WftExamenTrainer

🚐 Verkeer zakelijk: wagenpark, WAM, Wet personenvervoer, garage, svi en inzittenden

Waarover dit onderdeel gaat

Onderdeel A2 Verkeer van de module Schadeverzekeringen zakelijk gaat over het wagenpark van een onderneming: bestelbussen, vrachtwagens, taxi's, touringcars, heftrucks en ander werkmaterieel (toetstermen 1c.12, 1e.11, 1g.1, 1g.2, 2e.7, 2e.8, 2f.7, 1i.20, 1i.21, 1i.22 en 3e.3).

Wagenpark en collectieve dekkingen

Een wagenparkverzekering (vlootpolis) bundelt alle motorrijtuigen op één polis met één vervaldatum en een doorlopende meldplicht voor mutaties. De premie volgt het schadeverloop van het park in plaats van de bonus-malustrede per voertuig. Per voertuig kiest de onderneming WA, WA beperkt casco of WA volledig casco; opbouw, koelinstallatie en inrichting worden apart opgegeven, en de lading valt nooit onder casco. Aanvullend: de schadeverzekering inzittenden (werkelijke schade van bestuurder en passagiers, ook bij eigen schuld; volgens de Hoge Raad hoort een behoorlijke verzekering voor rijdende werknemers bij goed werkgeverschap, art. 7:611 BW), de ongevallen inzittendenverzekering (sommenverzekering), verhaals- en motorrijtuigrechtsbijstand, hulpdienst en vervangend vervoer.

WAM, Wet personenvervoer 2000 en RDW

Art. 2 WAM legt de verzekeringsplicht op de bezitter en de kentekenhouder zodra het motorrijtuig op de weg komt; ook een heftruck is een motorrijtuig (art. 1 WAM); op afgesloten eigen terrein geldt de WAM niet. De benadeelde heeft een eigen recht tegen de verzekeraar (art. 6 WAM), die hem geen polisverweren kan tegenwerpen (art. 11 WAM) maar wel verhaal neemt op de verzekeringnemer (art. 15 WAM); de beëindiging werkt tegenover benadeelden pas zestien dagen na de melding aan de RDW (art. 13 WAM). Voor bussen met meer dan acht zitplaatsen geldt een hoger minimum voor personenschade (Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen; bedragen indicatief, periodiek herzien). De Wet personenvervoer 2000 verbiedt taxi- en busvervoer zonder vergunning (art. 4); de reizigers zijn benadeelden en verhalen hun letsel op de WAM-verzekering van de vervoerder. Bij een RDW-brief over een onverzekerd kenteken moet de verzekeraar de dekking alsnog melden, anders volgt een boete uit de registercontrole (art. 30 WAM); een voertuig dat niet rijdt wordt geschorst.

Waardemaatstaven

Nieuwwaarderegeling (nieuw voertuig, beperkte termijn), aanschafwaarderegeling (occasion, aankoopnota), vaste afschrijving, dagwaarde en vervangingswaarde. Bij totaal verlies wordt de restwaarde verrekend; een btw-plichtige onderneming krijgt exclusief btw uitgekeerd, want de btw is aftrekbaar (indemniteitsbeginsel, art. 7:960 BW).

Aansprakelijkheid: art. 185 WVW en het BW

De eigenaar of houder (de bv, de vof) is aansprakelijk voor schade aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers, tenzij overmacht; de 50 %-regel geldt voor volwassenen, de 100 %-regel voor kinderen onder veertien, en de reflexwerking beperkt het verhaal van de eigen schade van de onderneming. Tussen rijdende motorrijtuigen geldt art. 6:162 BW; de werkgever is aansprakelijk voor zijn chauffeur via art. 6:170 BW.

Garage, schadebehandeling en Waarborgfonds

De garageverzekering dekt cliëntenobjecten, handelsvoorraad en proefritten onder het handelaarskenteken; bij samenloop met de casco van de klant (art. 7:961 BW) claimt de klant het beste waar geen eigen risico en geen terugval volgen. De schadebehandeling loopt via het schadeformulier, de melding (art. 7:941 BW), expertise en contra-expertise, en schadesturing met verlaagd eigen risico. Het Waarborgfonds Motorverkeer (art. 25 WAM) treedt op bij onbekende, onverzekerde of gestolen motorrijtuigen, een insolvente verzekeraar of een vrijgestelde gemoedsbezwaarde, met een eigen risico bij zaakschade (indicatief) en verhaal op de aansprakelijke (art. 27 WAM).

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Koeriersbedrijf Snel BV heeft 22 bestelbussen en wil ze niet langer elk op een aparte polis verzekeren. Wat kenmerkt een wagenparkverzekering (vlootpolis) ten opzichte van losse motorrijtuigenpolissen?

  1. Elk voertuig behoudt zijn eigen bonus-malustrede en eigen vervaldatum, maar de verzekeraar stuurt de nota's gebundeld naar het bedrijf
  2. Alle voertuigen staan op één polis met één premiestelling en één vervaldatum; mutaties in het park worden doorlopend gemeld
  3. De verzekeraar dekt uitsluitend WA voor het hele park, omdat casco alleen per voertuig op een losse polis kan worden gesloten
  4. Alleen voertuigen met een vaste, regelmatige bestuurder kunnen op de vlootpolis worden geplaatst

Een wagenparkverzekering bundelt alle motorrijtuigen van een onderneming op één polis met één premiestelling, één vervaldatum en een doorlopende meldplicht voor aan- en afmeldingen; de premie volgt het schadeverloop van het park in plaats van de bonus-malustrede per voertuig (toetsterm 1c.12). Casco kan per voertuig of per categorie worden meeverzekerd, en ook reservevoertuigen die op de weg staan zijn WAM-plichtig (art. 2 WAM).

2. Transportbedrijf Rijnmond BV verzekert 40 vrachtwagens op een wagenparkpolis. Hoe wordt de premie van zo'n vloot in de regel vastgesteld, anders dan bij een losse personenautopolis?

