WftExamenTrainer

📜 Verzekeringsrecht: de verzekeringsovereenkomst (Boek 7, titel 17 BW)

Waarover dit onderdeel gaat

Elke particuliere schadeverzekering rust op Boek 7, titel 17 BW (art. 7:925 tot en met 7:963). De kandidaat herkent een verzekeringsovereenkomst, onderscheidt schade- en sommenverzekeringen, kent de gevolgen van te late premiebetaling en van verzwijging, weet wanneer een polis opzegbaar is en kan de relevante richtlijnen, gedragscodes en convenanten noemen.

Definitie, schade- en sommenverzekering

Art. 7:925 BW omschrijft de verzekering als een overeenkomst waarbij de verzekeringnemer premie betaalt en de verzekeraar een uitkering doet, terwijl bij het sluiten onzeker is of, wanneer of tot welk bedrag wordt uitgekeerd. Een schadeverzekering (art. 7:944 BW) vergoedt vermogensschade; een sommenverzekering (art. 7:964 BW) keert een vooraf afgesproken bedrag uit, los van de werkelijke schade. Een persoonsverzekering (art. 7:925 lid 2 BW) betreft het leven of de gezondheid van een mens; de ziektekostenverzekering is er een, en tegelijk een schadeverzekering.

Mededelingsplicht, premie en dekking

De mededelingsplicht van art. 7:928 BW verplicht de verzekeringnemer de feiten te melden die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij begrijpt dat de acceptatie ervan afhangt; een strafrechtelijk verleden telt alleen over de laatste acht jaar. Ontdekt de verzekeraar verzwijging, dan meldt hij dat binnen twee maanden (art. 7:929 BW); de uitkering wordt naar evenredigheid verlaagd of geweigerd, en bij opzet tot misleiding vervalt zij geheel (art. 7:930 BW). Een onbetaalde vervolgpremie schorst de dekking pas na een aanmaning met een termijn van veertien dagen (art. 7:934 BW). Geen dekking is er bij schade door aard of eigen gebrek van de zaak (art. 7:951 BW) of door opzet of roekeloosheid van de verzekerde (art. 7:952 BW). Na een schade gelden de bereddingsplicht (art. 7:957 BW) en de meldingsplicht (art. 7:941 BW); vorderingen verjaren na drie jaar (art. 7:942 BW).

Indemniteit, waarde, samenloop en subrogatie

Het indemniteitsbeginsel (art. 7:960 BW) verbiedt dat de verzekerde door de uitkering in een duidelijk voordeliger positie komt; nieuwwaardedekking en voortaxatie door een deskundige zijn de uitzonderingen. Het verzekerd bedrag volgt uit een waardemeter of taxatie en wordt geïndexeerd; de polis noemt de waardemaatstaf (nieuwwaarde, dagwaarde, herbouwwaarde, verkoopwaarde). Bij samenloop (art. 7:961 BW) mag de verzekerde elke verzekeraar aanspreken; de verzekeraars verrekenen onderling naar evenredigheid. Door subrogatie (art. 7:962 BW) treedt de verzekeraar in de rechten van de verzekerde tegenover de aansprakelijke derde.

Opzegging, acceptatie en premie

Opzegging tegen het einde van de looptijd vraagt twee maanden (art. 7:940 BW); na stilzwijgende verlenging mag de consument volgens de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen dagelijks opzeggen met een maand opzegtermijn. Het acceptatieproces loopt van aanvraag via beoordeling van het morele en materiële risico naar acceptatie, acceptatie onder voorwaarden of afwijzing, zo nodig met voorlopige dekking. De premie bestaat uit risicopremie, opslagen voor kosten en winst, poliskosten en 21 % assurantiebelasting (ziektekosten- en ongevallenverzekeringen zijn vrijgesteld). Verder: de Letselschaderichtlijnen, de Richtlijn Waardevermindering Personenauto's, het Protocol Verzekeraars & Criminaliteit, de Gedragscode Letselschade, de Kwaliteitscode Rechtsbijstand en de regels over minderjarigen, curatele, bewind en art. 1:88 BW.

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Welk element is volgens art. 7:925 BW een noodzakelijk bestanddeel van elke verzekeringsovereenkomst?

  1. De verzekeringnemer heeft de premie voor de eerste verzekeringsperiode volledig vooruitbetaald
  2. De verzekeraar beschikt over een vergunning van De Nederlandsche Bank en de verzekeringnemer handelt niet in beroep of bedrijf
  3. De uitkering is vooraf vastgesteld op een vaste som die losstaat van de werkelijk geleden schade
  4. Bij het sluiten bestaat voor partijen geen zekerheid dat, wanneer of tot welk bedrag een uitkering zal worden gedaan

Art. 7:925 lid 1 BW noemt drie bestanddelen: de verzekeringnemer verbindt zich tot premiebetaling, de verzekeraar tot een uitkering, en bij het sluiten bestaat onzekerheid of, wanneer of tot welk bedrag wordt uitgekeerd. De vergunning van DNB is een toezichtseis uit de Wft, geen definitie-element; een vaste som kenmerkt alleen de sommenverzekering en vooruitbetaling is geen wettelijke voorwaarde.

2. Mevrouw De Wit stort maandelijks € 50 bij een aanbieder die haar na tien jaar het totaal van de inleg plus een vaste rente terugbetaalt, wat er ook gebeurt. Zij vraagt haar adviseur of dit een verzekering is. Wat is juist?

