseur bij het sluiten van de glasverzekering?

  1. Bijzonder glas valt automatisch onder de opstalverzekering van het pand, zodat een aparte glasverzekering voor dit restaurant overbodig is
  2. Bijzonder glas is onverzekerbaar, zodat de klant dit risico altijd zelf moet dragen of het glas moet laten vervangen door gewoon glas
  3. Bijzonder glas zoals glas-in-lood of gebogen glas moet apart worden opgegeven, omdat de standaarddekking vaak alleen vlakglas omvat
  4. Bijzonder glas wordt alleen vergoed naar dagwaarde, omdat oud glas-in-lood niet meer kan worden vervangen

Toetsterm 2c.2 vraagt te beoordelen welke zaken onder de dekking vallen, inclusief aanvullende dekkingen. Standaardglasverzekeringen dekken vlak glas in ramen en deuren; glas-in-lood, gebogen, gebrandschilderd of geëtst glas en lichtreclames moeten apart worden opgegeven en verzekerd, vaak op basis van een taxatie. Brandschade aan glas valt onder de brandpolis, maar breuk door andere oorzaken niet, zodat een glasverzekering nodig blijft.

15. Accountantsmaatschap Van Dam & Partners heeft in de ontvangstruimte kunstwerken hangen met een gezamenlijke waarde van € 180.000. Hoe adviseert de adviseur deze zaken te verzekeren?

  1. Op een kostbaarhedenverzekering met vaste taxatie door een deskundige, omdat de inventarispolis kunst vaak beperkt dekt
  2. Op de gewone inventarisverzekering naar nieuwwaarde, omdat kunst een bedrijfsmiddel is en er dus geen aparte dekking nodig is
  3. Op de goederenverzekering naar inkoopwaarde, omdat kunst handelswaar is die het kantoor bij schade opnieuw kan inkopen
  4. Helemaal niet, omdat kunst geen bedrijfsmatig belang heeft en daarom niet op een zakelijke polis kan worden verzekerd

Toetsterm 1e.9 noemt de specifieke bezitsverzekeringen en toetsterm 1h.4 vraagt wanneer een taxatie zinvol is: bij unieke of moeilijk waardeerbare zaken zoals kunst. De inventarispolis beperkt kostbaarheden vaak tot een maximum; een kostbaarhedenverzekering dekt kunst en antiek uitgebreid naar getaxeerde waarde, waarbij de deskundigentaxatie de verzekeraar bindt (art. 7:960 BW). Kunst in een kantoor is een bedrijfsmiddel met verzekerbaar belang.

16. De inventaris van Bakkerij Van der Meer heeft een nieuwwaarde van € 500.000 en is verzekerd voor € 400.000 zonder garantie tegen onderverzekering. Een brand veroorzaakt € 50.000 schade. Welke uitkering volgt?

  1. € 62.500, omdat de verzekeraar de schade verhoogt met de verhouding tussen werkelijke waarde en verzekerd bedrag
  2. € 50.000, omdat de schade lager is dan het verzekerd bedrag en onderverzekering dan geen rol speelt
  3. € 45.000, omdat de verzekeraar bij onderverzekering het eigen risico verhoogt met het verschil in premie
  4. € 40.000, omdat de schade wordt vergoed in de verhouding van het verzekerd bedrag tot de werkelijke waarde

Bij onderverzekering vergoedt de verzekeraar de schade naar evenredigheid van het verzekerd bedrag tot de werkelijke waarde (art. 7:958 lid 5 BW, toetsterm 1e.6): € 50.000 × 400.000 / 500.000 = € 40.000. De regel geldt ook bij een gedeeltelijke schade die onder het verzekerd bedrag blijft; alleen een garantie tegen onderverzekering of een zuivere premier-risquedekking schakelt haar uit.