  1. Elke vrachtwagen krijgt een bonus-malustrede op basis van de schadevrije jaren van de vaste chauffeur die ermee rijdt
  2. Op basis van het schadeverloop van het hele park, met een periodieke herziening van de premie
  3. Op basis van het gemiddelde aantal schadevrije jaren van alle chauffeurs, per bestuurder geregistreerd in Roy-data
  4. Als een vast percentage van de cataloguswaarde van alle voertuigen, zonder enige correctie voor het schadeverloop

Bij een vlootpolis vervangt de schadestatistiek van het park de individuele bonus-malusladder: de verzekeraar vergelijkt de betaalde schaden met de premie (schadequote) en past de premie bij de jaarlijkse herziening aan (toetsterm 1c.12). Roy-data registreert schadevrije jaren per polis bij royement, niet per chauffeur, en de cataloguswaarde bepaalt alleen de cascopremie.

3. Groothandel Import Oost BV gebruikt een heftruck die dagelijks de openbare weg oversteekt naar een tweede loods. De directeur meent dat een heftruck geen motorrijtuig is en geen WAM-verzekering nodig heeft. Wat is juist?

  1. Een heftruck is werkmaterieel en valt uitsluitend onder de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, ook op de openbare weg
  2. De heftruck is een motorrijtuig in de zin van art. 1 WAM; zodra hij op de openbare weg rijdt, geldt de verzekeringsplicht van art. 2 WAM
  3. De WAM geldt alleen voor kentekenplichtige voertuigen met een maximumsnelheid van meer dan 25 kilometer per uur
  4. De verzekeringsplicht ontstaat pas als de heftruck meer dan vijfhonderd meter over de openbare weg aflegt

Art. 1 WAM omschrijft een motorrijtuig als elk rij- of voertuig dat door mechanische kracht op of aan het voertuig wordt voortbewogen; een heftruck valt daaronder. Art. 2 WAM koppelt de verzekeringsplicht aan het gebruik van de weg, niet aan snelheid of afstand. Op het afgesloten eigen terrein geldt de WAM niet en dekt de werkmaterieel- of AVB-polis het aansprakelijkheidsrisico.

4. Installatiebedrijf Hoekstra koopt een nieuwe bestelbus van € 38.000 met een vaste inrichting voor gereedschap. Welke dekking past bij de eerste jaren van gebruik?

  1. WA beperkt casco, omdat aanrijdingsschade aan een bedrijfsvoertuig altijd op de tegenpartij kan worden verhaald
  2. Alleen WA, omdat een bestelbus met vaste inrichting bij een zakelijke verzekeraar nooit voor casco in aanmerking komt
  3. WA volledig casco, met de inrichting apart opgegeven als meeverzekerde accessoire
  4. WA plus een ongevallenverzekering inzittenden, die ook de schade aan de bus zelf dekt

Een nieuw voertuig met hoge waarde vraagt volledig casco: die dekking vergoedt ook eigen aanrijdingsschade en vandalisme, waar beperkt casco alleen brand, diefstal, ruit, storm en aanrijding met dieren dekt (toetsterm 2e.7). Vaste inrichting en accessoires worden afzonderlijk opgegeven, omdat de cataloguswaarde ze niet bevat. Een ongevallenverzekering inzittenden is een sommenverzekering voor personen, niet voor het voertuig.

5. Touringcarbedrijf Reizen Oost vraagt waarom de verzekeraar voor zijn bussen een hoger minimaal verzekerd bedrag voor personenschade hanteert dan voor een personenauto. Welke verklaring is juist?

  1. De Wet personenvervoer 2000 verplicht busondernemers tot een aanvullende ongevallenverzekering voor reizigers met een vast minimumbedrag
  2. Bussen zijn zwaarder en veroorzaken meer zaakschade, zodat vooral het minimum voor zaakschade omhooggaat
  3. Op grond van de WAM geldt voor motorrijtuigen bestemd voor vervoer van meer dan acht personen een hoger minimum voor personenschade
  4. De verzekeraar bepaalt het minimum zelf, omdat de WAM geen bedragen kent voor bedrijfsvoertuigen

Art. 22 WAM laat de minimaal verzekerde bedragen bij algemene maatregel van bestuur vaststellen; het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen kent voor motorrijtuigen ingericht voor vervoer van meer dan acht personen buiten de bestuurder een hoger minimum voor personenschade, omdat één ongeval veel reizigers kan treffen (bedragen indicatief, periodiek herzien). Het minimum voor zaakschade is voor bussen niet hoger.

6. Een chauffeur van Koeriersbedrijf Snel BV rijdt tegen de etalage van een winkelier. De winkelier wil niet wachten op het bedrijf en vraagt of hij de verzekeraar rechtstreeks kan aanspreken. Wat is juist?

  1. Nee, hij moet eerst het koeriersbedrijf als werkgever aansprakelijk stellen op grond van art. 6:170 BW en pas daarna de verzekeraar
  2. Ja, art. 6 WAM geeft hem een eigen recht op schadevergoeding rechtstreeks tegen de verzekeraar
  3. Nee, een benadeelde kan alleen via zijn eigen verzekeraar of via het Waarborgfonds Motorverkeer schadeloos worden gesteld
  4. Ja, maar alleen als het koeriersbedrijf vooraf schriftelijk erkent dat zijn chauffeur aansprakelijk is

Art. 6 lid 1 WAM geeft de benadeelde een eigen recht tegen de WAM-verzekeraar van het motorrijtuig; hij hoeft de werkgever of de chauffeur niet eerst aan te spreken en heeft geen erkenning nodig. De aansprakelijkheid van de werkgever voor zijn ondergeschikte (art. 6:170 BW) blijft daarnaast bestaan, maar is voor de winkelier geen voorwaarde. Het Waarborgfonds komt pas in beeld als er geen verzekeraar is.

7. Een personenauto van Taxi Centrale Zuid is verzekerd als gewone bedrijfsauto; het taxigebruik is nooit gemeld. Na een aanrijding blijkt dit en de verzekeraar wil de gewonde voetganger afwijzen. Wat is juist?

