Onderdeel A1 Bezit omvat de verzekeringen van wat een onderneming heeft: gebouw, inventaris, goederen, glas, geld, machines, gewassen, dieren, milieu en bouwwerken. Toetstermen 1c.10, 1c.11, 1e.3, 1e.6, 1e.7, 1e.9, 1e.10, 1h.1, 1h.4, 2c.2 en 1i.15-1i.19.
De schadeverzekering vergoedt nooit meer dan de schade (indemniteitsbeginsel, art. 7:960 BW). Het bedrijfsgebouw wordt verzekerd naar herbouwwaarde; wie niet herbouwt, krijgt de verkoopwaarde (zonder grond) en bij sloopbestemming de sloopwaarde. Bij een claim gelden herstelkosten, of bij totaal verlies de herbouwwaarde mits wordt herbouwd (1i.17). De indexclausule past het verzekerd bedrag jaarlijks aan; bij schade telt de indexstijging sinds de laatste vervaldag mee als overdekking (1i.16). Inventaris wordt verzekerd naar nieuwwaarde, met dagwaarde voor sterk afgeschreven zaken; goederen naar inkoopwaarde of vervaardigingskosten.
Bij onderverzekering geldt de evenredigheidsregel: uitkering = schade × verzekerd bedrag / werkelijke waarde (art. 7:958 lid 5 BW). Oververzekering levert nooit meer op dan de werkelijke schade (art. 7:960 BW). Zuivere premier risque vergoedt tot het verzekerd bedrag zonder evenredigheid. Een garantie tegen onderverzekering (herbouwwaardemeter, inventarisinventarisatie, taxatie) schakelt de evenredigheidsregel uit (1i.18). Een deskundigentaxatie (art. 7:960 BW) bindt de verzekeraar aan de getaxeerde waarde gedurende de looptijd van de taxatie; daarna geldt zij als opgave van de klant en kan de verzekeraar een uitkeringscorrectie toepassen (1i.15). Taxatie is zinvol bij unieke zaken: monumenten, kunst, oude machines (1h.4).
De geld- en fraudeverzekering dekt waarden (geld, geldswaardig papier) tegen het verblijfsrisico (in pand of kluis), het vervoersrisico (naar de bank), fraude door personeel en oplichting (vals geld, valse betaalmiddelen); een omzetpolis rekent premie over de omzet (1e.10). Machinebreuk dekt het van binnen komende onheil dat de brandpolis uitsluit (bedieningsfout, kortsluiting), niet slijtage. Lichtreclame, instrumenten, paarden en vee en de agrarische polis zijn specifieke vormen (1e.9); de brede weersverzekering dekt gewassen op open grond tegen hagel, storm, regen, vorst en droogte en is vrijgesteld van assurantiebelasting. De milieuschadeverzekering (MSV) vergoedt saneringskosten van bodem en water op de eigen locatie en bij derden, ongeacht aansprakelijkheid, tegen de achtergrond van de Wet milieubeheer en de Omgevingswet. De CAR-verzekering dekt het werk, hulpmaterieel, bestaande eigendommen en aansprakelijkheid tijdens bouw en onderhoudstermijn; het risico van het werk gaat over bij oplevering (art. 7:758 BW).
Leegstand, kraken, verkoop en bestemmingswijziging veranderen het risico (1c.10): de polis eist melding en beperkt de dekking vaak tot brand, storm en bliksem. Bij verbouwing geldt doorgaans een beperkte dekking en vervalt de dekking voor diefstal en water zolang het pand niet wind- en waterdicht is (1c.11).
De Stichting Salvage, opgericht en betaald door de brandverzekeraars, wordt via de brandweer gealarmeerd en verleent na brand eerste hulp aan gedupeerden, ongeacht bij wie de klant is verzekerd (1i.19).
1. Naar welke waarde is een bedrijfsgebouw volgens het Burgerlijk Wetboek verzekerd als de polis daarover niets bepaalt?
Art. 7:956 BW bepaalt dat een gebouw is verzekerd naar zijn herbouwwaarde en andere zaken naar hun vervangingswaarde, tenzij partijen anders overeenkomen (toetsterm 1e.3). Vervangingswaarde is het bedrag dat nodig is voor gelijkwaardige zaken naar soort, kwaliteit, staat en ouderdom. Verkoopwaarde, boekwaarde en WOZ-waarde zijn geen wettelijke waardemaatstaven voor de schadeverzekering; de WOZ-waarde bevat bovendien de grond.
