Onderdeel A2 Verkeer van de module Schadeverzekeringen zakelijk gaat over het wagenpark van een onderneming: bestelbussen, vrachtwagens, taxi's, touringcars, heftrucks en ander werkmaterieel (toetstermen 1c.12, 1e.11, 1g.1, 1g.2, 2e.7, 2e.8, 2f.7, 1i.20, 1i.21, 1i.22 en 3e.3).
Een wagenparkverzekering (vlootpolis) bundelt alle motorrijtuigen op één polis met één vervaldatum en een doorlopende meldplicht voor mutaties. De premie volgt het schadeverloop van het park in plaats van de bonus-malustrede per voertuig. Per voertuig kiest de onderneming WA, WA beperkt casco of WA volledig casco; opbouw, koelinstallatie en inrichting worden apart opgegeven, en de lading valt nooit onder casco. Aanvullend: de schadeverzekering inzittenden (werkelijke schade van bestuurder en passagiers, ook bij eigen schuld; volgens de Hoge Raad hoort een behoorlijke verzekering voor rijdende werknemers bij goed werkgeverschap, art. 7:611 BW), de ongevallen inzittendenverzekering (sommenverzekering), verhaals- en motorrijtuigrechtsbijstand, hulpdienst en vervangend vervoer.
Art. 2 WAM legt de verzekeringsplicht op de bezitter en de kentekenhouder zodra het motorrijtuig op de weg komt; ook een heftruck is een motorrijtuig (art. 1 WAM); op afgesloten eigen terrein geldt de WAM niet. De benadeelde heeft een eigen recht tegen de verzekeraar (art. 6 WAM), die hem geen polisverweren kan tegenwerpen (art. 11 WAM) maar wel verhaal neemt op de verzekeringnemer (art. 15 WAM); de beëindiging werkt tegenover benadeelden pas zestien dagen na de melding aan de RDW (art. 13 WAM). Voor bussen met meer dan acht zitplaatsen geldt een hoger minimum voor personenschade (Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen; bedragen indicatief, periodiek herzien). De Wet personenvervoer 2000 verbiedt taxi- en busvervoer zonder vergunning (art. 4); de reizigers zijn benadeelden en verhalen hun letsel op de WAM-verzekering van de vervoerder. Bij een RDW-brief over een onverzekerd kenteken moet de verzekeraar de dekking alsnog melden, anders volgt een boete uit de registercontrole (art. 30 WAM); een voertuig dat niet rijdt wordt geschorst.
Nieuwwaarderegeling (nieuw voertuig, beperkte termijn), aanschafwaarderegeling (occasion, aankoopnota), vaste afschrijving, dagwaarde en vervangingswaarde. Bij totaal verlies wordt de restwaarde verrekend; een btw-plichtige onderneming krijgt exclusief btw uitgekeerd, want de btw is aftrekbaar (indemniteitsbeginsel, art. 7:960 BW).
De eigenaar of houder (de bv, de vof) is aansprakelijk voor schade aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers, tenzij overmacht; de 50 %-regel geldt voor volwassenen, de 100 %-regel voor kinderen onder veertien, en de reflexwerking beperkt het verhaal van de eigen schade van de onderneming. Tussen rijdende motorrijtuigen geldt art. 6:162 BW; de werkgever is aansprakelijk voor zijn chauffeur via art. 6:170 BW.
De garageverzekering dekt cliëntenobjecten, handelsvoorraad en proefritten onder het handelaarskenteken; bij samenloop met de casco van de klant (art. 7:961 BW) claimt de klant het beste waar geen eigen risico en geen terugval volgen. De schadebehandeling loopt via het schadeformulier, de melding (art. 7:941 BW), expertise en contra-expertise, en schadesturing met verlaagd eigen risico. Het Waarborgfonds Motorverkeer (art. 25 WAM) treedt op bij onbekende, onverzekerde of gestolen motorrijtuigen, een insolvente verzekeraar of een vrijgestelde gemoedsbezwaarde, met een eigen risico bij zaakschade (indicatief) en verhaal op de aansprakelijke (art. 27 WAM).