  1. De verzekeraar mag de voetganger afwijzen, omdat verzwegen taxigebruik een risicoverzwaring is die de dekking ook tegenover derden volledig doet vervallen
  2. De verzekeraar moet de voetganger vergoeden (art. 11 WAM) en kan het bedrag daarna op de verzekeringnemer verhalen op grond van art. 15 WAM
  3. De voetganger moet zich tot het Waarborgfonds Motorverkeer wenden, omdat het voertuig voor dit gebruik feitelijk onverzekerd was
  4. De verzekeraar vergoedt alleen de helft, omdat verzwijging tot een evenredige vermindering van de uitkering leidt

Art. 11 lid 1 WAM verbiedt de verzekeraar om nietigheid, verweren of verval uit de polis of de wet aan de benadeelde tegen te werpen; de voetganger wordt volledig vergoed. Het verzwegen taxigebruik is een kwestie tussen verzekeraar en verzekeringnemer: art. 15 WAM geeft verhaal op de verzekeringnemer voor wat zonder dekking is uitgekeerd. Het Waarborgfonds treedt niet op zolang er een WAM-verzekeraar is.

8. Wat regelt de Wet personenvervoer 2000 voor een onderneming die tegen betaling personen per taxi wil vervoeren?

  1. Dat de taxi-onderneming een WAM-verzekering met een onbeperkt verzekerd bedrag moet sluiten voordat zij mag gaan rijden
  2. Dat de onderneming zich alleen hoeft in te schrijven bij de Kamer van Koophandel en daarna zonder verdere eisen mag rijden
  3. Dat elke taxi verplicht een schadeverzekering inzittenden voor de reizigers moet hebben
  4. Dat taxivervoer alleen mag worden verricht met een daartoe door de overheid verleende vergunning

Art. 4 Wet personenvervoer 2000 verbiedt het verrichten van openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer zonder een daartoe verleende vergunning; de vergunning wordt afgegeven door Kiwa Register en de Inspectie Leefomgeving en Transport houdt toezicht. De WAM verplicht daarnaast tot een aansprakelijkheidsverzekering met minimumbedragen, niet met een onbeperkte som; een schadeverzekering inzittenden is vrijwillig.

9. Een bus van Reizen Oost botst door een fout van de chauffeur tegen een viaduct; twaalf reizigers raken gewond. Op welke verzekering kunnen de reizigers hun letselschade verhalen?

  1. Op de WAM-verzekering van de bus: reizigers zijn benadeelden tegenover de vervoerder en hebben een eigen recht
  2. Op de collectieve ongevallenverzekering die de Wet personenvervoer 2000 voor elke busonderneming dwingend voorschrijft
  3. Alleen op hun eigen zorg- en reisverzekering, omdat reizigers geen derden zijn tegenover de vervoerder
  4. Op het Waarborgfonds Motorverkeer, dat letsel van passagiers in het beroepsvervoer vergoedt

De vervoerder is jegens zijn reizigers aansprakelijk (art. 8:1147 BW voor personenvervoer over de weg) en de reizigers zijn benadeelden in de zin van de WAM: art. 3 WAM eist dat de aansprakelijkheid jegens vervoerde personen gedekt is en art. 6 WAM geeft hun een rechtstreekse vordering. Het hogere minimum voor bussen sluit hierop aan. De Wet personenvervoer 2000 regelt vergunningen, geen ongevallenverzekering.

10. Bakkerij Van der Berg BV, btw-plichtig, rijdt total loss met een bestelbus met een dagwaarde van € 18.150 inclusief 21 % btw. Hoe stelt de verzekeraar de uitkering in de regel vast?

  1. Op € 18.150, omdat de dagwaarde altijd inclusief btw wordt uitgekeerd zodat de klant een gelijkwaardige bus kan kopen
  2. Op de nieuwwaarde van een vergelijkbare bus, omdat een bedrijfsvoertuig van een bv geen dagwaarderegeling kent
  3. Op de dagwaarde exclusief btw, dus € 15.000, omdat de onderneming de btw terugvordert
  4. Op € 18.150 minus een eigen risico van 21 %, omdat de verzekeraar de btw als eigen risico van de klant verrekent

Een schadeverzekering vergoedt alleen het werkelijke nadeel (indemniteitsbeginsel, art. 7:944 en 7:960 BW). Een btw-plichtige onderneming verrekent de btw op de vervangende bus met de Belastingdienst, zodat haar schade de dagwaarde exclusief btw is: € 18.150 / 1,21 = € 15.000. Alleen als de verzekerde de btw niet kan aftrekken wordt inclusief btw uitgekeerd; de btw is geen eigen risico.

11. Welke uitspraak over de nieuwwaarderegeling op een cascoverzekering voor een nieuwe bestelbus van een onderneming is juist?

  1. De regeling geldt onbeperkt zolang het voertuig bij dezelfde verzekeraar verzekerd blijft en jaarlijks wordt gekeurd
  2. Bij totaal verlies binnen de afgesproken termijn wordt de nieuwwaarde van een gelijkwaardige bus vergoed; daarna geldt een afschrijving of de dagwaarde
  3. De regeling vergoedt bij elke schade de nieuwprijs van het beschadigde onderdeel plus de volledige arbeidskosten
  4. De regeling is wettelijk verplicht voor voertuigen jonger dan drie jaar op grond van art. 7:956 BW over de herbouwwaarde

De nieuwwaarderegeling is een polisafspraak: bij totaal verlies of diefstal binnen de termijn (vaak 12 tot 36 maanden, per verzekeraar verschillend) wordt de nieuwwaarde van een vergelijkbaar voertuig vergoed; daarna volgt een vaste afschrijving per maand of de dagwaarde (toetsterm 1e.11). Art. 7:956 BW regelt de herbouwwaarde van gebouwen en zegt niets over motorrijtuigen; de regeling geldt niet voor de reparatie van onderdelen.

12. Een vrachtwagen van Transportbedrijf Rijnmond heeft een dagwaarde van € 42.000 en na een aanrijding een restwaarde van € 9.000. Het herstel kost € 36.000. De verzekeraar spreekt van totaal verlies als de herstelkosten hoger zijn dan dagwaarde min restwaarde. Wat is juist?