2. Het bedrijfspand van Meubelmakerij De Groot BV brandt volledig af. De eigenaar laat binnen de polistermijn weten op dezelfde plaats een nieuwe werkplaats te bouwen. Welke waardemaatstaf hanteert de verzekeraar bij de schadevaststelling?
Toetsterm 1i.17 vraagt de waardemaatstaf bij een claim op de opstalverzekering uit te leggen. Bij herbouw op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming, aangekondigd binnen de polistermijn (doorgaans twaalf maanden), vergoedt de verzekeraar naar herbouwwaarde (art. 7:956 BW). Wie niet herbouwt, krijgt de verkoopwaarde zonder grond, en bij een pand dat al voor sloop bestemd was de sloopwaarde. De boekwaarde speelt geen rol.
3. Na een brand besluit Transportbedrijf El Amrani het verwoeste pand niet te herbouwen. De herbouwwaarde is € 900.000; het pand met grond was vóór de brand € 850.000 waard, waarvan € 250.000 grond. Welk bedrag vergoedt de opstalverzekeraar bij totaal verlies?
Wie niet herbouwt, krijgt volgens de gebruikelijke polisbepaling de verkoopwaarde van het gebouw, exclusief grond, tenzij de herbouwwaarde lager is: € 850.000 − € 250.000 = € 600.000 (toetsterm 1i.17). De grond gaat niet verloren en wordt niet vergoed. Het indemniteitsbeginsel (art. 7:960 BW) verhindert dat de klant met een herbouwwaarde-uitkering in een voordeliger positie komt als hij niet herbouwt.
4. Vastgoedbeheerder Van Leeuwen BV bezit een leegstaand bedrijfspand waarvoor al een sloopvergunning is verleend om er woningen te bouwen. Het pand brandt af. Op welke waarde baseert de verzekeraar de uitkering?
Als een gebouw vóór de schade al bestemd was voor sloop, is het verlies van de eigenaar beperkt tot de sloopwaarde: wat de materialen opbrengen minus de kosten van slopen (toetsterm 1i.17). Uitkeren naar herbouw- of verkoopwaarde zou hem in een duidelijk voordeliger positie brengen, wat art. 7:960 BW verbiedt. Leegstand en sloopbestemming zijn bovendien risicowijzigingen die de klant had moeten melden (toetsterm 1c.10).
5. Op welke wijze kan de adviseur de herbouwwaarde van het bedrijfspand van Bakkerij Van der Meer het meest betrouwbaar vaststellen?
Toetsterm 1h.1 vraagt te beschrijven hoe de te verzekeren waarde wordt vastgesteld. De herbouwwaarde volgt uit de bouwkosten (inhoud of oppervlakte × eenheidsprijs voor het bouwtype, plus installaties en sloop- en opruimingskosten), via een herbouwwaardemeter of een taxatie (art. 7:960 BW). De WOZ-waarde is een marktwaarde inclusief grond en de aankoopprijs zegt niets over de huidige bouwkosten.
6. Bij de opstalverzekering van een bedrijfshal kan Loonbedrijf Dijkstra kiezen om de funderingen wel of niet mee te verzekeren. Wat legt de adviseur uit over deze keuze?
Toetsterm 1h.1 en 2c.2 vragen het verzekerd belang juist te benoemen. Bij brand blijven funderingen meestal bruikbaar, zodat veel klanten ze buiten het verzekerd bedrag laten om premie te sparen; bij ontploffing, instorting of verplichte nieuwbouw op een andere plek kan de fundering echter wel verloren gaan. De polis omschrijft wat onder gebouw valt; de wet (art. 7:956 BW) schrijft niets voor over funderingen.
7. De opstalpolis van Drukkerij Kleurrijk heeft een verzekerd bedrag van € 800.000 met indexclausule. Op de schadedatum is het bouwkostenindexcijfer sinds de laatste premievervaldag met 3 % gestegen. Van welk verzekerd bedrag gaat de verzekeraar uit bij de schaderegeling?