  1. Ja, want zij betaalt periodiek een bedrag aan een professionele aanbieder die zich verbindt om later een uitkering te doen
  2. Nee, want een verzekering vereist altijd dat de uitkering afhankelijk is van schade aan een verzekerde zaak of van letsel
  3. Ja, want elke overeenkomst waarbij een financiële onderneming zich verbindt tot een toekomstige betaling geldt als sommenverzekering
  4. Nee, want bij het sluiten staat al vast dat, wanneer en tot welk bedrag wordt uitgekeerd; de onzekerheid ontbreekt

Zonder onzekerheid is er geen verzekering: art. 7:925 BW eist dat bij het sluiten voor partijen niet vaststaat of, wanneer of tot welk bedrag een uitkering volgt. Hier staan bedrag en moment vooraf vast, dus het is een spaarproduct. Een verzekering hoeft niet aan schade of letsel gekoppeld te zijn: een sommenverzekering keert een vast bedrag uit, maar wel bij een onzekere gebeurtenis.

3. Wat is het kenmerkende verschil tussen een schadeverzekering en een sommenverzekering?

  1. Een schadeverzekering dekt alleen zaken en een sommenverzekering alleen personen; de wijze van uitkeren doet er niet toe
  2. Een schadeverzekering wordt alleen door schadeverzekeraars aangeboden, een sommenverzekering alleen door levensverzekeraars
  3. Een sommenverzekering kent altijd een eigen risico, terwijl een schadeverzekering altijd de volledige schade vergoedt
  4. Bij een schadeverzekering hangt de uitkering af van de werkelijk geleden vermogensschade; bij een sommenverzekering staat het bedrag vast

Art. 7:944 BW omschrijft de schadeverzekering als een verzekering die vermogensschade vergoedt; art. 7:964 BW omschrijft de sommenverzekering als een verzekering waarbij de uitkering losstaat van de vraag of en hoeveel schade is geleden. Het object (zaak of persoon) is niet beslissend: een ongevallenverzekering betreft een persoon en wordt door schadeverzekeraars gevoerd, maar is een sommenverzekering.

4. Mevrouw Koster heeft een ongevallenverzekering die bij blijvende invaliditeit een percentage van een verzekerd bedrag van € 50.000 uitkeert, en daarnaast een basiszorgverzekering die haar medische kosten vergoedt. Welke van deze verzekeringen is een sommenverzekering?

  1. Beide, omdat zowel ziektekosten als ongevallen betrekking hebben op de gezondheid van een persoon en dus als sommenverzekering gelden
  2. Alleen de zorgverzekering, omdat de uitkering daarvan wordt bepaald door de betaalde premie en niet door de gemaakte kosten
  3. Geen van beide, omdat een sommenverzekering uitsluitend een levensverzekering bij een levensverzekeraar kan zijn
  4. Alleen de ongevallenverzekering, omdat het uitkeringsbedrag vooraf is bepaald en losstaat van de werkelijke schade

De ongevallenverzekering keert een vooraf afgesproken bedrag (of een percentage daarvan) uit zonder dat de werkelijke schade wordt vastgesteld: dat is de sommenverzekering van art. 7:964 BW. De zorgverzekering vergoedt gemaakte kosten en is dus een schadeverzekering (art. 7:944 BW), ook al betreft zij de gezondheid van een persoon. Een sommenverzekering is niet beperkt tot levensverzekeringen.

5. Wanneer is een schadeverzekering volgens art. 7:925 lid 2 BW tevens een persoonsverzekering?

  1. Als de verzekeringnemer een natuurlijke persoon is die de verzekering niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf sluit
  2. Als de uitkering toekomt aan een in de polis genoemde begunstigde en niet aan de verzekeringnemer zelf
  3. Als de verzekering het leven of de gezondheid van een mens betreft, zoals bij een ziektekostenverzekering het geval is
  4. Als de premie mede afhankelijk is van de leeftijd, het beroep en de gezondheid van de verzekerde

Art. 7:925 lid 2 BW noemt persoonsverzekering de verzekering die het leven of de gezondheid van een mens betreft. Een ziektekostenverzekering is daarom zowel een schadeverzekering (zij vergoedt kosten) als een persoonsverzekering; dat heeft gevolgen, bijvoorbeeld voor de opzegging bij een verslechterde gezondheid. De hoedanigheid van de verzekeringnemer of de wijze van premieberekening is niet bepalend.

6. Meneer Yilmaz heeft via zijn werkgever een collectieve ongevallenverzekering en privé een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren. Welke van deze verzekeringen is een persoonsverzekering in de zin van het Burgerlijk Wetboek?

  1. Alleen de aansprakelijkheidsverzekering, omdat die de schade vergoedt die een persoon aan anderen toebrengt
  2. Alleen de ongevallenverzekering, omdat die de gezondheid van een mens betreft
  3. Beide, omdat bij elke verzekering uiteindelijk een natuurlijke persoon de verzekeringnemer of de verzekerde is
  4. Geen van beide, omdat een persoonsverzekering uitsluitend een levens- of ziektekostenverzekering kan zijn

Een persoonsverzekering betreft volgens art. 7:925 lid 2 BW het leven of de gezondheid van een mens; de ongevallenverzekering keert uit bij overlijden of blijvende invaliditeit door een ongeval en valt daar dus onder. De aansprakelijkheidsverzekering dekt het vermogen van de verzekerde tegen aanspraken van derden en is geen persoonsverzekering, ook al is de verzekerde een natuurlijk persoon.

7. De vervolgpremie van de opstalverzekering van mevrouw Peeters vervalt op 1 maart. Zij betaalt niet. Op 10 maart ontvangt zij een aanmaning waarin de verzekeraar de gevolgen van niet-betaling noemt en een betaaltermijn van veertien dagen stelt. Zij betaalt nog steeds niet. Op 2 april beschadigt een storm het dak. Wat is juist?