  1. Er is totaal verlies: € 36.000 is meer dan € 33.000; de uitkering is € 42.000 minus de restwaarde als de klant het wrak houdt
  2. Er is totaal verlies en de verzekeraar keert € 42.000 uit; de restwaarde blijft bij de verzekerde omdat hij eigenaar van het wrak blijft
  3. Er is geen totaal verlies, omdat de herstelkosten van € 36.000 lager zijn dan de dagwaarde van € 42.000; de verzekeraar laat herstellen
  4. Er is totaal verlies en de verzekeraar keert alleen de herstelkosten van € 36.000 uit, omdat die het maximum vormen

Economisch totaal verlies ontstaat als herstel duurder is dan de dagwaarde min de restwaarde: € 42.000 − € 9.000 = € 33.000, en € 36.000 ligt daarboven. De verzekeraar vergoedt dan de dagwaarde en neemt het wrak over, of keert dagwaarde minus restwaarde uit als de verzekerde het wrak houdt (toetsterm 1e.11). Dagwaarde uitkeren én de restwaarde laten zou het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW schenden.

13. Wat is het verschil tussen de dagwaarde en de vervangingswaarde als waardemaatstaf bij een bedrijfsvoertuig?

  1. De dagwaarde is de nieuwprijs minus de fiscale afschrijving uit de jaarrekening; de vervangingswaarde is de dealerprijs van een nieuw exemplaar van hetzelfde type
  2. De vervangingswaarde is altijd lager dan de dagwaarde, omdat de handel een marge inhoudt bij inruil van een gebruikt voertuig
  3. De dagwaarde is de waarde van het voertuig direct vóór de schade; de vervangingswaarde is de prijs van een gelijkwaardig voertuig in de handel
  4. De dagwaarde geldt alleen bij diefstal, de vervangingswaarde alleen bij aanrijdingsschade die wordt hersteld

De dagwaarde is de waarde van het voertuig onmiddellijk vóór het schadevoorval; de vervangingswaarde is wat de verzekerde in de handel moet betalen voor een voertuig van dezelfde soort, kwaliteit, staat en ouderdom en ligt door de handelsmarge doorgaans iets hoger (toetsterm 1e.11). Verzekeraars kiezen in de polis één maatstaf; de fiscale boekwaarde uit de jaarrekening is geen verzekeringswaarde.

14. Schildersbedrijf De Wit koopt een tweedehands bestelbus van € 21.000 bij een erkend autobedrijf en krijgt een aanschafwaarderegeling van 24 maanden. Na 14 maanden wordt de bus gestolen; de dagwaarde is dan € 16.500. Wat vergoedt de verzekeraar?

  1. € 21.000, het aanschafbedrag volgens de aankoopnota, omdat de termijn van 24 maanden nog loopt
  2. De nieuwwaarde van een vergelijkbare bus, omdat een aanschafwaarderegeling bij een erkend autobedrijf gelijkstaat aan nieuwwaarde
  3. € 16.500, omdat een aanschafwaarderegeling alleen geldt bij aanrijdingsschade en niet bij diefstal van het voertuig
  4. € 18.750, het gemiddelde van aanschafwaarde en dagwaarde, omdat de termijn voor meer dan de helft is verstreken

De aanschafwaarderegeling is de tegenhanger van de nieuwwaarderegeling voor occasions: bij totaal verlies of diefstal binnen de termijn vergoedt de verzekeraar het bedrag van de aankoopnota, mits het voertuig bij een erkend bedrijf is gekocht en de nota wordt overgelegd (toetsterm 1e.11). De dagwaarde geldt pas na afloop van de termijn; een gemiddelde of de nieuwwaarde komt in deze regeling niet voor.

15. Thuiszorgorganisatie Zorg Dichtbij wil haar medewerkers die met bedrijfsauto's rijden beschermen bij letsel. Wat is het kernverschil tussen een ongevallen inzittendenverzekering en een schadeverzekering inzittenden?

  1. Beide zijn sommenverzekeringen; het verschil zit alleen in de hoogte van de verzekerde bedragen per persoon
  2. De ongevallenverzekering dekt alleen de bestuurder van het voertuig, de schadeverzekering inzittenden alleen de passagiers
  3. De svi keert een vast bedrag per bezette zitplaats uit, de ongevallenverzekering vergoedt de werkelijke schade
  4. De ongevallenverzekering keert vaste bedragen uit bij overlijden of blijvende invaliditeit (sommenverzekering); de svi vergoedt de werkelijk geleden schade

De ongevallen inzittendenverzekering is een sommenverzekering (art. 7:964 BW): zij keert een vooraf afgesproken bedrag uit bij overlijden of blijvende invaliditeit, los van de werkelijke schade. De schadeverzekering inzittenden is een schadeverzekering die de werkelijk geleden letsel- en zaakschade van bestuurder en passagiers vergoedt tot het verzekerde bedrag, ongeacht schuld (toetsterm 1c.12). Beide dekken bestuurder en passagiers.

16. Een vertegenwoordiger van Groothandel Import Oost BV raakt ernstig gewond bij een eenzijdig ongeval tijdens een klantbezoek met de bedrijfsauto; niemand anders is aansprakelijk. Welk advies over de wagenparkpolis is juist?

  1. Het bedrijf hoeft niets te regelen: de WAM-verzekering dekt het letsel van de bestuurder, omdat hij tijdens werktijd voor de zaak reed
  2. Een verhaalsrechtsbijstandverzekering volstaat, omdat die de letselschade van de bestuurder op de werkgever verhaalt
  3. Een svi op de vloot: de werkgever moet volgens de Hoge Raad zorgen voor een behoorlijke verzekering van rijdende werknemers
  4. Alleen een ongevallenverzekering inzittenden met een laag vast bedrag, omdat de werkgever hier nooit aansprakelijk is

De Hoge Raad leidt uit art. 7:611 BW (goed werkgeverschap) af dat een werkgever moet zorgen voor een behoorlijke verzekering voor werknemers die voor hun werk aan het verkeer deelnemen; ontbreekt die, dan is hij zelf aansprakelijk voor de schade. Een schadeverzekering inzittenden op het wagenpark dekt de werkelijke letselschade van de bestuurder, die art. 4 WAM van de WA-dekking mag uitsluiten (toetsterm 1c.12).