Toetsterm 1i.16 vraagt de werking van de indexclausule bij schade uit te leggen. Naast de jaarlijkse aanpassing op de premievervaldag wordt bij schade het verzekerd bedrag verhoogd met de stijging van het indexcijfer sinds die vervaldag: € 800.000 × 1,03 = € 824.000. Zo ontstaat geen onderverzekering door prijsstijgingen tussen twee vervaldagen (art. 7:958 lid 5 BW). Een eventuele extra overdekking staat in de polis; zij is niet standaard 25 %.
8. Waarom adviseert de adviseur een indexclausule op de opstalverzekering van een bedrijfsgebouw?
De indexclausule koppelt het verzekerd bedrag aan een indexcijfer voor bouwkosten en past het jaarlijks op de premievervaldag aan (toetsterm 1e.3). Daarmee blijft de dekking gelijke tred houden met de herbouwkosten en wordt de evenredigheidsregel bij onderverzekering (art. 7:958 lid 5 BW) voorkomen; de premie stijgt mee. Een uitkering boven de werkelijke schade is in strijd met het indemniteitsbeginsel (art. 7:960 BW).
9. Bij Metaalbewerking Visser gaat een twaalf jaar oude draaibank verloren. De nieuwwaarde is € 30.000, de dagwaarde € 9.000. De inventarispolis vergoedt naar nieuwwaarde, maar hanteert de dagwaarde als die minder dan 40 % van de nieuwwaarde bedraagt. Welke vergoeding volgt?
Toetsterm 1e.3 vraagt de waardemaatstaven uit te leggen. Inventaris wordt doorgaans naar nieuwwaarde verzekerd, maar de polis kent een dagwaarderegeling voor zaken waarvan de dagwaarde onder een grens ligt, meestal 40 % van de nieuwwaarde: € 9.000 / € 30.000 = 30 %, dus dagwaarde. Zonder die regeling zou de klant met een nieuwe machine in een duidelijk voordeliger positie komen (art. 7:960 BW). De grens van 40 % is polisafhankelijk.
10. Speelgoedgroothandel Toys & Co heeft de voorraad verzekerd naar inkoopwaarde voor € 150.000, gelijk aan de werkelijke inkoopwaarde. Door waterschade gaat 30 % van de voorraad verloren; de verkoopwaarde van dat deel was € 70.000. Welke vergoeding volgt?
Handelsgoederen worden verzekerd naar inkoopwaarde (inclusief inkoopkosten), omdat de ondernemer met dat bedrag de goederen kan vervangen: 30 % × € 150.000 = € 45.000 (toetsterm 1e.3, begrip goederen 1c.8). De gemiste winstmarge is geen zaakschade maar bedrijfsschade en hoort op de bedrijfsschadeverzekering. Alleen reeds verkochte, nog niet geleverde goederen worden vaak naar verkoopprijs vergoed.
11. Meubelmakerij De Groot BV heeft in het magazijn zowel ingekocht plaatmateriaal als kant-en-klare, zelf gemaakte kasten die nog niet zijn verkocht. Naar welke waarde worden de kasten op de goederenverzekering vergoed?
Goederen van eigen fabricaat worden verzekerd en vergoed naar vervaardigingskosten: de grondstoffen plus de loon- en overige kosten die erin zijn verwerkt (toetsterm 1e.3). De winst is pas geleden schade als de goederen al waren verkocht; dan hanteren veel polissen de verkoopprijs. Onverkochte voorraad naar verkoopprijs vergoeden zou de maker in een voordeliger positie brengen (art. 7:960 BW); de gemiste marge hoort thuis op de bedrijfsschadeverzekering.
12. Autospuiterij Colorline huurt een pand, heeft er een spuitcabine van € 80.000 in laten bouwen en heeft doorlopend auto's van klanten in de werkplaats. Welke belangen brengt de adviseur naast de eigen inventaris onder op de bezitsverzekering?