17. Welke oorzaak van onderverzekering komt bij zakelijke bezitsverzekeringen veel voor?

  1. De verzekeraar heeft de premie te laag berekend, waardoor hij bij schade minder uitkeert dan het verzekerd bedrag toelaat en de klant tekortkomt
  2. Het verzekerd bedrag is gebaseerd op de boekwaarde of een oude opgave, terwijl de nieuwwaarde door aankopen en prijsstijgingen steeg
  3. De klant heeft een eigen risico gekozen, waardoor hij een deel van elke schade zelf draagt en dus onderverzekerd is
  4. Het pand is verzekerd inclusief funderingen, waardoor het verzekerd bedrag hoger is dan de herbouwwaarde en de premie te hoog uitvalt

Onderverzekering ontstaat als het verzekerd bedrag lager is dan de werkelijke waarde (art. 7:958 lid 5 BW, toetsterm 1e.6). Bij bedrijven komt dat vaak door verzekeren op boekwaarde in plaats van nieuwwaarde, door nieuwe investeringen die niet zijn gemeld en door prijsstijgingen zonder index (toetsterm 1h.1). Een eigen risico is een bewuste keuze en geen onderverzekering; funderingen meeverzekeren verhoogt juist de dekking.

18. Zagerij Bos heeft de zaagloods verzekerd voor € 900.000, terwijl de herbouwwaarde € 700.000 is. De loods brandt volledig af en wordt herbouwd. Welk bedrag keert de verzekeraar uit?

  1. € 700.000, omdat de verzekeraar nooit meer vergoedt dan de werkelijke schade, ook al is een hoger bedrag verzekerd
  2. € 900.000, omdat het verzekerd bedrag bij totaal verlies altijd volledig wordt uitgekeerd aan de verzekeringnemer
  3. € 800.000, het gemiddelde, omdat verzekeraar en klant het risico van een onjuist verzekerd bedrag samen dragen
  4. € 1.100.000, omdat de te veel betaalde premie bij schade als extra uitkering aan de klant wordt terugbetaald

Bij oververzekering is het verzekerd bedrag hoger dan de waarde van het belang; de uitkering blijft beperkt tot de werkelijke schade, hier de herbouwwaarde van € 700.000 (indemniteitsbeginsel, art. 7:960 BW; toetsterm 1e.6). De klant heeft voor € 200.000 onnodig premie betaald. Toetsterm 3c.3 vraagt de adviseur uit te leggen dat oververzekering niet wenselijk is en dat een te hoge uitkering wettelijk niet is toegestaan.

19. Welke betekenis heeft de verzekerde som op een zakelijke bezitsverzekering volgens het Burgerlijk Wetboek?

  1. Het maximum dat de verzekeraar per voorval uitkeert, behoudens bereddings- en expertisekosten die daarboven komen
  2. Zij is het bedrag dat bij elke schade wordt uitgekeerd, ongeacht de omvang van de werkelijke schade aan de verzekerde zaken
  3. Zij is een indicatie die de verzekeraar bij schade mag verhogen als de werkelijke schade hoger uitvalt dan verwacht
  4. Zij is het bedrag dat de klant per jaar in totaal aan schade mag claimen, waarna de verzekering van rechtswege eindigt

Art. 7:955 lid 1 BW omschrijft de verzekerde som als het hoogste bedrag van de schadevergoeding tot uitkering waarvan de verzekeraar door eenzelfde voorval kan worden verplicht, behoudens de bereddingskosten (art. 7:957 BW) en de kosten van schadevaststelling (art. 7:959 BW), die de verzekeraar ook boven de verzekerde som vergoedt (toetsterm 1e.6). De uitkering zelf is de werkelijke schade, begrensd door de verzekerde som.

20. Café De Kroon heeft de kas verzekerd op een geldverzekering met een zuivere premier-risquedekking van € 10.000. Bij een overval wordt € 7.000 gestolen; het café heeft die avond in totaal € 40.000 in huis. Welke uitkering volgt?