  1. De schade is gedekt, omdat de dekking pas eindigt nadat de verzekeraar de polis daadwerkelijk heeft beëindigd en dat is niet gebeurd
  2. De schade is gedekt, omdat een schorsing wegens wanbetaling pas ingaat twee maanden na de premievervaldag
  3. De schade is niet gedekt, omdat de dekking al op de vervaldag van 1 maart automatisch is vervallen
  4. De schade is niet gedekt: de dekking was geschorst zodra de termijn van veertien dagen uit de aanmaning zonder betaling was verstreken

Art. 7:934 BW bepaalt dat het niet betalen van een vervolgpremie pas tot schorsing of beëindiging van de dekking kan leiden nadat de verzekeringnemer na de vervaldag vruchteloos is aangemaand met een termijn van veertien dagen, onder vermelding van de gevolgen. Die termijn liep hier op 24 maart af, dus op 2 april was de dekking geschorst. De dekking vervalt dus niet automatisch op de vervaldag zelf.

8. Welk verschil bestaat er in de gevolgen van het niet betalen van de eerste premie en van een vervolgpremie van een schadeverzekering?

  1. Alleen bij een vervolgpremie eist de wet eerst een aanmaning met een termijn van veertien dagen voordat de dekking vervalt
  2. Bij een vervolgpremie vervalt de dekking automatisch op de vervaldag, bij de eerste premie pas na een gerechtelijke ingebrekestelling
  3. Bij de eerste premie moet de verzekeraar twee keer aanmanen, bij een vervolgpremie volstaat één aanmaning met een termijn van dertig dagen
  4. Er is geen verschil: in beide gevallen vervalt de dekking pas na een aanmaning met een termijn van veertien dagen

De wettelijke bescherming van art. 7:934 BW (aanmaning, termijn van veertien dagen, vermelding van de gevolgen) geldt uitdrukkelijk voor de tweede en volgende premietermijnen. Voor de eerste premie bepalen de polisvoorwaarden doorgaans dat de dekking niet ingaat of niet is ingegaan als niet binnen de gestelde termijn is betaald; de verzekeraar stuurt in de praktijk wel een herinnering, maar de wet eist die niet.

9. Op 1 maart vervalt de vervolgpremie van de inboedelverzekering van meneer Jansen. Hij betaalt niet, ontvangt op 8 maart een aanmaning die de gevolgen en een betaaltermijn van veertien dagen noemt, en betaalt de premie pas op 20 april. Op 15 april was er een inbraak in zijn woning. Wat is juist?

  1. De inbraakschade is gedekt, omdat de verzekeraar door de premie op 20 april te aanvaarden afstand doet van zijn beroep op de schorsing
  2. De inbraakschade is gedekt, omdat de dekking pas eindigt als de verzekeraar de polis na de aanmaning heeft opgezegd
  3. De inbraakschade blijft ongedekt: de betaling op 20 april laat de dekking pas daarna herleven, niet met terugwerkende kracht
  4. De inbraakschade blijft ongedekt en de polis is door de wanbetaling van rechtswege vernietigd

Na de vruchteloze aanmaning van art. 7:934 BW was de dekking vanaf 22 maart geschorst. Polisvoorwaarden laten de dekking na volledige betaling herleven, maar alleen voor gebeurtenissen na het moment van herleven (meestal de dag na ontvangst van de betaling). Een schade tijdens de schorsing blijft dus voor rekening van de verzekeringnemer; de polis is niet vernietigd, alleen de dekking was opgeschort.

10. Wat bepaalt art. 7:951 BW over schade aan een verzekerde zaak die is veroorzaakt door de aard of een eigen gebrek van die zaak?

  1. Die schade is altijd gedekt, omdat de verzekeraar het risico van slijtage en veroudering bewust heeft geaccepteerd
  2. Die schade is niet gedekt, tenzij de polisvoorwaarden er dekking voor bieden
  3. Die schade is gedekt tot maximaal de dagwaarde van de zaak, ook als de polis nieuwwaarde vergoedt
  4. Die schade is uitgesloten en die uitsluiting is van dwingend recht, zodat een polis er nooit van kan afwijken

Art. 7:951 BW bepaalt dat de verzekeraar geen schade vergoedt aan een verzekerde zaak die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van die zaak, zoals rot, slijtage of een constructiefout. Het is regelend recht: partijen kunnen in de polis wel dekking overeenkomen, bijvoorbeeld voor gevolgschade van een eigen gebrek. De uitsluiting staat niet in de lijst van dwingende bepalingen van art. 7:963 BW.

11. Meneer De Boer rijdt met 140 km per uur door een woonwijk om indruk te maken op vrienden, verliest de macht over het stuur en rijdt zijn eigen auto total loss tegen een lantaarnpaal. Hij heeft een volledige cascoverzekering. Wat is juist?

  1. De verzekeraar hoeft de eigen schade niet te vergoeden: schade die de verzekerde met opzet of door roekeloosheid veroorzaakt, is niet gedekt
  2. De verzekeraar moet de eigen schade vergoeden, maar mag de bonus-malustrede met twee stappen extra verlagen
  3. De verzekeraar mag de uitkering halveren, omdat bij roekeloosheid een wettelijk eigen risico van 50 % geldt
  4. De verzekeraar moet de eigen schade vergoeden, omdat alleen opzet en niet roekeloosheid tot verlies van dekking leidt

Art. 7:952 BW bepaalt dat de verzekeraar geen schade vergoedt aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. Bewust met een extreme snelheid door een woonwijk rijden is roekeloos gedrag, zodat de cascoschade voor eigen rekening blijft. De wet kent geen halvering of eigen risico van 50 %; de bonus-malus is een premiemechanisme, geen dekkingsregel.

12. De ex-partner van meneer Hendriks, die al een jaar niet meer bij hem woont, steekt uit wraak zijn woning in brand. De inboedel gaat verloren. Meneer Hendriks heeft een inboedelverzekering met brand als gedekte gebeurtenis. Hoe beoordeelt de verzekeraar deze schade?