Toetsterm 2c.2 vraagt eigenaarsbelang, huurdersbelang en belang van derden te onderscheiden. De spuitcabine is door natrekking (art. 5:20 BW) eigendom van de verhuurder, maar het economisch belang van € 80.000 ligt bij de huurder: het huurdersbelang. Klantauto's zijn zaken van derden onder opzicht; zij worden via een aanvullende dekking of de garageverzekering gedekt (art. 7:946 BW: verzekering mede voor het belang van een derde).
13. Wat dekt een glasverzekering voor de etalageruiten van Juwelier Goudsmit in hoofdlijnen?
De glasverzekering dekt breuk van het verzekerde glas door een van buiten komende oorzaak, vrijwel ongeacht welke, en vergoedt de vervanging inclusief plaatsen en een noodvoorziening (toetsterm 1e.9). Krassen, lekkage van isolatieglas en eigen gebrek (art. 7:951 BW) zijn uitgesloten; brandschade aan glas valt onder de brandpolis (toetsterm 1c.9). Diefstal van de inhoud is een goederen- of kostbaarhedenrisico, geen glasschade.
14. Restaurant Nguyen heeft glas-in-loodramen en een gebogen etalageruit. Waarop let de adviseur bij het sluiten van de glasverzekering?
Toetsterm 2c.2 vraagt te beoordelen welke zaken onder de dekking vallen, inclusief aanvullende dekkingen. Standaardglasverzekeringen dekken vlak glas in ramen en deuren; glas-in-lood, gebogen, gebrandschilderd of geëtst glas en lichtreclames moeten apart worden opgegeven en verzekerd, vaak op basis van een taxatie. Brandschade aan glas valt onder de brandpolis, maar breuk door andere oorzaken niet, zodat een glasverzekering nodig blijft.
15. Accountantsmaatschap Van Dam & Partners heeft in de ontvangstruimte kunstwerken hangen met een gezamenlijke waarde van € 180.000. Hoe adviseert de adviseur deze zaken te verzekeren?
Toetsterm 1e.9 noemt de specifieke bezitsverzekeringen en toetsterm 1h.4 vraagt wanneer een taxatie zinvol is: bij unieke of moeilijk waardeerbare zaken zoals kunst. De inventarispolis beperkt kostbaarheden vaak tot een maximum; een kostbaarhedenverzekering dekt kunst en antiek uitgebreid naar getaxeerde waarde, waarbij de deskundigentaxatie de verzekeraar bindt (art. 7:960 BW). Kunst in een kantoor is een bedrijfsmiddel met verzekerbaar belang.
16. De inventaris van Bakkerij Van der Meer heeft een nieuwwaarde van € 500.000 en is verzekerd voor € 400.000 zonder garantie tegen onderverzekering. Een brand veroorzaakt € 50.000 schade. Welke uitkering volgt?
Bij onderverzekering vergoedt de verzekeraar de schade naar evenredigheid van het verzekerd bedrag tot de werkelijke waarde (art. 7:958 lid 5 BW, toetsterm 1e.6): € 50.000 × 400.000 / 500.000 = € 40.000. De regel geldt ook bij een gedeeltelijke schade die onder het verzekerd bedrag blijft; alleen een garantie tegen onderverzekering of een zuivere premier-risquedekking schakelt haar uit.
17. Welke oorzaak van onderverzekering komt bij zakelijke bezitsverzekeringen veel voor?
Onderverzekering ontstaat als het verzekerd bedrag lager is dan de werkelijke waarde (art. 7:958 lid 5 BW, toetsterm 1e.6). Bij bedrijven komt dat vaak door verzekeren op boekwaarde in plaats van nieuwwaarde, door nieuwe investeringen die niet zijn gemeld en door prijsstijgingen zonder index (toetsterm 1h.1). Een eigen risico is een bewuste keuze en geen onderverzekering; funderingen meeverzekeren verhoogt juist de dekking.
18. Zagerij Bos heeft de zaagloods verzekerd voor € 900.000, terwijl de herbouwwaarde € 700.000 is. De loods brandt volledig af en wordt herbouwd. Welk bedrag keert de verzekeraar uit?