  1. € 10.000, omdat bij premier risque altijd het volledige verzekerd bedrag wordt uitgekeerd zodra er schade is
  2. € 1.750, omdat de schade wordt vergoed in de verhouding van € 10.000 tot de aanwezige € 40.000
  3. € 7.000, de volledige schade, omdat bij een zuivere premier-risquedekking de evenredigheidsregel niet wordt toegepast
  4. Niets, omdat de klant met € 40.000 in huis het verzekerd bedrag heeft overschreden en daarmee de dekking heeft verspeeld

Bij een zuivere premier-risquedekking vergoedt de verzekeraar de schade tot het verzekerd bedrag zonder te kijken naar de totale waarde van het belang; de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW is uitgeschakeld (toetsterm 1e.7). De schade van € 7.000 blijft onder de € 10.000 en wordt volledig vergoed. Premier risque past bij risico's waarvan de maximale schade per gebeurtenis goed te schatten is, zoals geld, glas en opruimingskosten.

21. Hoveniersbedrijf Groenwerk heeft gereedschap ter waarde van € 50.000 verzekerd op een onzuivere premier-risquedekking van € 20.000. Na een inbraak bedraagt de schade € 30.000. Welke uitkering volgt?

  1. € 12.000, omdat bij onzuivere premier risque de evenredigheidsregel geldt en het verzekerd bedrag daarnaast als plafond werkt
  2. € 20.000, omdat de schade het verzekerd bedrag overschrijdt en premier risque altijd tot het verzekerd bedrag uitkeert
  3. € 30.000, omdat premier risque betekent dat elke schade volledig wordt vergoed ongeacht het verzekerd bedrag
  4. € 8.000, omdat de verzekeraar bij onzuivere premier risque eerst het verschil tussen waarde en verzekerd bedrag aftrekt

Bij een onzuivere premier-risquedekking geldt de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW wél, maar de uitkering is bovendien gemaximeerd op het verzekerd bedrag: € 30.000 × 20.000 / 50.000 = € 12.000, wat onder het plafond van € 20.000 blijft (toetsterm 1e.7). Alleen bij een zuivere premier-risquedekking zou de volledige € 20.000 (schade begrensd door het verzekerd bedrag) zijn uitgekeerd. De adviseur legt dit verschil uit met voorbeelden.

22. Voor welke onderdelen van de bezitsverzekering van Groothandel Fresh Foods is een premier-risquedekking passend?

  1. Voor de aansprakelijkheid jegens afnemers, omdat die alleen tot een vast bedrag per jaar hoeft te worden gedekt
  2. Voor het bedrijfsgebouw, omdat de herbouwwaarde daarvan te hoog is om volledig te verzekeren
  3. Voor de volledige handelsvoorraad, omdat een groothandel nooit alle goederen tegelijk verliest
  4. Voor opruimingskosten, geld, glas en bederf in koelcellen, waarvan de maximale schade per gebeurtenis goed te schatten is

Premier risque past bij belangen waarvan de totale waarde moeilijk of zinloos is vast te stellen, maar de maximaal te verwachten schade per gebeurtenis wel: opruimingskosten, geld, glas, bederf, tuinaanleg (toetsterm 1e.7). Het verzekerd bedrag is dan het maximum per gebeurtenis zonder evenredigheid (art. 7:958 lid 5 BW buiten werking). Gebouw en voorraad worden naar volle waarde verzekerd, omdat totaal verlies daar reëel is.

23. Loonbedrijf Dijkstra heeft de bedrijfshal verzekerd voor € 500.000 met een geldige garantie tegen onderverzekering op basis van een herbouwwaardemeter. Bij schade blijkt de herbouwwaarde € 700.000; de stormschade bedraagt € 60.000. Wat wordt uitgekeerd?