1. Koeriersbedrijf Snel BV heeft 22 bestelbussen en wil ze niet langer elk op een aparte polis verzekeren. Wat kenmerkt een wagenparkverzekering (vlootpolis) ten opzichte van losse motorrijtuigenpolissen?
Een wagenparkverzekering bundelt alle motorrijtuigen van een onderneming op één polis met één premiestelling, één vervaldatum en een doorlopende meldplicht voor aan- en afmeldingen; de premie volgt het schadeverloop van het park in plaats van de bonus-malustrede per voertuig (toetsterm 1c.12). Casco kan per voertuig of per categorie worden meeverzekerd, en ook reservevoertuigen die op de weg staan zijn WAM-plichtig (art. 2 WAM).
2. Transportbedrijf Rijnmond BV verzekert 40 vrachtwagens op een wagenparkpolis. Hoe wordt de premie van zo'n vloot in de regel vastgesteld, anders dan bij een losse personenautopolis?
Bij een vlootpolis vervangt de schadestatistiek van het park de individuele bonus-malusladder: de verzekeraar vergelijkt de betaalde schaden met de premie (schadequote) en past de premie bij de jaarlijkse herziening aan (toetsterm 1c.12). Roy-data registreert schadevrije jaren per polis bij royement, niet per chauffeur, en de cataloguswaarde bepaalt alleen de cascopremie.
3. Groothandel Import Oost BV gebruikt een heftruck die dagelijks de openbare weg oversteekt naar een tweede loods. De directeur meent dat een heftruck geen motorrijtuig is en geen WAM-verzekering nodig heeft. Wat is juist?
Art. 1 WAM omschrijft een motorrijtuig als elk rij- of voertuig dat door mechanische kracht op of aan het voertuig wordt voortbewogen; een heftruck valt daaronder. Art. 2 WAM koppelt de verzekeringsplicht aan het gebruik van de weg, niet aan snelheid of afstand. Op het afgesloten eigen terrein geldt de WAM niet en dekt de werkmaterieel- of AVB-polis het aansprakelijkheidsrisico.
4. Installatiebedrijf Hoekstra koopt een nieuwe bestelbus van € 38.000 met een vaste inrichting voor gereedschap. Welke dekking past bij de eerste jaren van gebruik?
Een nieuw voertuig met hoge waarde vraagt volledig casco: die dekking vergoedt ook eigen aanrijdingsschade en vandalisme, waar beperkt casco alleen brand, diefstal, ruit, storm en aanrijding met dieren dekt (toetsterm 2e.7). Vaste inrichting en accessoires worden afzonderlijk opgegeven, omdat de cataloguswaarde ze niet bevat. Een ongevallenverzekering inzittenden is een sommenverzekering voor personen, niet voor het voertuig.
5. Touringcarbedrijf Reizen Oost vraagt waarom de verzekeraar voor zijn bussen een hoger minimaal verzekerd bedrag voor personenschade hanteert dan voor een personenauto. Welke verklaring is juist?
Art. 22 WAM laat de minimaal verzekerde bedragen bij algemene maatregel van bestuur vaststellen; het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen kent voor motorrijtuigen ingericht voor vervoer van meer dan acht personen buiten de bestuurder een hoger minimum voor personenschade, omdat één ongeval veel reizigers kan treffen (bedragen indicatief, periodiek herzien). Het minimum voor zaakschade is voor bussen niet hoger.
6. Een chauffeur van Koeriersbedrijf Snel BV rijdt tegen de etalage van een winkelier. De winkelier wil niet wachten op het bedrijf en vraagt of hij de verzekeraar rechtstreeks kan aanspreken. Wat is juist?
Art. 6 lid 1 WAM geeft de benadeelde een eigen recht tegen de WAM-verzekeraar van het motorrijtuig; hij hoeft de werkgever of de chauffeur niet eerst aan te spreken en heeft geen erkenning nodig. De aansprakelijkheid van de werkgever voor zijn ondergeschikte (art. 6:170 BW) blijft daarnaast bestaan, maar is voor de winkelier geen voorwaarde. Het Waarborgfonds komt pas in beeld als er geen verzekeraar is.