  1. De schade is niet gedekt, omdat brandstichting altijd een opzettelijk veroorzaakte gebeurtenis is en opzet de dekking doet vervallen
  2. De schade is gedekt: art. 7:952 BW sluit alleen schade uit die de verzekerde zelf met opzet of door roekeloosheid veroorzaakt
  3. De schade is alleen gedekt als de verzekeraar de brandstichter niet kan aanspreken, omdat subrogatie voorgaat op de uitkering
  4. De schade is niet gedekt, omdat de brandstichter tot de huishouding van de verzekerde heeft behoord

De opzetuitsluiting van art. 7:952 BW ziet op opzet of roekeloosheid van de verzekerde zelf, niet op die van een derde. Brand blijft voor meneer Hendriks een onzeker voorval, dus de inboedelverzekeraar keert uit en verhaalt daarna via subrogatie (art. 7:962 BW) op de brandstichter. De ex-partner behoort niet meer tot de huishouding en is geen medeverzekerde, wat de uitkomst hier niet verandert.

13. Meneer Achterberg koopt op vrijdagmiddag een auto. Zijn adviseur, die geen volmacht heeft, vraagt bij de verzekeraar voorlopige dekking aan. De verzekeraar bevestigt per e-mail: WA- en cascodekking vanaf 15.00 uur, totdat over de aanvraag is beslist, maximaal dertig dagen. Wat is de juridische situatie?

  1. Er is nog geen verzekering: voorlopige dekking is slechts een intentieverklaring die pas rechtskracht krijgt zodra de polis is afgegeven
  2. Er is een geldige verzekeringsovereenkomst voor de duur van de voorlopige dekking; de verzekeraar mag de aanvraag nog wel afwijzen
  3. Er is een verzekering, maar de verzekeraar mag de aanvraag daarna niet meer afwijzen omdat hij het risico al heeft geaccepteerd
  4. Er is alleen een verzekering als de adviseur de voorlopige dekking zelf op eigen briefpapier bevestigt

Voorlopige dekking is een volwaardige, tijdelijke verzekeringsovereenkomst in de zin van art. 7:925 BW: de verzekeraar draagt het risico vanaf het afgesproken moment tot hij over de aanvraag heeft beslist of de maximumtermijn is verstreken. Zij verplicht de verzekeraar niet om de definitieve aanvraag te accepteren; hij mag na het acceptatieonderzoek alsnog afwijzen, waarna de voorlopige dekking eindigt.

14. Mevrouw Bos vraagt vrijdagavond telefonisch een inboedelverzekering aan bij haar adviseur, een bemiddelaar zonder volmacht. De adviseur zegt: 'U bent vanaf nu verzekerd, ik regel maandag de polis.' Handelt de adviseur juist?

  1. Ja: elke Wft-vergunninghouder mag namens een verzekeraar voorlopige dekking verlenen zolang de aanvraag volledig is ingevuld
  2. Nee: alleen de verzekeraar of een gevolmachtigd agent kan voorlopige dekking verlenen, niet de adviseur
  3. Ja, mits de adviseur binnen 48 uur de aanvraag bij de verzekeraar indient; tot die tijd loopt het risico bij het kantoor
  4. Nee, omdat voorlopige dekking pas mogelijk is nadat de eerste premie is betaald en de polis is opgemaakt

Een bemiddelaar zonder volmacht sluit geen verzekeringen; hij brengt ze tot stand tussen klant en verzekeraar (art. 1:1 Wft). Voorlopige dekking kan alleen de verzekeraar zelf of een gevolmachtigd agent verlenen. De adviseur moet de dekking dus aanvragen en de bevestiging afwachten; wie zelf dekking toezegt, wekt een schijn van verzekering en kan bij een schade in het weekend aansprakelijk zijn.

15. Wat houdt het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW in?

  1. De verzekeraar vergoedt de schade altijd op basis van de nieuwwaarde, zodat de verzekerde de zaak na de schade opnieuw kan kopen
  2. De verzekeringnemer is verplicht het verzekerd bedrag jaarlijks aan te passen aan de werkelijke waarde van de verzekerde zaken
  3. De verzekerde mag door de uitkering van een schadeverzekering niet in een duidelijk voordeliger positie komen dan zonder de schade
  4. De verzekeraar mag nooit meer uitkeren dan de premie die de verzekeringnemer over de gehele looptijd heeft betaald

Art. 7:960 BW bepaalt dat de verzekerde krachtens een schadeverzekering geen vergoeding ontvangt waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken: de schadeverzekering vergoedt schade, zij mag geen bron van winst zijn. De nieuwwaarderegeling is daarmee niet in strijd, omdat het woord 'duidelijk' een beperkte overcompensatie toelaat. De betaalde premie speelt bij de hoogte van de uitkering geen rol.

16. Mevrouw Lammers heeft een schilderij laten taxeren door een beëdigd taxateur op € 40.000 en het voor dat bedrag op een kostbaarhedenverzekering laten zetten. Bij een woningbrand gaat het verloren; de marktwaarde blijkt inmiddels tot € 30.000 gedaald. Wat mag de verzekeraar doen?

  1. Hij mag de uitkering beperken tot € 30.000, omdat het indemniteitsbeginsel elke uitkering boven de waarde op de schadedatum verbiedt
  2. Hij moet € 40.000 uitkeren: bij een voortaxatie door een deskundige geldt de getaxeerde waarde en wijkt het indemniteitsbeginsel
  3. Hij mag de uitkering beperken tot € 30.000 en het verschil met de getaxeerde waarde verrekenen met de premies van de komende jaren
  4. Hij moet € 35.000 uitkeren, het gemiddelde van de taxatiewaarde en de marktwaarde op de datum van de brand

Art. 7:960 BW maakt een uitzondering op het indemniteitsbeginsel voor een voorafgaande taxatie van de waarde door een deskundige: de getaxeerde waarde geldt dan als de waarde van de zaak, ook als de marktwaarde intussen is gedaald. Bij een partijentaxatie zonder deskundige geldt die uitzondering niet en mag de verzekeraar bewijzen dat de werkelijke waarde lager was. Een middeling kent de wet niet.