17. Loonbedrijf Agri-Zuid heeft zijn oudere trekkers alleen WA verzekerd. Een trekker wordt aangereden door een automobilist die de fout erkent, maar zijn verzekeraar betwist de hoogte van de schade. Welke dekking helpt het loonbedrijf hier?

  1. Verhaalsrechtsbijstand motorrijtuigen: die verhaalt de eigen schade op de aansprakelijke tegenpartij als er geen casco is
  2. De WA-dekking van de trekker, omdat de WAM-verzekeraar van het eigen voertuig verplicht is de zaakschade van zijn verzekerde te verhalen
  3. Motorrijtuigrechtsbijstand is niet nodig; het Waarborgfonds Motorverkeer neemt het verhaal op de tegenpartij op zich
  4. Een cascoverzekering die met terugwerkende kracht wordt gesloten voor de al ontstane schade aan de trekker

Verhaalsrechtsbijstand motorrijtuigen dekt de kosten van het verhalen van eigen schade op een aansprakelijke derde; dat is vooral zinvol bij alleen-WA-verzekerde voertuigen, omdat een cascoverzekeraar het verhaal anders zelf voert na uitkering (art. 7:962 BW, subrogatie). De WA-verzekeraar dekt uitsluitend de aansprakelijkheid jegens derden (art. 3 WAM). Het Waarborgfonds treedt alleen op in de gevallen van art. 25 WAM.

18. Wat dekt een motorrijtuigrechtsbijstandverzekering voor een onderneming méér dan een verhaalsrechtsbijstandverzekering?

  1. Alleen een hoger maximum voor externe kosten; de soorten gedekte geschillen zijn bij beide verzekeringen gelijk
  2. De vergoeding van de eigen cascoschade als de aansprakelijke tegenpartij onvindbaar is of onverzekerd blijkt
  3. Uitsluitend het bijstaan van de chauffeur in een strafzaak wegens een verkeersovertreding tijdens werktijd
  4. Ook strafzaken en contractgeschillen over het voertuig, zoals reparatie, koop of lease

Verhaalsrechtsbijstand beperkt zich tot het verhalen van schade op een aansprakelijke derde. Motorrijtuigrechtsbijstand dekt bovendien juridische bijstand bij strafrechtelijke vervolging van de bestuurder, bij geschillen over koop, reparatie, lease en garantie van het voertuig en bij rijbewijszaken (toetsterm 1c.12). De eigen cascoschade zelf vergoedt geen enkele rechtsbijstandverzekering; daarvoor dient casco of het Waarborgfonds.

19. De wagenparkpolis van Catering Smaakvol BV kent een eigen risico van € 500 per cascoschade, dat vervalt bij herstel via het herstelnetwerk van de verzekeraar. Wat moet de adviseur de klant hierover duidelijk maken?

  1. Dat de klant verplicht is elke schade bij het netwerk te laten herstellen, omdat de polis anders in het geheel geen dekking biedt
  2. Dat herstel bij een aangesloten bedrijf het eigen risico laat vervallen en vaak vervangend vervoer geeft, terwijl vrije keuze het volle eigen risico kost
  3. Dat de verzekeraar bij herstel buiten het netwerk de schade uitsluitend op basis van de dagwaarde van het voertuig vergoedt
  4. Dat schadesturing alleen geldt voor personenauto's en niet voor bestelbussen die in een zakelijk wagenpark rijden

Schadesturing betekent dat de verzekeraar het herstel naar aangesloten herstelbedrijven leidt en dat beloont met een lager of vervallen eigen risico, vervangend vervoer en garantie op de reparatie; de klant behoudt de vrijheid om elders te herstellen tegen het volle eigen risico (toetsterm 2e.8). De adviseur moet die voorwaarde transparant uitleggen. De dagwaarde speelt alleen bij totaal verlies een rol.

20. Welke dienst biedt de verzekeraarshulpdienst die op de cascoverzekering van een bedrijfsauto is meeverzekerd?

  1. Juridische bijstand bij een geschil met de werkgever over de vergoeding van schade aan de eigen auto van een werknemer
  2. Vergoeding van de bedrijfsschade die ontstaat doordat een bestelbus na een ongeval enkele dagen niet kan rijden
  3. Onbeperkte pechhulp bij elke mechanische storing, ongeacht de oorzaak en de leeftijd van het voertuig
  4. Berging en vervoer van het voertuig en de inzittenden na een ongeval, ook naar een bestemming in Nederland

De verzekeraarshulpdienst regelt na een ongeval, brand of diefstal de berging en het vervoer van het motorrijtuig en de inzittenden naar een adres in Nederland en, in het buitenland, het repatriëren van voertuig en inzittenden (toetsterm 2e.8). Pechhulp bij mechanische storingen is een aparte dienst of dekking. Bedrijfsschade door stilstand van een voertuig valt onder een aparte dekking, niet onder de hulpdienst.

21. Koeriersbedrijf Snel BV krijgt van de RDW een brief dat voor een pas aangeschafte bestelbus geen verzekering in het kentekenregister staat; de bus is wél op de wagenparkpolis aangemeld. Wat moet de adviseur de klant aanraden?

  1. De brief negeren, omdat een aanmelding op de wagenparkpolis voldoende bewijs is en de RDW alleen particuliere kentekenhouders beboet
  2. Direct de verzekeraar en de RDW informeren, zodat de dekking alsnog in het register komt en een boete uitblijft
  3. Het kenteken laten schorsen bij de RDW totdat de verzekeraar zijn administratie volledig heeft bijgewerkt
  4. Een nieuwe losse WA-verzekering sluiten voor deze bus, want een vlootpolis wordt niet in het register gemeld

De verzekeraar meldt de dekking aan het kentekenregister van de RDW; ontbreekt die melding, dan volgt bij de registercontrole een boete voor de kentekenhouder (art. 30 WAM), ook als er feitelijk een polis is. De klant moet de verzekeraar en de RDW dus meteen informeren en de aanmelding laten herstellen (toetsterm 2f.7). Schorsing is onnodig als het voertuig rijdt, en een vlootpolis wordt gewoon per kenteken gemeld.