7. Een personenauto van Taxi Centrale Zuid is verzekerd als gewone bedrijfsauto; het taxigebruik is nooit gemeld. Na een aanrijding blijkt dit en de verzekeraar wil de gewonde voetganger afwijzen. Wat is juist?
Art. 11 lid 1 WAM verbiedt de verzekeraar om nietigheid, verweren of verval uit de polis of de wet aan de benadeelde tegen te werpen; de voetganger wordt volledig vergoed. Het verzwegen taxigebruik is een kwestie tussen verzekeraar en verzekeringnemer: art. 15 WAM geeft verhaal op de verzekeringnemer voor wat zonder dekking is uitgekeerd. Het Waarborgfonds treedt niet op zolang er een WAM-verzekeraar is.
8. Wat regelt de Wet personenvervoer 2000 voor een onderneming die tegen betaling personen per taxi wil vervoeren?
Art. 4 Wet personenvervoer 2000 verbiedt het verrichten van openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer zonder een daartoe verleende vergunning; de vergunning wordt afgegeven door Kiwa Register en de Inspectie Leefomgeving en Transport houdt toezicht. De WAM verplicht daarnaast tot een aansprakelijkheidsverzekering met minimumbedragen, niet met een onbeperkte som; een schadeverzekering inzittenden is vrijwillig.
9. Een bus van Reizen Oost botst door een fout van de chauffeur tegen een viaduct; twaalf reizigers raken gewond. Op welke verzekering kunnen de reizigers hun letselschade verhalen?
De vervoerder is jegens zijn reizigers aansprakelijk (art. 8:1147 BW voor personenvervoer over de weg) en de reizigers zijn benadeelden in de zin van de WAM: art. 3 WAM eist dat de aansprakelijkheid jegens vervoerde personen gedekt is en art. 6 WAM geeft hun een rechtstreekse vordering. Het hogere minimum voor bussen sluit hierop aan. De Wet personenvervoer 2000 regelt vergunningen, geen ongevallenverzekering.
10. Bakkerij Van der Berg BV, btw-plichtig, rijdt total loss met een bestelbus met een dagwaarde van € 18.150 inclusief 21 % btw. Hoe stelt de verzekeraar de uitkering in de regel vast?
Een schadeverzekering vergoedt alleen het werkelijke nadeel (indemniteitsbeginsel, art. 7:944 en 7:960 BW). Een btw-plichtige onderneming verrekent de btw op de vervangende bus met de Belastingdienst, zodat haar schade de dagwaarde exclusief btw is: € 18.150 / 1,21 = € 15.000. Alleen als de verzekerde de btw niet kan aftrekken wordt inclusief btw uitgekeerd; de btw is geen eigen risico.
11. Welke uitspraak over de nieuwwaarderegeling op een cascoverzekering voor een nieuwe bestelbus van een onderneming is juist?
De nieuwwaarderegeling is een polisafspraak: bij totaal verlies of diefstal binnen de termijn (vaak 12 tot 36 maanden, per verzekeraar verschillend) wordt de nieuwwaarde van een vergelijkbaar voertuig vergoed; daarna volgt een vaste afschrijving per maand of de dagwaarde (toetsterm 1e.11). Art. 7:956 BW regelt de herbouwwaarde van gebouwen en zegt niets over motorrijtuigen; de regeling geldt niet voor de reparatie van onderdelen.
12. Een vrachtwagen van Transportbedrijf Rijnmond heeft een dagwaarde van € 42.000 en na een aanrijding een restwaarde van € 9.000. Het herstel kost € 36.000. De verzekeraar spreekt van totaal verlies als de herstelkosten hoger zijn dan dagwaarde min restwaarde. Wat is juist?
Economisch totaal verlies ontstaat als herstel duurder is dan de dagwaarde min de restwaarde: € 42.000 − € 9.000 = € 33.000, en € 36.000 ligt daarboven. De verzekeraar vergoedt dan de dagwaarde en neemt het wrak over, of keert dagwaarde minus restwaarde uit als de verzekerde het wrak houdt (toetsterm 1e.11). Dagwaarde uitkeren én de restwaarde laten zou het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW schenden.