  1. € 42.857, omdat de evenredigheidsregel ook bij een garantie tegen onderverzekering wordt toegepast
  2. € 60.000, de volledige schade, omdat de verzekeraar door de garantie afziet van een beroep op onderverzekering
  3. € 84.000, omdat de garantie de uitkering verhoogt in de verhouding van de werkelijke waarde tot het verzekerd bedrag
  4. € 500.000, omdat de garantie betekent dat bij elke schade het volledige verzekerd bedrag wordt uitgekeerd

Toetsterm 1i.18 vraagt de voordelen van de garantie tegen onderverzekering uit te leggen: de verzekeraar doet geen beroep op art. 7:958 lid 5 BW als het verzekerd bedrag met een goedgekeurde waardemeter of taxatie is vastgesteld en de klant wijzigingen heeft gemeld. De schade van € 60.000 wordt dus volledig vergoed, ook al is de werkelijke waarde hoger. Zonder garantie zou 500/700 × € 60.000 = € 42.857 zijn uitgekeerd.

24. Drukkerij Kleurrijk heeft een garantie tegen onderverzekering op de inventaris op basis van een waardebepaling van drie jaar geleden. Sindsdien is een nieuwe drukpers van € 400.000 aangeschaft zonder melding. Wat is het gevolg bij een schade?

  1. De nieuwe drukpers is automatisch meeverzekerd, omdat inventarisverzekeringen nieuwe aankopen zonder premieverhoging altijd meenemen
  2. De garantie blijft onverkort gelden, omdat een garantie tegen onderverzekering per definitie alle toekomstige aankopen omvat
  3. De garantie kan vervallen, omdat zij alleen geldt als wijzigingen zijn gemeld; de verzekeraar kan dan onderverzekering tegenwerpen
  4. De verzekeraar moet de garantie honoreren, omdat hij de klant zelf had moeten vragen naar nieuwe investeringen

De garantie tegen onderverzekering is een toezegging onder voorwaarden: de waardebepaling moet juist en actueel zijn en de klant moet uitbreidingen of wijzigingen melden en de garantie periodiek laten vernieuwen (toetsterm 1i.18). Een onvermelde investering van € 400.000 doorbreekt die voorwaarde, zodat de verzekeraar bij schade alsnog de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW kan toepassen. Beheer en actualisatie zijn dus onderdeel van het advies (eindterm 1h).

25. De machines van Kunststofverwerker Polytec BV zijn door een deskundige getaxeerd op € 250.000 en voor dat bedrag verzekerd; de taxatie is nog geldig. Bij totaal verlies blijkt de werkelijke waarde € 200.000. Welke uitkering volgt?

  1. € 225.000, omdat verzekeraar en klant het verschil tussen taxatie en werkelijke waarde bij helfte delen
  2. € 200.000, omdat de verzekeraar nooit meer mag uitkeren dan de werkelijke waarde, ook niet na een taxatie
  3. € 250.000, omdat een geldige deskundigentaxatie de verzekeraar bindt en het indemniteitsbeginsel dan niet in de weg staat
  4. € 250.000 minus de te veel betaalde premie, omdat de verzekeraar oververzekering altijd corrigeert

Art. 7:960 BW verbiedt een uitkering die de verzekerde in een duidelijk voordeliger positie brengt, maar maakt een uitzondering voor een voorafgaande taxatie door een deskundige (of door partijen op advies van een deskundige): die waarde bindt de verzekeraar zolang de taxatie geldig is (toetsterm 1i.15, 1h.4). Een partijentaxatie zonder deskundige bindt niet. Bij een geldige deskundigentaxatie krijgt Polytec dus € 250.000.

26. De deskundigentaxatie van de inventaris van Fotostudio Lens & Licht is vier jaar oud, terwijl de polis een geldigheid van drie jaar noemt. Na een brand blijkt de werkelijke waarde veel lager dan de getaxeerde waarde. Waarom kan de verzekeraar een uitkeringscorrectie toepassen?

