Elke particuliere schadeverzekering rust op Boek 7, titel 17 BW (art. 7:925 tot en met 7:963). De kandidaat herkent een verzekeringsovereenkomst, onderscheidt schade- en sommenverzekeringen, kent de gevolgen van te late premiebetaling en van verzwijging, weet wanneer een polis opzegbaar is en kan de relevante richtlijnen, gedragscodes en convenanten noemen.
Art. 7:925 BW omschrijft de verzekering als een overeenkomst waarbij de verzekeringnemer premie betaalt en de verzekeraar een uitkering doet, terwijl bij het sluiten onzeker is of, wanneer of tot welk bedrag wordt uitgekeerd. Een schadeverzekering (art. 7:944 BW) vergoedt vermogensschade; een sommenverzekering (art. 7:964 BW) keert een vooraf afgesproken bedrag uit, los van de werkelijke schade. Een persoonsverzekering (art. 7:925 lid 2 BW) betreft het leven of de gezondheid van een mens; de ziektekostenverzekering is er een, en tegelijk een schadeverzekering.
De mededelingsplicht van art. 7:928 BW verplicht de verzekeringnemer de feiten te melden die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij begrijpt dat de acceptatie ervan afhangt; een strafrechtelijk verleden telt alleen over de laatste acht jaar. Ontdekt de verzekeraar verzwijging, dan meldt hij dat binnen twee maanden (art. 7:929 BW); de uitkering wordt naar evenredigheid verlaagd of geweigerd, en bij opzet tot misleiding vervalt zij geheel (art. 7:930 BW). Een onbetaalde vervolgpremie schorst de dekking pas na een aanmaning met een termijn van veertien dagen (art. 7:934 BW). Geen dekking is er bij schade door aard of eigen gebrek van de zaak (art. 7:951 BW) of door opzet of roekeloosheid van de verzekerde (art. 7:952 BW). Na een schade gelden de bereddingsplicht (art. 7:957 BW) en de meldingsplicht (art. 7:941 BW); vorderingen verjaren na drie jaar (art. 7:942 BW).
Het indemniteitsbeginsel (art. 7:960 BW) verbiedt dat de verzekerde door de uitkering in een duidelijk voordeliger positie komt; nieuwwaardedekking en voortaxatie door een deskundige zijn de uitzonderingen. Het verzekerd bedrag volgt uit een waardemeter of taxatie en wordt geïndexeerd; de polis noemt de waardemaatstaf (nieuwwaarde, dagwaarde, herbouwwaarde, verkoopwaarde). Bij samenloop (art. 7:961 BW) mag de verzekerde elke verzekeraar aanspreken; de verzekeraars verrekenen onderling naar evenredigheid. Door subrogatie (art. 7:962 BW) treedt de verzekeraar in de rechten van de verzekerde tegenover de aansprakelijke derde.
Opzegging tegen het einde van de looptijd vraagt twee maanden (art. 7:940 BW); na stilzwijgende verlenging mag de consument volgens de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen dagelijks opzeggen met een maand opzegtermijn. Het acceptatieproces loopt van aanvraag via beoordeling van het morele en materiële risico naar acceptatie, acceptatie onder voorwaarden of afwijzing, zo nodig met voorlopige dekking. De premie bestaat uit risicopremie, opslagen voor kosten en winst, poliskosten en 21 % assurantiebelasting (ziektekosten- en ongevallenverzekeringen zijn vrijgesteld). Verder: de Letselschaderichtlijnen, de Richtlijn Waardevermindering Personenauto's, het Protocol Verzekeraars & Criminaliteit, de Gedragscode Letselschade, de Kwaliteitscode Rechtsbijstand en de regels over minderjarigen, curatele, bewind en art. 1:88 BW.