22. Hoveniersbedrijf Groenwerk stalt in de winter een bestelbus vier maanden binnen en wil in die periode geen WAM-premie betalen. Hoe kan het bedrijf de verzekeringsplicht voor de bus rechtmatig onderbreken?

  1. Door het kenteken bij de RDW te schorsen; de bus mag dan niet op de openbare weg staan
  2. Door alleen de cascodekking te laten doorlopen; de WA-dekking vervalt dan automatisch bij langdurige stilstand
  3. Door de bus buiten de openbare weg te parkeren en de verzekeraar per e-mail te melden dat er tijdelijk niet wordt gereden
  4. Door de WAM-verzekering op te zeggen; het bedrijf mag daarna nog dertig dagen rijden zonder boete

Alleen een schorsing van het kenteken bij de RDW schakelt de verplichtingen uit het kentekenregister uit, waaronder de verzekeringsplicht van art. 2 WAM en de registercontrole van art. 30 WAM; het voertuig mag dan niet op de openbare weg staan of rijden. Een losse melding aan de verzekeraar of het opzeggen van de polis zonder schorsing leidt tot een boete uit de registervergelijking (toetsterm 2f.7).

23. Verhuurbedrijf Rent-a-Van zegt de WAM-verzekering van een verkochte bus op per 1 maart. De verzekeraar meldt de beëindiging op 1 maart aan de RDW. De nieuwe eigenaar verzekert niets en rijdt op 10 maart een fietser aan. Wat is juist?

  1. De oude verzekeraar moet de fietser vergoeden: de beëindiging werkt tegenover benadeelden pas zestien dagen na de melding aan de RDW
  2. De fietser moet zich tot het Waarborgfonds wenden, omdat de polis op 1 maart is geëindigd en de bus dus onverzekerd was
  3. Het verhuurbedrijf blijft als vorige kentekenhouder aansprakelijk, omdat het de bus zonder dekking heeft overgedragen
  4. Niemand is verplicht te vergoeden, omdat de fietser had moeten controleren of de bus verzekerd was

Art. 13 WAM bepaalt dat het einde van de dekking tegenover benadeelden pas werkt zestien dagen nadat de verzekeraar de beëindiging aan de RDW heeft gemeld; binnen die termijn blijft de oude verzekeraar gehouden (nawerking) en kan hij verhaal nemen op de aansprakelijke. Bij verkoop wordt het kenteken overgeschreven en gaat de verzekeringsplicht over op de nieuwe kentekenhouder (art. 2 WAM). Het Waarborgfonds komt pas na de nawerkingstermijn in beeld.

24. Een aanhanger van Bouwbedrijf Van Dijk vof raakt tijdens het rijden los van de bedrijfsbus en beschadigt een geparkeerde auto. Wie moet de schade vergoeden?

  1. De bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar (AVB) van de vof, omdat een losgeraakte aanhanger geen deel van een motorrijtuig meer is
  2. Het Waarborgfonds Motorverkeer, omdat een aanhanger geen eigen WAM-verzekering heeft en daardoor als onverzekerd geldt
  3. De WAM-verzekeraar van de bedrijfsbus: de aanhanger hoort bij het motorrijtuig zolang hij niet veilig stilstaat
  4. De eigenaar van de geparkeerde auto draagt zijn schade zelf, tenzij hij een cascoverzekering heeft

Art. 1 WAM rekent de aanhangwagen tot het motorrijtuig, ook als hij is losgeraakt en nog niet veilig buiten het verkeer tot stilstand is gekomen; de WAM-verzekeraar van het trekkende voertuig vergoedt dus de schade. De AVB sluit motorrijtuigrisico's doorgaans uit en het Waarborgfonds treedt alleen op als er geen verzekeraar is (art. 25 WAM).

25. Een bestelbus van Drukkerij Print Plus (alleen WA) wordt aangereden door een auto die volgens het RDW-register onverzekerd is; de bestuurder is bekend. De schade is € 4.200. Hoe verloopt een beroep op het Waarborgfonds Motorverkeer?

  1. Het Waarborgfonds vergoedt alleen letselschade bij een bekende onverzekerde dader; de zaakschade moet rechtstreeks op de bestuurder zelf worden verhaald
  2. De drukkerij claimt bij het Waarborgfonds, dat de zaakschade vergoedt onder aftrek van een eigen risico en verhaal neemt op de dader
  3. Het Waarborgfonds keert alleen uit als de drukkerij eerst tevergeefs de dader heeft gedagvaard en een vonnis heeft
  4. De eigen WA-verzekeraar van de drukkerij vergoedt de schade en claimt die daarna bij het Waarborgfonds

Art. 25 lid 1 WAM noemt het geval dat de verzekeringsplicht niet is nagekomen: de benadeelde kan het Waarborgfonds Motorverkeer aanspreken voor personen- én zaakschade; bij zaakschade geldt een eigen risico (indicatief, jaarlijks herzien). Het fonds neemt daarna verhaal op de onverzekerde aansprakelijke (art. 27 WAM). Dagvaarden is geen voorwaarde en de eigen WA-verzekeraar dekt geen eigen zaakschade.

26. Een geparkeerde leaseauto van Metaalbedrijf Staalwerk BV wordt 's nachts aangereden door een onbekende. Welke voorwaarden stelt het Waarborgfonds Motorverkeer voor vergoeding van deze zaakschade?