Bij oververzekering is het verzekerd bedrag hoger dan de waarde van het belang; de uitkering blijft beperkt tot de werkelijke schade, hier de herbouwwaarde van € 700.000 (indemniteitsbeginsel, art. 7:960 BW; toetsterm 1e.6). De klant heeft voor € 200.000 onnodig premie betaald. Toetsterm 3c.3 vraagt de adviseur uit te leggen dat oververzekering niet wenselijk is en dat een te hoge uitkering wettelijk niet is toegestaan.
19. Welke betekenis heeft de verzekerde som op een zakelijke bezitsverzekering volgens het Burgerlijk Wetboek?
Art. 7:955 lid 1 BW omschrijft de verzekerde som als het hoogste bedrag van de schadevergoeding tot uitkering waarvan de verzekeraar door eenzelfde voorval kan worden verplicht, behoudens de bereddingskosten (art. 7:957 BW) en de kosten van schadevaststelling (art. 7:959 BW), die de verzekeraar ook boven de verzekerde som vergoedt (toetsterm 1e.6). De uitkering zelf is de werkelijke schade, begrensd door de verzekerde som.
20. Café De Kroon heeft de kas verzekerd op een geldverzekering met een zuivere premier-risquedekking van € 10.000. Bij een overval wordt € 7.000 gestolen; het café heeft die avond in totaal € 40.000 in huis. Welke uitkering volgt?
Bij een zuivere premier-risquedekking vergoedt de verzekeraar de schade tot het verzekerd bedrag zonder te kijken naar de totale waarde van het belang; de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW is uitgeschakeld (toetsterm 1e.7). De schade van € 7.000 blijft onder de € 10.000 en wordt volledig vergoed. Premier risque past bij risico's waarvan de maximale schade per gebeurtenis goed te schatten is, zoals geld, glas en opruimingskosten.
21. Hoveniersbedrijf Groenwerk heeft gereedschap ter waarde van € 50.000 verzekerd op een onzuivere premier-risquedekking van € 20.000. Na een inbraak bedraagt de schade € 30.000. Welke uitkering volgt?
Bij een onzuivere premier-risquedekking geldt de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW wél, maar de uitkering is bovendien gemaximeerd op het verzekerd bedrag: € 30.000 × 20.000 / 50.000 = € 12.000, wat onder het plafond van € 20.000 blijft (toetsterm 1e.7). Alleen bij een zuivere premier-risquedekking zou de volledige € 20.000 (schade begrensd door het verzekerd bedrag) zijn uitgekeerd. De adviseur legt dit verschil uit met voorbeelden.
22. Voor welke onderdelen van de bezitsverzekering van Groothandel Fresh Foods is een premier-risquedekking passend?
Premier risque past bij belangen waarvan de totale waarde moeilijk of zinloos is vast te stellen, maar de maximaal te verwachten schade per gebeurtenis wel: opruimingskosten, geld, glas, bederf, tuinaanleg (toetsterm 1e.7). Het verzekerd bedrag is dan het maximum per gebeurtenis zonder evenredigheid (art. 7:958 lid 5 BW buiten werking). Gebouw en voorraad worden naar volle waarde verzekerd, omdat totaal verlies daar reëel is.
23. Loonbedrijf Dijkstra heeft de bedrijfshal verzekerd voor € 500.000 met een geldige garantie tegen onderverzekering op basis van een herbouwwaardemeter. Bij schade blijkt de herbouwwaarde € 700.000; de stormschade bedraagt € 60.000. Wat wordt uitgekeerd?
Toetsterm 1i.18 vraagt de voordelen van de garantie tegen onderverzekering uit te leggen: de verzekeraar doet geen beroep op art. 7:958 lid 5 BW als het verzekerd bedrag met een goedgekeurde waardemeter of taxatie is vastgesteld en de klant wijzigingen heeft gemeld. De schade van € 60.000 wordt dus volledig vergoed, ook al is de werkelijke waarde hoger. Zonder garantie zou 500/700 × € 60.000 = € 42.857 zijn uitgekeerd.
24. Drukkerij Kleurrijk heeft een garantie tegen onderverzekering op de inventaris op basis van een waardebepaling van drie jaar geleden. Sindsdien is een nieuwe drukpers van € 400.000 aangeschaft zonder melding. Wat is het gevolg bij een schade?