  1. Omdat een verlopen taxatie niet meer bindt en de verzekeraar dan van de werkelijke waarde mag uitgaan
  2. Omdat een deskundigentaxatie nooit bindend is en de verzekeraar bij elke schade opnieuw de waarde mag vaststellen
  3. Omdat de klant na een taxatie verplicht is de premie jaarlijks te verhogen en dat hier niet heeft gedaan
  4. Omdat de brand de getaxeerde zaken heeft vernietigd, waardoor de taxatie zijn grondslag heeft verloren

Toetsterm 1i.15 vraagt waarom en hoe de verzekeraar een uitkeringscorrectie toepast bij een deskundigentaxatie. De binding van art. 7:960 BW geldt gedurende de in de polis afgesproken geldigheid (vaak drie jaar voor inventaris, langer voor gebouwen); daarna geldt de taxatiewaarde als een opgave van de verzekeringnemer, zodat de verzekeraar mag corrigeren naar de werkelijke waarde en bij een te laag bedrag ook onderverzekering kan tegenwerpen. Tijdig hertaxeren is beheeradvies.

27. Voor welke klant is een deskundigentaxatie van het verzekerde bezit het meest zinvol?

  1. Een klant met een nieuw standaardkantoorpand en recent aangeschafte kantoorinventaris waarvan alle facturen beschikbaar zijn
  2. Een klant met een monumentaal pand, oude gespecialiseerde machines of kunst, waarvan de waarde moeilijk te bepalen is
  3. Een klant die uitsluitend goederen met een dagelijkse marktprijs verhandelt, zoals graan, brandstof of metalen
  4. Een klant die zijn premie wil verlagen, omdat een taxatie het verzekerd bedrag wettelijk met 10 % verlaagt en de premie dus daalt

Toetsterm 1h.4 vraagt in welke situaties een taxatie zinvol is: bij zaken waarvan de waarde niet eenvoudig uit facturen, waardemeters of marktprijzen volgt, zoals monumenten, unieke of oude machines, kunst en antiek. De deskundigentaxatie bindt de verzekeraar (art. 7:960 BW), voorkomt discussie over onderverzekering en geeft zekerheid over de uitkering. Een taxatie verlaagt het verzekerd bedrag niet; zij kost geld en moet periodiek worden herhaald.

28. Wat is het verschil in rechtsgevolg tussen een partijentaxatie en een deskundigentaxatie op een bezitsverzekering?

  1. Beide binden de verzekeraar op dezelfde wijze; het verschil zit alleen in wie de kosten van de taxateur draagt en betaalt
  2. Een partijentaxatie bindt de verzekeraar volledig; een deskundigentaxatie is slechts een advies dat hij naast zich mag leggen
  3. Een deskundigentaxatie bindt de verzekeraar; bij een partijentaxatie mag hij een lagere werkelijke waarde aantonen
  4. Een deskundigentaxatie is verplicht voor elk bedrijfsgebouw; een partijentaxatie is alleen toegestaan voor inventaris

Art. 7:960 BW maakt alleen een uitzondering op het indemniteitsbeginsel voor een taxatie die tot stand is gekomen krachtens een aan een deskundige opgedragen beslissing of op advies van een deskundige (toetsterm 1i.15). Bij een partijentaxatie (verzekeraar en klant spreken zelf een waarde af) kan de verzekeraar bij schade bewijzen dat de werkelijke waarde lager is en dienovereenkomstig uitkeren. Geen van beide is wettelijk verplicht (toetsterm 1h.4).

29. Wat houdt het indemniteitsbeginsel bij zakelijke schadeverzekeringen in?

  1. De verzekeraar is verplicht de premie terug te betalen als er gedurende de looptijd geen schade is opgetreden
  2. De verzekeraar moet elke schade volledig vergoeden, ook als het verzekerd bedrag lager is dan de werkelijke waarde
  3. De verzekerde heeft bij elke schade recht op het volledige verzekerd bedrag, omdat daarover premie is betaald
  4. De verzekerde mag door de uitkering niet in een duidelijk voordeliger positie komen; de vergoeding is beperkt tot de werkelijke schade

Art. 7:960 BW legt het indemniteitsbeginsel vast: de verzekerde zal krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken (toetsterm 1e.3). Daarom is oververzekering zinloos, geldt bij onderverzekering de evenredigheidsregel (art. 7:958 lid 5 BW) en wordt bij oude inventaris soms de dagwaarde gehanteerd. Alleen een deskundigentaxatie doorbreekt het beginsel.