  1. Alleen dat de schade door een expert wordt vastgesteld; verdere voorwaarden gelden bij een onbekende dader niet
  2. Dat de auto minimaal WA beperkt casco verzekerd is, omdat het fonds alleen aanvult op een bestaande cascodekking
  3. Tijdige aangifte bij de politie en aantoonbare inspanning om de dader te vinden, met een eigen risico
  4. Dat het bedrijf eerst zijn eigen cascoverzekeraar aanspreekt en pas daarna het fonds voor het eigen risico

Bij een onbekend gebleven motorrijtuig (art. 25 lid 1 WAM) verlangt het Waarborgfonds Motorverkeer dat de benadeelde aannemelijk maakt dat de schade door een motorrijtuig is veroorzaakt, binnen veertien dagen aangifte doet bij de politie en zich heeft ingespannen de dader te achterhalen, bijvoorbeeld via getuigen; voor zaakschade geldt een eigen risico (indicatief). Een eigen cascodekking is geen voorwaarde; heeft de klant die wel, dan kan hij kiezen (toetsterm 1i.20).

27. In welke van de volgende situaties kan een onderneming met zaakschade aan een bedrijfsvoertuig géén beroep doen op het Waarborgfonds Motorverkeer?

  1. De WAM-verzekeraar van de tegenpartij is failliet verklaard en kan de schadevergoeding niet meer betalen
  2. De veroorzaker reed in een gestolen auto, waarvoor de verzekeraar volgens art. 3 WAM geen dekking hoeft te geven
  3. De aansprakelijke tegenpartij is bekend en heeft een geldige WAM-verzekering, maar zijn verzekeraar betwist de aansprakelijkheid en betaalt niet
  4. De veroorzaker is een gemoedsbezwaarde die op grond van art. 18 WAM is vrijgesteld van de verzekeringsplicht

Art. 25 lid 1 WAM noemt vijf gevallen: onbekend motorrijtuig, onverzekerd motorrijtuig, gestolen motorrijtuig (de dief is niet gedekt), onvermogen van de verzekeraar en de vrijgestelde gemoedsbezwaarde. Een geschil over aansprakelijkheid met een solvabele, bekende verzekeraar hoort daar niet bij: dat wordt via de rechtstreekse actie (art. 6 WAM), zo nodig met verhaalsrechtsbijstand, uitgevochten (toetsterm 1i.20).

28. Welke instructie moet de wagenparkbeheerder van Flexlog BV aan zijn chauffeurs geven voor het geval van een aanrijding met een andere partij?

  1. Het schadeformulier samen met de tegenpartij invullen en ondertekenen, foto's maken en getuigen noteren
  2. Alleen de politie bellen en verder niets invullen, omdat het proces-verbaal het aanrijdingsformulier volledig vervangt
  3. Ter plaatse schriftelijk aansprakelijkheid erkennen zodra de tegenpartij dat vraagt, zodat de afhandeling sneller verloopt
  4. De schade eerst zelf laten herstellen en de nota daarna bij de verzekeraar indienen

De schadebehandeling begint met het Europees schadeformulier: beide partijen vullen de voorzijde in en ondertekenen, waarna elk zijn verzekeraar informeert; foto's en getuigen ondersteunen de toedracht (toetsterm 1i.20). Erkennen van aansprakelijkheid is niet nodig; art. 7:953 BW verbiedt de verzekeraar wel om een erkenning van feiten tegen de verzekerde te gebruiken. Herstel vóór melding belemmert de schadevaststelling.

29. Na een cascoschade van € 11.000 aan een vrachtwagen van Rijnmond BV is de onderneming het niet eens met het rapport van de expert van de verzekeraar. Welke stap staat haar open?

  1. Zij moet het rapport aanvaarden, omdat de expert van de verzekeraar bij motorrijtuigschade de schade bindend vaststelt
  2. Zij kan de schade laten vaststellen door de dealer, wiens offerte de verzekeraar verplicht moet volgen
  3. Zij kan een contra-expert inschakelen; bij blijvend verschil wijzen beide experts een derde expert aan
  4. Zij kan alleen naar Kifid stappen, omdat een onderneming geen recht heeft op contra-expertise

De schadevaststelling loopt via een expert van de verzekeraar; de verzekerde kan een eigen contra-expert benoemen, en bij een blijvend verschil benoemen beide experts een derde expert die bindend beslist (toetsterm 1i.20). De redelijke kosten van de contra-expertise vallen onder art. 7:959 BW. Kifid staat alleen open voor consumenten en kleine ondernemers en pas na de interne klachtprocedure; een dealerofferte bindt de verzekeraar niet.

30. Een chauffeur van Snel BV verzwijgt een aanrijding met een paaltje; drie maanden later meldt het bedrijf de schade, omdat het paaltje van de gemeente blijkt. Wat kan de verzekeraar op grond van het Burgerlijk Wetboek doen?

  1. De dekking volledig weigeren, omdat elke te late melding het recht op uitkering van rechtswege doet vervallen
  2. Niets, omdat de meldingsplicht alleen op de bestuurder rust en niet op de onderneming als verzekeringnemer
  3. De premie van het hele wagenpark met terugwerkende kracht verhogen, terwijl de schade volledig wordt vergoed
  4. De uitkering verminderen met het nadeel dat hij door de late melding lijdt

Art. 7:941 lid 1 en 2 BW verplichten de verzekeringnemer om een verzekerd voorval zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk te melden; bij schending mag de verzekeraar de uitkering verminderen met het nadeel dat hij daardoor lijdt (lid 3). Verval van het recht op uitkering is alleen mogelijk bij opzet om te misleiden (lid 5) of als de polis dat bedingt én de verzekeraar in een redelijk belang is geschaad (lid 4). De werkgever draagt de meldingsplicht als verzekeringnemer.

31. Een monteur van Installatiebedrijf Hoekstra rijdt met de bedrijfsbus (eigendom van de bv) een fietser aan die plotseling afslaat. De fietser lijdt € 6.000 schade. Op wie rust de aansprakelijkheid van art. 185 WVW?