17. De familie De Groot heeft haar caravan verzekerd voor een verzekerd bedrag van € 20.000; de polis vergoedt bij totaal verlies de dagwaarde. Na een brand op de camping is de caravan verloren; de dagwaarde blijkt € 9.000 te zijn. Welke uitkering volgt?

  1. € 20.000, omdat het verzekerd bedrag bij totaal verlies altijd volledig wordt uitgekeerd wanneer de premie daarover is betaald
  2. € 14.500, omdat de verzekeraar bij totaal verlies het gemiddelde van verzekerd bedrag en dagwaarde vergoedt
  3. € 9.000, omdat het verzekerd bedrag slechts het maximum van de uitkering is en de dagwaarde de werkelijke schade weergeeft
  4. € 11.000, omdat het verschil tussen verzekerd bedrag en dagwaarde als oververzekering in mindering komt

Bij een schadeverzekering vergoedt de verzekeraar de werkelijk geleden schade, hier de dagwaarde van € 9.000; het verzekerd bedrag van € 20.000 is alleen de bovengrens van zijn verplichting. Meer uitkeren zou de familie in een duidelijk voordeliger positie brengen, in strijd met het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW. De te hoge dekking is oververzekering: te veel premie, zonder recht op een hogere uitkering.

18. Welke feiten moet een aspirant-verzekeringnemer volgens art. 7:928 BW vóór het sluiten van een schadeverzekering aan de verzekeraar meedelen?

  1. De feiten die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij begrijpt dat de beslissing van de verzekeraar ervan afhangt
  2. Alleen de feiten die hij zelf als risicoverhogend beschouwt; over andere feiten hoeft hij de verzekeraar niets mee te delen
  3. Alle feiten over zijn persoon en bezittingen, ook de feiten die de verzekeraar zelf al kent of die van algemene bekendheid zijn
  4. Uitsluitend de feiten die in de laatste vijf jaar tot een schade of een uitkering hebben geleid, ook als er niet naar wordt gevraagd

Art. 7:928 lid 1 BW verplicht de verzekeringnemer vóór het sluiten alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij begrijpt dat de beslissing van de verzekeraar ervan afhangt. Feiten die de verzekeraar al kent of die algemeen bekend zijn, vallen erbuiten (lid 4). Bij een vragenlijst hoeft de klant niets te melden waarnaar niet is gevraagd (lid 6), tenzij hij opzettelijk misleidt.

19. Meneer Vos vraagt een autoverzekering aan. Op het aanvraagformulier staat de vraag of hij in de afgelopen acht jaar met de strafrechter in aanraking is geweest. Tien jaar geleden is hij veroordeeld voor verzekeringsfraude. Hij beantwoordt de vraag met 'nee'. Wat is juist?

  1. Hij schendt de mededelingsplicht, omdat een veroordeling voor verzekeringsfraude altijd gemeld moet worden, hoe lang geleden ook
  2. Hij handelt in strijd met de mededelingsplicht, omdat de vraag naar het strafrechtelijk verleden ruim moet worden uitgelegd
  3. Hij handelt niet in strijd met de mededelingsplicht, omdat een strafrechtelijk verleden nooit relevant is voor een autoverzekering
  4. Hij handelt niet in strijd met de mededelingsplicht: strafrechtelijke feiten van meer dan acht jaar geleden hoeft hij niet te melden

Art. 7:928 lid 5 BW beperkt de mededelingsplicht over het strafrechtelijk verleden tot feiten uit de acht jaar vóór het sluiten van de verzekering, en alleen voor zover de verzekeraar er uitdrukkelijk naar vraagt. Een veroordeling van tien jaar geleden valt buiten die termijn, dus het antwoord 'nee' is juist. Wel is een strafrechtelijk verleden binnen acht jaar voor de acceptatie relevant als moreel risico.

20. Mevrouw Aydin verzweeg bij het sluiten van haar opstalverzekering een eerdere waterschadeclaim waarnaar op het formulier was gevraagd. Twee jaar later beschadigt een storm haar dak. De verzekeraar had haar bij kennis van de claim wel geaccepteerd, maar met een hoger eigen risico voor waterschade. Wat is juist?

  1. De stormschade wordt naar evenredigheid verlaagd, omdat elke verzwijging van een eerdere schade een proportionele korting oplevert
  2. De stormschade wordt niet vergoed, omdat de verzekeraar bij elke verzwijging het recht heeft de uitkering te weigeren
  3. De stormschade wordt volledig vergoed, omdat het verzwegen feit geen belang heeft voor het risico zoals dat zich verwezenlijkte
  4. De stormschade wordt vergoed onder aftrek van het hogere eigen risico dat de verzekeraar bij een juiste opgave zou hebben bedongen

Art. 7:930 lid 2 BW bepaalt dat de uitkering onverkort plaatsvindt als de niet meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals dit zich heeft verwezenlijkt. Een eerdere waterschade zegt niets over het stormrisico, dus de stormschade wordt volledig vergoed. De evenredige verlaging (lid 3) en de weigering (lid 4 en 5) gelden alleen als het verzwegen feit met de schade samenhangt.

21. Bij de behandeling van een inbraakschade ontdekt de verzekeraar op 3 februari dat meneer Kuipers bij de aanvraag een eerdere inbraakclaim heeft verzwegen. Pas op 20 mei schrijft de verzekeraar hem dat hij daarom de uitkering wil verlagen. Wat is het gevolg van deze gang van zaken?