De garantie tegen onderverzekering is een toezegging onder voorwaarden: de waardebepaling moet juist en actueel zijn en de klant moet uitbreidingen of wijzigingen melden en de garantie periodiek laten vernieuwen (toetsterm 1i.18). Een onvermelde investering van € 400.000 doorbreekt die voorwaarde, zodat de verzekeraar bij schade alsnog de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW kan toepassen. Beheer en actualisatie zijn dus onderdeel van het advies (eindterm 1h).
25. De machines van Kunststofverwerker Polytec BV zijn door een deskundige getaxeerd op € 250.000 en voor dat bedrag verzekerd; de taxatie is nog geldig. Bij totaal verlies blijkt de werkelijke waarde € 200.000. Welke uitkering volgt?
Art. 7:960 BW verbiedt een uitkering die de verzekerde in een duidelijk voordeliger positie brengt, maar maakt een uitzondering voor een voorafgaande taxatie door een deskundige (of door partijen op advies van een deskundige): die waarde bindt de verzekeraar zolang de taxatie geldig is (toetsterm 1i.15, 1h.4). Een partijentaxatie zonder deskundige bindt niet. Bij een geldige deskundigentaxatie krijgt Polytec dus € 250.000.
26. De deskundigentaxatie van de inventaris van Fotostudio Lens & Licht is vier jaar oud, terwijl de polis een geldigheid van drie jaar noemt. Na een brand blijkt de werkelijke waarde veel lager dan de getaxeerde waarde. Waarom kan de verzekeraar een uitkeringscorrectie toepassen?
Toetsterm 1i.15 vraagt waarom en hoe de verzekeraar een uitkeringscorrectie toepast bij een deskundigentaxatie. De binding van art. 7:960 BW geldt gedurende de in de polis afgesproken geldigheid (vaak drie jaar voor inventaris, langer voor gebouwen); daarna geldt de taxatiewaarde als een opgave van de verzekeringnemer, zodat de verzekeraar mag corrigeren naar de werkelijke waarde en bij een te laag bedrag ook onderverzekering kan tegenwerpen. Tijdig hertaxeren is beheeradvies.
27. Voor welke klant is een deskundigentaxatie van het verzekerde bezit het meest zinvol?
Toetsterm 1h.4 vraagt in welke situaties een taxatie zinvol is: bij zaken waarvan de waarde niet eenvoudig uit facturen, waardemeters of marktprijzen volgt, zoals monumenten, unieke of oude machines, kunst en antiek. De deskundigentaxatie bindt de verzekeraar (art. 7:960 BW), voorkomt discussie over onderverzekering en geeft zekerheid over de uitkering. Een taxatie verlaagt het verzekerd bedrag niet; zij kost geld en moet periodiek worden herhaald.
28. Wat is het verschil in rechtsgevolg tussen een partijentaxatie en een deskundigentaxatie op een bezitsverzekering?
Art. 7:960 BW maakt alleen een uitzondering op het indemniteitsbeginsel voor een taxatie die tot stand is gekomen krachtens een aan een deskundige opgedragen beslissing of op advies van een deskundige (toetsterm 1i.15). Bij een partijentaxatie (verzekeraar en klant spreken zelf een waarde af) kan de verzekeraar bij schade bewijzen dat de werkelijke waarde lager is en dienovereenkomstig uitkeren. Geen van beide is wettelijk verplicht (toetsterm 1h.4).
29. Wat houdt het indemniteitsbeginsel bij zakelijke schadeverzekeringen in?
Art. 7:960 BW legt het indemniteitsbeginsel vast: de verzekerde zal krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken (toetsterm 1e.3). Daarom is oververzekering zinloos, geldt bij onderverzekering de evenredigheidsregel (art. 7:958 lid 5 BW) en wordt bij oude inventaris soms de dagwaarde gehanteerd. Alleen een deskundigentaxatie doorbreekt het beginsel.
30. Bakkerij Van der Meer is eigenaar van het pand. Zij heeft een ingebouwde koelcel, een afzuiginstallatie en losse deegmachines. Welke zaken behoren voor de verzekering tot het gebouw en welke tot de inventaris?