13. Wat is het verschil tussen de dagwaarde en de vervangingswaarde als waardemaatstaf bij een bedrijfsvoertuig?
De dagwaarde is de waarde van het voertuig onmiddellijk vóór het schadevoorval; de vervangingswaarde is wat de verzekerde in de handel moet betalen voor een voertuig van dezelfde soort, kwaliteit, staat en ouderdom en ligt door de handelsmarge doorgaans iets hoger (toetsterm 1e.11). Verzekeraars kiezen in de polis één maatstaf; de fiscale boekwaarde uit de jaarrekening is geen verzekeringswaarde.
14. Schildersbedrijf De Wit koopt een tweedehands bestelbus van € 21.000 bij een erkend autobedrijf en krijgt een aanschafwaarderegeling van 24 maanden. Na 14 maanden wordt de bus gestolen; de dagwaarde is dan € 16.500. Wat vergoedt de verzekeraar?
De aanschafwaarderegeling is de tegenhanger van de nieuwwaarderegeling voor occasions: bij totaal verlies of diefstal binnen de termijn vergoedt de verzekeraar het bedrag van de aankoopnota, mits het voertuig bij een erkend bedrijf is gekocht en de nota wordt overgelegd (toetsterm 1e.11). De dagwaarde geldt pas na afloop van de termijn; een gemiddelde of de nieuwwaarde komt in deze regeling niet voor.
15. Thuiszorgorganisatie Zorg Dichtbij wil haar medewerkers die met bedrijfsauto's rijden beschermen bij letsel. Wat is het kernverschil tussen een ongevallen inzittendenverzekering en een schadeverzekering inzittenden?
De ongevallen inzittendenverzekering is een sommenverzekering (art. 7:964 BW): zij keert een vooraf afgesproken bedrag uit bij overlijden of blijvende invaliditeit, los van de werkelijke schade. De schadeverzekering inzittenden is een schadeverzekering die de werkelijk geleden letsel- en zaakschade van bestuurder en passagiers vergoedt tot het verzekerde bedrag, ongeacht schuld (toetsterm 1c.12). Beide dekken bestuurder en passagiers.
16. Een vertegenwoordiger van Groothandel Import Oost BV raakt ernstig gewond bij een eenzijdig ongeval tijdens een klantbezoek met de bedrijfsauto; niemand anders is aansprakelijk. Welk advies over de wagenparkpolis is juist?
De Hoge Raad leidt uit art. 7:611 BW (goed werkgeverschap) af dat een werkgever moet zorgen voor een behoorlijke verzekering voor werknemers die voor hun werk aan het verkeer deelnemen; ontbreekt die, dan is hij zelf aansprakelijk voor de schade. Een schadeverzekering inzittenden op het wagenpark dekt de werkelijke letselschade van de bestuurder, die art. 4 WAM van de WA-dekking mag uitsluiten (toetsterm 1c.12).
17. Loonbedrijf Agri-Zuid heeft zijn oudere trekkers alleen WA verzekerd. Een trekker wordt aangereden door een automobilist die de fout erkent, maar zijn verzekeraar betwist de hoogte van de schade. Welke dekking helpt het loonbedrijf hier?
Verhaalsrechtsbijstand motorrijtuigen dekt de kosten van het verhalen van eigen schade op een aansprakelijke derde; dat is vooral zinvol bij alleen-WA-verzekerde voertuigen, omdat een cascoverzekeraar het verhaal anders zelf voert na uitkering (art. 7:962 BW, subrogatie). De WA-verzekeraar dekt uitsluitend de aansprakelijkheid jegens derden (art. 3 WAM). Het Waarborgfonds treedt alleen op in de gevallen van art. 25 WAM.
18. Wat dekt een motorrijtuigrechtsbijstandverzekering voor een onderneming méér dan een verhaalsrechtsbijstandverzekering?
Verhaalsrechtsbijstand beperkt zich tot het verhalen van schade op een aansprakelijke derde. Motorrijtuigrechtsbijstand dekt bovendien juridische bijstand bij strafrechtelijke vervolging van de bestuurder, bij geschillen over koop, reparatie, lease en garantie van het voertuig en bij rijbewijszaken (toetsterm 1c.12). De eigen cascoschade zelf vergoedt geen enkele rechtsbijstandverzekering; daarvoor dient casco of het Waarborgfonds.