30. Bakkerij Van der Meer is eigenaar van het pand. Zij heeft een ingebouwde koelcel, een afzuiginstallatie en losse deegmachines. Welke zaken behoren voor de verzekering tot het gebouw en welke tot de inventaris?

  1. Alles hoort bij het gebouw, omdat een eigenaar-gebruiker geen aparte inventarisverzekering kan sluiten
  2. Alles is inventaris, omdat het bedrijfsmatig wordt gebruikt en de opstalverzekering alleen muren en dak dekt
  3. Koelcel en afzuiginstallatie zijn aard- en nagelvast en horen bij het gebouw; de losse deegmachines zijn inventaris
  4. De koelcel is inventaris en de deegmachines horen bij het gebouw, omdat zware machines als onroerend gelden

Toetsterm 1c.8 en 2c.2 vragen zaken juist toe te delen. Wat duurzaam met het gebouw is verenigd, is bestanddeel van het gebouw (art. 3:3 en 3:4 BW): ingebouwde koelcellen en afzuiginstallaties horen bij de opstal en tellen mee in de herbouwwaarde. Losse machines zijn roerende bedrijfsmiddelen en vallen onder de inventarisverzekering. Een verkeerde toedeling leidt tot onderverzekering op de ene en oververzekering op de andere polis.

31. Na een brand meldt Zagerij Bos direct dat zij gaat herbouwen. Hoe verloopt de uitkering naar herbouwwaarde volgens de gebruikelijke polisvoorwaarden?

  1. De verzekeraar keert pas uit nadat het nieuwe gebouw volledig is opgeleverd en door de gemeente is goedgekeurd en ingeschreven
  2. De verzekeraar keert de volledige herbouwwaarde direct uit, zonder voorwaarden over de besteding of de termijn van herbouw
  3. De verzekeraar keert eerst een deel uit en het restant naarmate de herbouw vordert en de kosten worden aangetoond
  4. De verzekeraar keert de verkoopwaarde uit en betaalt de rest alleen als de klant aantoont dat hij geen ander pand kan kopen

Toetsterm 1i.17 vraagt de waardemaatstaf bij een claim uit te leggen. Bij herbouw vergoedt de verzekeraar naar herbouwwaarde, maar hij betaalt doorgaans eerst een voorschot op basis van de verkoopwaarde of een percentage en het restant tegen bewijs van de herbouwkosten, binnen de polistermijn (vaak drie jaar). Zo wordt voorkomen dat de klant de herbouwwaarde ontvangt zonder te herbouwen, wat in strijd zou zijn met art. 7:960 BW.

32. Hoe stelt de adviseur de te verzekeren nieuwwaarde van de inventaris van Metaalbewerking Visser vast?

  1. Door de boekwaarde van de materiële vaste activa uit de balans over te nemen, omdat die door de accountant is gecontroleerd
  2. Door per bedrijfsmiddel de huidige prijs van een gelijkwaardige nieuwe zaak te bepalen op basis van de activa-administratie
  3. Door de jaaromzet te vermenigvuldigen met een branchekengetal, omdat de inventaris van een metaalbedrijf evenredig is met de omzet
  4. Door de premie te delen door het promillage van de verzekeraar, omdat daaruit het passende verzekerd bedrag rekenkundig volgt

Toetsterm 1h.1 vraagt te beschrijven hoe de te verzekeren waarde wordt vastgesteld. Voor inventaris naar nieuwwaarde inventariseert de adviseur de bedrijfsmiddelen (activa-administratie, toetsterm 1d.1) en bepaalt hij per zaak wat een nieuwe gelijkwaardige zaak nu kost, eventueel met een inventariswaardemeter of taxatie. Boekwaarde en omzetkengetallen geven geen vervangingswaarde en leiden tot onderverzekering (art. 7:958 lid 5 BW).