Toetsterm 1c.8 en 2c.2 vragen zaken juist toe te delen. Wat duurzaam met het gebouw is verenigd, is bestanddeel van het gebouw (art. 3:3 en 3:4 BW): ingebouwde koelcellen en afzuiginstallaties horen bij de opstal en tellen mee in de herbouwwaarde. Losse machines zijn roerende bedrijfsmiddelen en vallen onder de inventarisverzekering. Een verkeerde toedeling leidt tot onderverzekering op de ene en oververzekering op de andere polis.
31. Na een brand meldt Zagerij Bos direct dat zij gaat herbouwen. Hoe verloopt de uitkering naar herbouwwaarde volgens de gebruikelijke polisvoorwaarden?
Toetsterm 1i.17 vraagt de waardemaatstaf bij een claim uit te leggen. Bij herbouw vergoedt de verzekeraar naar herbouwwaarde, maar hij betaalt doorgaans eerst een voorschot op basis van de verkoopwaarde of een percentage en het restant tegen bewijs van de herbouwkosten, binnen de polistermijn (vaak drie jaar). Zo wordt voorkomen dat de klant de herbouwwaarde ontvangt zonder te herbouwen, wat in strijd zou zijn met art. 7:960 BW.
32. Hoe stelt de adviseur de te verzekeren nieuwwaarde van de inventaris van Metaalbewerking Visser vast?
Toetsterm 1h.1 vraagt te beschrijven hoe de te verzekeren waarde wordt vastgesteld. Voor inventaris naar nieuwwaarde inventariseert de adviseur de bedrijfsmiddelen (activa-administratie, toetsterm 1d.1) en bepaalt hij per zaak wat een nieuwe gelijkwaardige zaak nu kost, eventueel met een inventariswaardemeter of taxatie. Boekwaarde en omzetkengetallen geven geen vervangingswaarde en leiden tot onderverzekering (art. 7:958 lid 5 BW).
33. De inventarispolis van Drukkerij Kleurrijk kent een eigen risico van € 2.500 per gebeurtenis en is toereikend verzekerd. Een waterschade bedraagt € 18.000. Welke uitkering volgt?
Het eigen risico is het deel van elke schade dat de verzekerde zelf draagt (toetsterm 1e.2): € 18.000 − € 2.500 = € 15.500. Omdat het verzekerd bedrag toereikend is, speelt de evenredigheidsregel van art. 7:958 lid 5 BW geen rol. Een eigen risico is een bewuste keuze in de risicoanalyse (toetsterm 2c.1) die de premie verlaagt; het is geen maximum en wordt niet wettelijk verdubbeld.
34. Groothandel Fresh Foods is btw-plichtig. Voor welk bedrag verzekert de adviseur de handelsvoorraad met een inkoopwaarde van € 300.000 exclusief btw?
Toetsterm 3c.1 vraagt te beoordelen of in- of exclusief btw moet worden verzekerd. Een btw-plichtige ondernemer verrekent de btw op vervangende inkopen als voorbelasting (art. 15 Wet op de omzetbelasting 1968); zijn schade is dus de inkoopwaarde exclusief btw. Alleen btw-vrijgestelde ondernemers verzekeren inclusief btw. Het verzekerd bedrag moet de maximale voorraad dekken, niet een gemiddelde (art. 7:958 lid 5 BW).
35. Door storm raakt het dak van de bedrijfshal van Hoveniersbedrijf Groenwerk beschadigd; de hal blijft verder intact. Welke waardemaatstaf hanteert de verzekeraar voor deze claim?
Toetsterm 1i.17 vraagt de waardemaatstaf bij een opstalclaim uit te leggen. Bij gedeeltelijke schade vergoedt de verzekeraar de herstelkosten, dat is het bedrag om het gebouw in de oude staat terug te brengen, begrensd door de herbouwwaarde en het verzekerd bedrag (art. 7:955 en 7:956 BW). Verkoop- en sloopwaarde komen alleen in beeld bij totaal verlies zonder herbouw; een dagwaardeaftrek voor ouderdom past de opstalpolis normaal niet toe.