19. De wagenparkpolis van Catering Smaakvol BV kent een eigen risico van € 500 per cascoschade, dat vervalt bij herstel via het herstelnetwerk van de verzekeraar. Wat moet de adviseur de klant hierover duidelijk maken?
Schadesturing betekent dat de verzekeraar het herstel naar aangesloten herstelbedrijven leidt en dat beloont met een lager of vervallen eigen risico, vervangend vervoer en garantie op de reparatie; de klant behoudt de vrijheid om elders te herstellen tegen het volle eigen risico (toetsterm 2e.8). De adviseur moet die voorwaarde transparant uitleggen. De dagwaarde speelt alleen bij totaal verlies een rol.
20. Welke dienst biedt de verzekeraarshulpdienst die op de cascoverzekering van een bedrijfsauto is meeverzekerd?
De verzekeraarshulpdienst regelt na een ongeval, brand of diefstal de berging en het vervoer van het motorrijtuig en de inzittenden naar een adres in Nederland en, in het buitenland, het repatriëren van voertuig en inzittenden (toetsterm 2e.8). Pechhulp bij mechanische storingen is een aparte dienst of dekking. Bedrijfsschade door stilstand van een voertuig valt onder een aparte dekking, niet onder de hulpdienst.
21. Koeriersbedrijf Snel BV krijgt van de RDW een brief dat voor een pas aangeschafte bestelbus geen verzekering in het kentekenregister staat; de bus is wél op de wagenparkpolis aangemeld. Wat moet de adviseur de klant aanraden?
De verzekeraar meldt de dekking aan het kentekenregister van de RDW; ontbreekt die melding, dan volgt bij de registercontrole een boete voor de kentekenhouder (art. 30 WAM), ook als er feitelijk een polis is. De klant moet de verzekeraar en de RDW dus meteen informeren en de aanmelding laten herstellen (toetsterm 2f.7). Schorsing is onnodig als het voertuig rijdt, en een vlootpolis wordt gewoon per kenteken gemeld.
22. Hoveniersbedrijf Groenwerk stalt in de winter een bestelbus vier maanden binnen en wil in die periode geen WAM-premie betalen. Hoe kan het bedrijf de verzekeringsplicht voor de bus rechtmatig onderbreken?
Alleen een schorsing van het kenteken bij de RDW schakelt de verplichtingen uit het kentekenregister uit, waaronder de verzekeringsplicht van art. 2 WAM en de registercontrole van art. 30 WAM; het voertuig mag dan niet op de openbare weg staan of rijden. Een losse melding aan de verzekeraar of het opzeggen van de polis zonder schorsing leidt tot een boete uit de registervergelijking (toetsterm 2f.7).
23. Verhuurbedrijf Rent-a-Van zegt de WAM-verzekering van een verkochte bus op per 1 maart. De verzekeraar meldt de beëindiging op 1 maart aan de RDW. De nieuwe eigenaar verzekert niets en rijdt op 10 maart een fietser aan. Wat is juist?
Art. 13 WAM bepaalt dat het einde van de dekking tegenover benadeelden pas werkt zestien dagen nadat de verzekeraar de beëindiging aan de RDW heeft gemeld; binnen die termijn blijft de oude verzekeraar gehouden (nawerking) en kan hij verhaal nemen op de aansprakelijke. Bij verkoop wordt het kenteken overgeschreven en gaat de verzekeringsplicht over op de nieuwe kentekenhouder (art. 2 WAM). Het Waarborgfonds komt pas na de nawerkingstermijn in beeld.
24. Een aanhanger van Bouwbedrijf Van Dijk vof raakt tijdens het rijden los van de bedrijfsbus en beschadigt een geparkeerde auto. Wie moet de schade vergoeden?
Art. 1 WAM rekent de aanhangwagen tot het motorrijtuig, ook als hij is losgeraakt en nog niet veilig buiten het verkeer tot stilstand is gekomen; de WAM-verzekeraar van het trekkende voertuig vergoedt dus de schade. De AVB sluit motorrijtuigrisico's doorgaans uit en het Waarborgfonds treedt alleen op als er geen verzekeraar is (art. 25 WAM).