  1. De verzekeraar mag de uitkering alsnog naar evenredigheid verlagen, omdat de wet voor de mededeling over verzwijging geen termijn kent
  2. De verzekeraar mag de uitkering verlagen, maar moet daarnaast de premie over de verstreken jaren aan meneer Kuipers terugbetalen
  3. De verzekeraar kan geen beroep meer doen op de verzwijging, omdat hij de klant niet binnen twee maanden na de ontdekking waarschuwde
  4. De verzekeraar mag de polis met onmiddellijke ingang opzeggen, maar moet de inbraakschade volledig vergoeden

Art. 7:929 lid 1 BW verplicht de verzekeraar die verzwijging ontdekt, de verzekeringnemer daarop binnen twee maanden na de ontdekking te wijzen, onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Laat hij die termijn verstrijken, dan verliest hij de bevoegdheden van de artikelen 7:929 en 7:930 BW: hij kan niet meer opzeggen en de uitkering niet meer verlagen. De termijn loopt vanaf de ontdekking.

22. Meneer Kamphuis geeft bij de aanvraag van een inboedelverzekering bewust een vals adres op, omdat zijn werkelijke woning in een gebied ligt waar de verzekeraar geen inboedel accepteert. Na een inbraak komt dit aan het licht. Welke gevolgen heeft dit?

  1. De verzekeraar hoeft niets uit te keren en mag de polis binnen twee maanden na ontdekking direct opzeggen
  2. De verzekeraar moet de schade vergoeden, omdat een adres geen feit is waarover de mededelingsplicht zich uitstrekt
  3. De verzekeraar keert de helft van de schade uit en mag de polis alleen opzeggen met een termijn van twee maanden
  4. De verzekeraar keert uit naar evenredigheid van de premie die hij voor het werkelijke adres zou hebben gerekend en zet de polis voort

Bij verzwijging met het opzet de verzekeraar te misleiden vervalt volgens art. 7:930 lid 5 BW elk recht op uitkering, en art. 7:929 lid 2 BW laat de verzekeraar de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met onmiddellijke ingang opzeggen. Bovendien had de verzekeraar het risico bij juiste opgave niet geaccepteerd (lid 4), wat al tot weigering leidt. Het adres bepaalt het risico en valt onder de meldplicht.

23. Welke opzegtermijn geldt volgens art. 7:940 BW wanneer een schadeverzekering wordt opgezegd tegen het einde van de verzekeringsperiode om verlenging te voorkomen?

  1. Een termijn van één maand, die alleen voor de verzekeringnemer geldt; de verzekeraar mag de verzekering zonder termijn laten aflopen
  2. Een termijn van drie maanden, tenzij de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die niet in beroep of bedrijf handelt
  3. Geen termijn: opzegging tegen het einde van de periode is altijd mogelijk tot en met de laatste dag van de looptijd
  4. Een termijn van ten minste twee maanden, die geldt voor de verzekeraar én de verzekeringnemer wanneer een van hen verlenging wil verhinderen

Art. 7:940 lid 1 BW schrijft voor dat bij opzegging tegen het einde van een verzekeringsperiode, om verlenging te verhinderen, een termijn van ten minste twee maanden in acht wordt genomen. Die termijn geldt voor beide partijen. Voor consumenten gaat de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen verder: na een stilzwijgende verlenging mag de klant dagelijks opzeggen met een termijn van één maand.

24. Mevrouw Sanders sloot op 1 mei 2024 een reisverzekering met een looptijd van een jaar. De polis is op 1 mei 2025 stilzwijgend verlengd. Op 10 september 2025 wil zij overstappen naar een goedkopere aanbieder. Wat geldt voor haar opzegmogelijkheid?

  1. Zij kan pas opzeggen tegen 1 mei 2026, omdat de verlengde verzekering opnieuw voor een vol jaar geldt en niet tussentijds opzegbaar is
  2. Zij kan alleen opzeggen als de nieuwe aanbieder de opzegging namens haar verzorgt en de verzekeraar daar binnen twee maanden mee instemt
  3. Zij kan de verlengde verzekering elke dag opzeggen met een opzegtermijn van één maand, zodat de dekking eind oktober 2025 eindigt
  4. Zij kan de verlengde verzekering opzeggen met een termijn van twee maanden, gerekend vanaf de eerstvolgende premievervaldag

Volgens de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen particuliere schade- en inkomensverzekeringen (Verbond van Verzekeraars) is een stilzwijgend verlengde consumentenpolis dagelijks opzegbaar met een opzegtermijn van één maand. De wettelijke termijn van twee maanden van art. 7:940 lid 1 BW geldt bij opzegging tegen het einde van de periode; de gedragscode geeft de consument een ruimere mogelijkheid.

25. De verzekeraar van meneer Bakker deelt op 1 juni mee dat de premie van zijn autoverzekering per 1 augustus met 15 % stijgt vanwege gestegen schadelasten, als onderdeel van een wijziging voor alle klanten. Meneer Bakker wil dit niet accepteren. Wat is juist?

  1. Hij mag de wijziging weigeren en de oude premie blijven betalen, waarna de verzekeraar de polis pas na twee jaar mag beëindigen
  2. Hij is tot het einde van de lopende verzekeringsperiode gebonden aan de nieuwe premie, omdat een en-blocwijziging collectief van aard is
  3. Hij mag de verzekering alleen opzeggen als de premieverhoging meer dan 25 % bedraagt; daaronder geldt de wijziging als redelijk
  4. Hij mag opzeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in ieder geval gedurende één maand nadat de wijziging is meegedeeld

Art. 7:940 lid 4 BW geeft de verzekeringnemer bij een premieverhoging of een wijziging van de voorwaarden in zijn nadeel het recht de verzekering op te zeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in ieder geval gedurende één maand na de mededeling. Dit recht geldt niet als de wijziging voortvloeit uit een wettelijke regeling of uit een vooraf overeengekomen objectieve maatstaf, zoals een indexclausule.

26. Na de derde schadeclaim in twee jaar wil de verzekeraar de inboedelverzekering van mevrouw Vermeulen tussentijds beëindigen. In de polisvoorwaarden staat dat de verzekeraar na een gemelde schade mag opzeggen. Wat geldt hier?