  1. Op de bv als eigenaar of houder van het motorrijtuig; zij is aansprakelijk tenzij zij overmacht aannemelijk maakt, en de fietser krijgt ten minste 50 %
  2. Uitsluitend op de monteur als bestuurder, omdat art. 185 WVW alleen degene aanspreekt die feitelijk met het motorrijtuig reed
  3. Op niemand, omdat de fietser door plotseling af te slaan de aanrijding volledig aan zichzelf te wijten heeft
  4. Op de fietser zelf, die als zwakkere verkeersdeelnemer de bewijslast van de fout van de bestuurder van de bus draagt

Art. 185 WVW legt de aansprakelijkheid op de eigenaar of houder van het motorrijtuig, hier de bv; de fout van de fietser telt alleen mee als eigen schuld (art. 6:101 BW), en volgens de 50 %-regel van de Hoge Raad krijgt een volwassen fietser ten minste de helft vergoed, tenzij opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. De monteur kan daarnaast op art. 6:162 BW worden aangesproken, en de bv als werkgever via art. 6:170 BW (toetsterm 1i.21).

32. Een vrachtwagen van Rijnmond BV en een bestelbus van Snel BV botsen op een kruising; beide reden. Op welke grondslag wordt de aansprakelijkheid tussen de twee ondernemingen beoordeeld?

  1. Op art. 185 WVW, waarbij het zwaarste voertuig als gemotoriseerde partij tegenover het lichtere geldt en ten minste 50 % draagt
  2. Op art. 6:162 BW: wie een verkeersfout maakte, is aansprakelijk; art. 185 WVW geldt niet tussen rijdende motorrijtuigen
  3. Op de WAM, die bepaalt dat bij een botsing tussen twee bedrijfsvoertuigen elke verzekeraar zijn eigen verzekerde vergoedt
  4. Op art. 6:173 BW, omdat een motorrijtuig een gebrekkige roerende zaak is waarvoor de bezitter opkomt

Art. 185 lid 3 WVW zondert schade aan andere rijdende motorrijtuigen uit; tussen twee rijdende motorrijtuigen beslist het gewone onrechtmatigedaadsrecht van art. 6:162 BW, met eigen schuld volgens art. 6:101 BW. Verzekeraars regelen dit onderling vaak via de Overeenkomst Vereenvoudigde Schaderegeling, maar dat verandert de grondslag niet. Art. 6:173 BW ziet op gebrekkige zaken en is hier niet de grondslag (toetsterm 1i.21).

33. Een chauffeur van Taxi Centrale Zuid rijdt met toegestane snelheid als een voetganger tussen geparkeerde auto's plotseling de rijbaan op stapt; remmen was onmogelijk. Wanneer slaagt het beroep op overmacht van art. 185 WVW?

  1. Alleen als de chauffeur geen enkel verwijt treft en de fout van de voetganger zo onwaarschijnlijk was dat hij er geen rekening mee hoefde te houden
  2. Altijd, omdat de voetganger zelf een ernstige verkeersfout maakte en een chauffeur die de maximumsnelheid niet overschrijdt per definitie geen schuld heeft
  3. Nooit, omdat art. 185 WVW een risicoaansprakelijkheid is waartegen geen enkel verweer openstaat voor de eigenaar
  4. Alleen als de taxi op dat moment een betalende reiziger vervoerde in de zin van de Wet personenvervoer 2000

Overmacht in art. 185 WVW wordt door de Hoge Raad streng uitgelegd: de bestuurder moet rechtens geen enkel verwijt kunnen worden gemaakt, en fouten van het slachtoffer zijn alleen relevant als zij zo onwaarschijnlijk waren dat de bestuurder er redelijkerwijs geen rekening mee hoefde te houden. Slaagt het beroep niet, dan volgt de 50 %-regel. De vergunning uit de Wet personenvervoer 2000 speelt geen rol (toetsterm 1i.21).

34. Een kind van elf rent achter een bal de weg op en wordt geraakt door een langzaam rijdende bus van Bakkerij Van der Berg. De chauffeur reed foutloos. Welk deel van de schade moet de WAM-verzekeraar van de bakkerij vergoeden?

  1. Niets, omdat de chauffeur foutloos reed en daarmee overmacht in de zin van art. 185 WVW is aangetoond
  2. De helft, omdat de 50 %-regel van de Hoge Raad voor alle niet-gemotoriseerde slachtoffers geldt
  3. De volledige schade: voor kinderen onder de veertien geldt de 100 %-regel, behoudens opzet
  4. Een derde, omdat de ouders van het kind op grond van art. 6:169 BW medeaansprakelijk zijn voor de schade

Volgens de 100 %-regel van de Hoge Raad krijgt een kind jonger dan veertien jaar zijn volledige schade vergoed door de eigenaar of houder van het motorrijtuig, tenzij het kind opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid kan worden verweten; foutloos rijden is geen overmacht als het gedrag van een kind voorzienbaar is. Art. 6:169 BW gaat over de aansprakelijkheid van ouders voor schade die het kind aan anderen toebrengt (toetsterm 1i.21).

35. Een fietser rijdt door rood en botst tegen de net weer wegrijdende bestelbus van Schildersbedrijf De Wit (alleen WA). De bus heeft € 3.000 schade. Kan het schildersbedrijf die schade volledig op de fietser verhalen?

  1. Ja, volledig: de fietser reed door rood en is dus voor 100 % aansprakelijk op grond van art. 6:162 BW
  2. Niet vanzelfsprekend: door de reflexwerking van art. 185 WVW blijft een deel voor eigen rekening, tenzij de bestuurder overmacht kan aantonen
  3. Nee, nooit: een gemotoriseerde partij kan zijn eigen zaakschade nooit verhalen op een fietser die geen WAM-verzekering heeft
  4. Ja, maar alleen via het Waarborgfonds Motorverkeer, omdat een fietser geen WAM-verzekering heeft en dus onverzekerd is

Bij een botsing tussen een motorrijtuig en een fietser werkt art. 185 WVW door in de eigen vordering van de automobilist (reflexwerking, Hoge Raad): de schade van het motorrijtuig blijft in beginsel gedeeltelijk voor eigen rekening, verdeeld naar art. 6:101 BW, tenzij de bestuurder overmacht aannemelijk maakt. Het verhaal loopt via de aansprakelijkheidsverzekering van de fietser, niet via het Waarborgfonds. Casco had de schade zonder deze discussie gedekt (toetsterm 3e.3).

Gratis beginnen