25. Een bestelbus van Drukkerij Print Plus (alleen WA) wordt aangereden door een auto die volgens het RDW-register onverzekerd is; de bestuurder is bekend. De schade is € 4.200. Hoe verloopt een beroep op het Waarborgfonds Motorverkeer?
Art. 25 lid 1 WAM noemt het geval dat de verzekeringsplicht niet is nagekomen: de benadeelde kan het Waarborgfonds Motorverkeer aanspreken voor personen- én zaakschade; bij zaakschade geldt een eigen risico (indicatief, jaarlijks herzien). Het fonds neemt daarna verhaal op de onverzekerde aansprakelijke (art. 27 WAM). Dagvaarden is geen voorwaarde en de eigen WA-verzekeraar dekt geen eigen zaakschade.
26. Een geparkeerde leaseauto van Metaalbedrijf Staalwerk BV wordt 's nachts aangereden door een onbekende. Welke voorwaarden stelt het Waarborgfonds Motorverkeer voor vergoeding van deze zaakschade?
Bij een onbekend gebleven motorrijtuig (art. 25 lid 1 WAM) verlangt het Waarborgfonds Motorverkeer dat de benadeelde aannemelijk maakt dat de schade door een motorrijtuig is veroorzaakt, binnen veertien dagen aangifte doet bij de politie en zich heeft ingespannen de dader te achterhalen, bijvoorbeeld via getuigen; voor zaakschade geldt een eigen risico (indicatief). Een eigen cascodekking is geen voorwaarde; heeft de klant die wel, dan kan hij kiezen (toetsterm 1i.20).
27. In welke van de volgende situaties kan een onderneming met zaakschade aan een bedrijfsvoertuig géén beroep doen op het Waarborgfonds Motorverkeer?
Art. 25 lid 1 WAM noemt vijf gevallen: onbekend motorrijtuig, onverzekerd motorrijtuig, gestolen motorrijtuig (de dief is niet gedekt), onvermogen van de verzekeraar en de vrijgestelde gemoedsbezwaarde. Een geschil over aansprakelijkheid met een solvabele, bekende verzekeraar hoort daar niet bij: dat wordt via de rechtstreekse actie (art. 6 WAM), zo nodig met verhaalsrechtsbijstand, uitgevochten (toetsterm 1i.20).
28. Welke instructie moet de wagenparkbeheerder van Flexlog BV aan zijn chauffeurs geven voor het geval van een aanrijding met een andere partij?
De schadebehandeling begint met het Europees schadeformulier: beide partijen vullen de voorzijde in en ondertekenen, waarna elk zijn verzekeraar informeert; foto's en getuigen ondersteunen de toedracht (toetsterm 1i.20). Erkennen van aansprakelijkheid is niet nodig; art. 7:953 BW verbiedt de verzekeraar wel om een erkenning van feiten tegen de verzekerde te gebruiken. Herstel vóór melding belemmert de schadevaststelling.
29. Na een cascoschade van € 11.000 aan een vrachtwagen van Rijnmond BV is de onderneming het niet eens met het rapport van de expert van de verzekeraar. Welke stap staat haar open?
De schadevaststelling loopt via een expert van de verzekeraar; de verzekerde kan een eigen contra-expert benoemen, en bij een blijvend verschil benoemen beide experts een derde expert die bindend beslist (toetsterm 1i.20). De redelijke kosten van de contra-expertise vallen onder art. 7:959 BW. Kifid staat alleen open voor consumenten en kleine ondernemers en pas na de interne klachtprocedure; een dealerofferte bindt de verzekeraar niet.
30. Een chauffeur van Snel BV verzwijgt een aanrijding met een paaltje; drie maanden later meldt het bedrijf de schade, omdat het paaltje van de gemeente blijkt. Wat kan de verzekeraar op grond van het Burgerlijk Wetboek doen?