  1. De verzekeraar mag alleen opzeggen als hij ook de laatste schadeclaim van mevrouw Vermeulen afwijst en de premie terugbetaalt
  2. De verzekeraar mag niet opzeggen: tussentijdse beëindiging na een schade is voor consumentenverzekeringen wettelijk uitgesloten
  3. De verzekeraar mag met onmiddellijke ingang opzeggen, omdat drie schades in twee jaar volgens de wet een dringende reden vormen
  4. De verzekeraar mag opzeggen omdat het is bedongen, met een termijn van twee maanden; de klant krijgt hetzelfde recht

Tussentijdse opzegging door de verzekeraar kan alleen op gronden die in de polis staan (art. 7:940 lid 3 BW); opzegging na een schademelding is een gebruikelijk beding. Daarbij geldt een termijn van ten minste twee maanden, tenzij de verzekeringnemer met opzet tot misleiding heeft gehandeld. Heeft de verzekeraar zich dit recht voorbehouden, dan heeft de verzekeringnemer volgens hetzelfde artikel dezelfde bevoegdheid.

27. Meneer Driessen heeft een aanvullende ziektekostenverzekering. Na een diagnose van een chronische ziekte lopen zijn declaraties sterk op. De verzekeraar wil de verzekering daarom tussentijds opzeggen en beroept zich op de opzegclausule in de voorwaarden. Wat is juist?

  1. De verzekeraar mag opzeggen met een termijn van twee maanden, omdat de voorwaarden hem daartoe uitdrukkelijk de bevoegdheid geven
  2. De verzekeraar mag niet opzeggen: bij een persoonsverzekering kan hij de overeenkomst niet beëindigen wegens een verzwaard gezondheidsrisico
  3. De verzekeraar mag alleen beëindigen als hij meneer Driessen een vergelijkbare dekking bij een andere verzekeraar aanbiedt
  4. De verzekeraar mag opzeggen, mits hij de al gemaakte zorgkosten van het lopende jaar eerst volledig heeft vergoed

Art. 7:940 lid 5 BW bepaalt dat de verzekeraar een persoonsverzekering niet kan beëindigen of wijzigen op grond van een verzwaring van het gezondheidsrisico dat in de persoon van de verzekerde is gelegen. Een aanvullende ziektekostenverzekering betreft de gezondheid en is dus een persoonsverzekering (art. 7:925 lid 2 BW). Een opzegclausule in de voorwaarden kan deze dwingendrechtelijke bescherming niet opzijzetten.

28. Wat is de strekking van de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen particuliere schade- en inkomensverzekeringen van het Verbond van Verzekeraars?

  1. Verzekeraars mogen particuliere schadeverzekeringen alleen nog voor één jaar aangaan en elke verlenging vereist een nieuwe handtekening
  2. Verzekeraars moeten de klant bij verlenging altijd een lagere premie aanbieden dan die van het eerste contractjaar
  3. Verzekeraars moeten elke polis na het eerste jaar automatisch omzetten in een contract voor onbepaalde tijd zonder enige opzegtermijn
  4. Verzekeraars informeren vóór de verlenging, verlengde polissen zijn maandelijks opzegbaar en meerjarige looptijd vergt instemming

De Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen (Verbond van Verzekeraars) verplicht verzekeraars de consument vóór de verlenging duidelijk te informeren over de nieuwe looptijd en de opzegmogelijkheden. Na de eerste contractstermijn is de verlengde polis dagelijks opzegbaar met een termijn van één maand; een looptijd van meer dan een jaar mag alleen met uitdrukkelijke instemming van de klant.

29. Wat is de functie van de Letselschaderichtlijnen van De Letselschade Raad bij de behandeling van een letselschade?

  1. Zij bevatten de wettelijk vastgestelde maximumbedragen die een aansprakelijkheidsverzekeraar per slachtoffer en per schadepost mag uitkeren
  2. Zij geven normbedragen en rekenregels voor veelvoorkomende schadeposten, zodat partijen die sneller en eenduidig kunnen afwikkelen
  3. Zij schrijven voor welke medisch specialist het letsel moet beoordelen voordat de verzekeraar een voorschot mag betalen
  4. Zij bepalen de verdeling van de aansprakelijkheid tussen verzekeraars bij een aanrijding met meerdere voertuigen

De Letselschaderichtlijnen zijn opgesteld door De Letselschade Raad, waarin slachtofferorganisaties, verzekeraars en belangenbehartigers samenwerken. Zij normeren posten zoals huishoudelijke hulp, zelfwerkzaamheid, studievertraging, kilometervergoeding en licht letsel, zodat daarover niet per dossier hoeft te worden onderhandeld. Het zijn geen wettelijke maxima: bij bijzondere omstandigheden mag worden afgeweken.

30. Waarvoor wordt de Richtlijn Waardevermindering Personenauto's gebruikt bij de afwikkeling van een verkeersschade?

  1. Voor het vaststellen van de dagwaarde van een total-lossauto op basis van de gemiddelde vraagprijzen van vergelijkbare auto's op de markt
  2. Voor het berekenen van de jaarlijkse afschrijving die een cascoverzekeraar hanteert bij een nieuwwaarderegeling van drie jaar
  3. Voor het begroten van de waardevermindering die een deugdelijk herstelde auto na een schade toch behoudt
  4. Voor het bepalen of een auto na een aanrijding technisch nog veilig genoeg is om te worden gerepareerd en weer toegelaten

Een auto die na een aanrijding vakkundig is hersteld, is in de handel vaak minder waard dan een schadevrij exemplaar. De Richtlijn Waardevermindering Personenauto's geeft schade-experts een rekenmethode om die waardevermindering te begroten aan de hand van herstelkosten, dagwaarde en leeftijd, zodat de benadeelde die post bij de aansprakelijke partij kan vorderen. De dagwaarde bij total loss wordt anders bepaald.