33. De inventarispolis van Drukkerij Kleurrijk kent een eigen risico van € 2.500 per gebeurtenis en is toereikend verzekerd. Een waterschade bedraagt € 18.000. Welke uitkering volgt?

  1. € 13.000, omdat het eigen risico bij waterschade volgens de wet wordt verdubbeld
  2. € 18.000, omdat het eigen risico alleen geldt bij schades onder € 2.500 en niet bij grotere schades
  3. € 2.500, omdat het eigen risico het maximale bedrag is dat de verzekeraar per gebeurtenis uitkeert
  4. € 15.500, de schade verminderd met het eigen risico, omdat er geen onderverzekering is

Het eigen risico is het deel van elke schade dat de verzekerde zelf draagt (toetsterm 1e.2): € 18.000 − € 2.500 = € 15.500. Omdat het verzekerd bedrag toereikend is, speelt de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW geen rol. Een eigen risico is een bewuste keuze in de risicoanalyse (toetsterm 2c.1) die de premie verlaagt; het is geen maximum en wordt niet wettelijk verdubbeld.

34. Groothandel Fresh Foods is btw-plichtig. Voor welk bedrag verzekert de adviseur de handelsvoorraad met een inkoopwaarde van € 300.000 exclusief btw?

  1. € 363.000 inclusief 21 % btw, omdat verzekeraars bij goederen altijd het algemene btw-tarief in het verzekerd bedrag opnemen
  2. € 327.000 inclusief 9 % btw, omdat voedingsmiddelen onder het lage tarief vallen en de btw altijd wordt meeverzekerd
  3. € 300.000 exclusief btw, omdat de groothandel de btw op vervangende inkopen als voorbelasting terugkrijgt
  4. € 150.000, omdat een groothandel gemiddeld maar de helft van de voorraad tegelijk in het magazijn heeft

Toetsterm 3c.1 vraagt te beoordelen of in- of exclusief btw moet worden verzekerd. Een btw-plichtige ondernemer verrekent de btw op vervangende inkopen als voorbelasting (art. 15 Wet op de omzetbelasting 1968); zijn schade is dus de inkoopwaarde exclusief btw. Alleen btw-vrijgestelde ondernemers verzekeren inclusief btw. Het verzekerd bedrag moet de maximale voorraad dekken, niet een gemiddelde (art. 7:958 lid 5 BW).

35. Door storm raakt het dak van de bedrijfshal van Hoveniersbedrijf Groenwerk beschadigd; de hal blijft verder intact. Welke waardemaatstaf hanteert de verzekeraar voor deze claim?

  1. De verkoopwaarde van de hele hal, omdat elke schade aan het gebouw als totaal verlies wordt behandeld
  2. De herstelkosten: het bedrag dat nodig is om het dak in de oude staat te herstellen, zo nodig met nieuw materiaal
  3. De dagwaarde van het dak, omdat een oud dak nooit naar nieuwwaarde mag worden hersteld
  4. De sloopwaarde van het beschadigde dakdeel, omdat de restanten eerst moeten worden verwijderd

Toetsterm 1i.17 vraagt de waardemaatstaf bij een opstalclaim uit te leggen. Bij gedeeltelijke schade vergoedt de verzekeraar de herstelkosten, dat is het bedrag om het gebouw in de oude staat terug te brengen, begrensd door de herbouwwaarde en het verzekerd bedrag (art. 7:955 en 7:956 BW). Verkoop- en sloopwaarde komen alleen in beeld bij totaal verlies zonder herbouw; een dagwaardeaftrek voor ouderdom past de opstalpolis normaal niet toe.

Gratis beginnen