Art. 7:941 lid 1 en 2 BW verplichten de verzekeringnemer om een verzekerd voorval zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk te melden; bij schending mag de verzekeraar de uitkering verminderen met het nadeel dat hij daardoor lijdt (lid 3). Verval van het recht op uitkering is alleen mogelijk bij opzet om te misleiden (lid 5) of als de polis dat bedingt én de verzekeraar in een redelijk belang is geschaad (lid 4). De werkgever draagt de meldingsplicht als verzekeringnemer.
31. Een monteur van Installatiebedrijf Hoekstra rijdt met de bedrijfsbus (eigendom van de bv) een fietser aan die plotseling afslaat. De fietser lijdt € 6.000 schade. Op wie rust de aansprakelijkheid van art. 185 WVW?
Art. 185 WVW legt de aansprakelijkheid op de eigenaar of houder van het motorrijtuig, hier de bv; de fout van de fietser telt alleen mee als eigen schuld (art. 6:101 BW), en volgens de 50 %-regel van de Hoge Raad krijgt een volwassen fietser ten minste de helft vergoed, tenzij opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. De monteur kan daarnaast op art. 6:162 BW worden aangesproken, en de bv als werkgever via art. 6:170 BW (toetsterm 1i.21).
32. Een vrachtwagen van Rijnmond BV en een bestelbus van Snel BV botsen op een kruising; beide reden. Op welke grondslag wordt de aansprakelijkheid tussen de twee ondernemingen beoordeeld?
Art. 185 lid 3 WVW zondert schade aan andere rijdende motorrijtuigen uit; tussen twee rijdende motorrijtuigen beslist het gewone onrechtmatigedaadsrecht van art. 6:162 BW, met eigen schuld volgens art. 6:101 BW. Verzekeraars regelen dit onderling vaak via de Overeenkomst Vereenvoudigde Schaderegeling, maar dat verandert de grondslag niet. Art. 6:173 BW ziet op gebrekkige zaken en is hier niet de grondslag (toetsterm 1i.21).
33. Een chauffeur van Taxi Centrale Zuid rijdt met toegestane snelheid als een voetganger tussen geparkeerde auto's plotseling de rijbaan op stapt; remmen was onmogelijk. Wanneer slaagt het beroep op overmacht van art. 185 WVW?
Overmacht in art. 185 WVW wordt door de Hoge Raad streng uitgelegd: de bestuurder moet rechtens geen enkel verwijt kunnen worden gemaakt, en fouten van het slachtoffer zijn alleen relevant als zij zo onwaarschijnlijk waren dat de bestuurder er redelijkerwijs geen rekening mee hoefde te houden. Slaagt het beroep niet, dan volgt de 50 %-regel. De vergunning uit de Wet personenvervoer 2000 speelt geen rol (toetsterm 1i.21).
34. Een kind van elf rent achter een bal de weg op en wordt geraakt door een langzaam rijdende bus van Bakkerij Van der Berg. De chauffeur reed foutloos. Welk deel van de schade moet de WAM-verzekeraar van de bakkerij vergoeden?
Volgens de 100 %-regel van de Hoge Raad krijgt een kind jonger dan veertien jaar zijn volledige schade vergoed door de eigenaar of houder van het motorrijtuig, tenzij het kind opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid kan worden verweten; foutloos rijden is geen overmacht als het gedrag van een kind voorzienbaar is. Art. 6:169 BW gaat over de aansprakelijkheid van ouders voor schade die het kind aan anderen toebrengt (toetsterm 1i.21).
35. Een fietser rijdt door rood en botst tegen de net weer wegrijdende bestelbus van Schildersbedrijf De Wit (alleen WA). De bus heeft € 3.000 schade. Kan het schildersbedrijf die schade volledig op de fietser verhalen?
Bij een botsing tussen een motorrijtuig en een fietser werkt art. 185 WVW door in de eigen vordering van de automobilist (reflexwerking, Hoge Raad): de schade van het motorrijtuig blijft in beginsel gedeeltelijk voor eigen rekening, verdeeld naar art. 6:101 BW, tenzij de bestuurder overmacht aannemelijk maakt. Het verhaal loopt via de aansprakelijkheidsverzekering van de fietser, niet via het Waarborgfonds. Casco had de schade zonder deze discussie gedekt (toetsterm 3e.3).