31. Meneer Groen dient na een inbraak facturen in voor een televisie en een laptop die hij nooit heeft bezeten. De fraudecoördinator van de verzekeraar stelt dit na onderzoek vast. Welke gevolgen kan meneer Groen verwachten op grond van het Protocol Verzekeraars & Criminaliteit?

  1. De verzekeraar keert alleen de aantoonbare inbraakschade uit en verhoogt bij de volgende verlenging de premie met een fraudetoeslag
  2. De verzekeraar keert de helft van de geclaimde schade uit en schakelt voor het overige de politie in
  3. De verzekeraar moet de schade volledig vergoeden, maar mag de zaak melden bij het Kifid, dat een boete kan opleggen
  4. De verzekeraar keert niets uit, kan de polis beëindigen, hem in de waarschuwingsregisters opnemen, aangifte doen en de kosten verhalen

Het Protocol Verzekeraars & Criminaliteit van het Verbond van Verzekeraars beschrijft hoe verzekeraars fraude voorkomen, onderzoeken en bestrijden. Bij vastgestelde fraude zijn de gebruikelijke maatregelen: weigering van de uitkering, beëindiging van de verzekering, registratie in het incidentenregister en het extern verwijzingsregister, aangifte en verhaal van onderzoekskosten. Het Kifid legt geen boetes op.

32. Wat is in hoofdlijnen de strekking van de Gedragscode Behandeling Letselschade?

  1. De code verplicht aansprakelijkheidsverzekeraars elk letseldossier binnen zes maanden af te wikkelen tegen een bedrag uit een vaste tabel
  2. De code zet het slachtoffer centraal met regels over tempo en transparantie, zoals een aansprakelijkheidsstandpunt binnen drie maanden
  3. De code regelt de verdeling van de schadelast tussen de WAM-verzekeraar en de zorgverzekeraar van het slachtoffer bij een verkeersongeval
  4. De code bepaalt welke belangenbehartiger een slachtoffer mag inschakelen en hoe diens kosten worden gemaximeerd

De Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) van De Letselschade Raad bevat gedragsregels voor een respectvolle, transparante en voortvarende afwikkeling: het slachtoffer staat centraal, de verzekeraar neemt binnen drie maanden na de aansprakelijkstelling een standpunt in, partijen streven naar afwikkeling binnen twee jaar en evalueren jaarlijks. Wettelijke tabellen of een termijn van zes maanden kent de code niet.

33. Welke stelling over de Kwaliteitscode Rechtsbijstand van het Verbond van Verzekeraars is juist?

  1. De code verplicht rechtsbijstandverzekeraars elke zaak door een externe advocaat te laten behandelen zodra de klant dat uitdrukkelijk vraagt
  2. De code regelt hoe rechtsbijstandverzekeraars onderling de kosten verdelen als beide partijen bij een conflict verzekerd zijn
  3. De code bepaalt de maximale premie die een rechtsbijstandverzekeraar voor een gezinsdekking in rekening mag brengen
  4. De code stelt kwaliteitseisen aan rechtsbijstandverzekeraars over deskundigheid, informatie, klachtbehandeling en geschillenregeling

De Kwaliteitscode Rechtsbijstand is zelfregulering van het Verbond van Verzekeraars voor rechtsbijstandverzekeraars. Zij eist onder meer deskundige behandelaars, duidelijke informatie over dekking en vrije advocaatkeuze, een zorgvuldige klachtenprocedure en een geschillenregeling bij verschil van mening over de haalbaarheid. Een advocaat naar keuze is verplicht bij een gerechtelijke procedure, niet bij elk verzoek.

34. Hoe verhouden een richtlijn, een gedragscode en een convenant zich tot elkaar in de schadeverzekeringspraktijk?

  1. Een richtlijn is een Europese verordening, een gedragscode een Nederlandse wet en een convenant een besluit van de toezichthouder AFM
  2. Een richtlijn is alleen bindend voor de rechter, een gedragscode alleen voor tussenpersonen en een convenant alleen voor de overheid
  3. Een richtlijn geldt alleen bij letselschade, een gedragscode alleen bij materiële schade en een convenant alleen bij fraudebestrijding
  4. Een richtlijn normeert schadevaststelling, een gedragscode gedrag van verzekeraars, een convenant is een afspraak tussen partijen

De drie instrumenten zijn vormen van zelfregulering, geen wetgeving. Een richtlijn (zoals de Letselschaderichtlijnen) geeft normbedragen of rekenregels voor de schadevaststelling; een gedragscode (zoals de Gedragscode Letselschade) legt vast hoe verzekeraars zich tegenover klanten en slachtoffers gedragen; een convenant (zoals de Kwaliteitscode Rechtsbijstand) is een afspraak tussen partijen. De AFM stelt ze niet op.

35. Sven, zeventien jaar, sluit via een website zelf een scooterverzekering af voor de bromfiets die hij van zijn spaargeld heeft gekocht. Zijn ouders weten van niets. Wat is de rechtspositie van deze overeenkomst?

  1. De overeenkomst is vernietigbaar als toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger ontbreekt en de handeling voor zijn leeftijd ongewoon is
  2. De overeenkomst is geldig, omdat een minderjarige die zelf de premie kan betalen voor de wet als handelingsbekwaam wordt beschouwd
  3. De overeenkomst is nietig, omdat een minderjarige nooit zelf een verzekering kan sluiten en de verzekeraar de premie moet terugbetalen
  4. De overeenkomst is geldig, mits Sven binnen een maand na het sluiten ervan een kopie van de polis aan zijn ouders overhandigt

Een minderjarige is handelingsonbekwaam, tenzij hij handelt met toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger (art. 1:234 BW). Die toestemming wordt verondersteld voor rechtshandelingen die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn voor een minderjarige van die leeftijd. Ontbreekt de toestemming en is de handeling niet gebruikelijk, dan is de overeenkomst vernietigbaar (art. 3:32 BW), niet nietig.

Gratis beginnen