1. Welk element is volgens art. 7:925 BW een noodzakelijk bestanddeel van elke verzekeringsovereenkomst?
Art. 7:925 lid 1 BW noemt drie bestanddelen: de verzekeringnemer verbindt zich tot premiebetaling, de verzekeraar tot een uitkering, en bij het sluiten bestaat onzekerheid of, wanneer of tot welk bedrag wordt uitgekeerd. De vergunning van DNB is een toezichtseis uit de Wft, geen definitie-element; een vaste som kenmerkt alleen de sommenverzekering en vooruitbetaling is geen wettelijke voorwaarde.
2. Mevrouw De Wit stort maandelijks € 50 bij een aanbieder die haar na tien jaar het totaal van de inleg plus een vaste rente terugbetaalt, wat er ook gebeurt. Zij vraagt haar adviseur of dit een verzekering is. Wat is juist?
Zonder onzekerheid is er geen verzekering: art. 7:925 BW eist dat bij het sluiten voor partijen niet vaststaat of, wanneer of tot welk bedrag een uitkering volgt. Hier staan bedrag en moment vooraf vast, dus het is een spaarproduct. Een verzekering hoeft niet aan schade of letsel gekoppeld te zijn: een sommenverzekering keert een vast bedrag uit, maar wel bij een onzekere gebeurtenis.
3. Wat is het kenmerkende verschil tussen een schadeverzekering en een sommenverzekering?
Art. 7:944 BW omschrijft de schadeverzekering als een verzekering die vermogensschade vergoedt; art. 7:964 BW omschrijft de sommenverzekering als een verzekering waarbij de uitkering losstaat van de vraag of en hoeveel schade is geleden. Het object (zaak of persoon) is niet beslissend: een ongevallenverzekering betreft een persoon en wordt door schadeverzekeraars gevoerd, maar is een sommenverzekering.
4. Mevrouw Koster heeft een ongevallenverzekering die bij blijvende invaliditeit een percentage van een verzekerd bedrag van € 50.000 uitkeert, en daarnaast een basiszorgverzekering die haar medische kosten vergoedt. Welke van deze verzekeringen is een sommenverzekering?
De ongevallenverzekering keert een vooraf afgesproken bedrag (of een percentage daarvan) uit zonder dat de werkelijke schade wordt vastgesteld: dat is de sommenverzekering van art. 7:964 BW. De zorgverzekering vergoedt gemaakte kosten en is dus een schadeverzekering (art. 7:944 BW), ook al betreft zij de gezondheid van een persoon. Een sommenverzekering is niet beperkt tot levensverzekeringen.
5. Wanneer is een schadeverzekering volgens art. 7:925 lid 2 BW tevens een persoonsverzekering?
Art. 7:925 lid 2 BW noemt persoonsverzekering de verzekering die het leven of de gezondheid van een mens betreft. Een ziektekostenverzekering is daarom zowel een schadeverzekering (zij vergoedt kosten) als een persoonsverzekering; dat heeft gevolgen, bijvoorbeeld voor de opzegging bij een verslechterde gezondheid. De hoedanigheid van de verzekeringnemer of de wijze van premieberekening is niet bepalend.
6. Meneer Yilmaz heeft via zijn werkgever een collectieve ongevallenverzekering en privé een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren. Welke van deze verzekeringen is een persoonsverzekering in de zin van het Burgerlijk Wetboek?
Een persoonsverzekering betreft volgens art. 7:925 lid 2 BW het leven of de gezondheid van een mens; de ongevallenverzekering keert uit bij overlijden of blijvende invaliditeit door een ongeval en valt daar dus onder. De aansprakelijkheidsverzekering dekt het vermogen van de verzekerde tegen aanspraken van derden en is geen persoonsverzekering, ook al is de verzekerde een natuurlijk persoon.
7. De vervolgpremie van de opstalverzekering van mevrouw Peeters vervalt op 1 maart. Zij betaalt niet. Op 10 maart ontvangt zij een aanmaning waarin de verzekeraar de gevolgen van niet-betaling noemt en een betaaltermijn van veertien dagen stelt. Zij betaalt nog steeds niet. Op 2 april beschadigt een storm het dak. Wat is juist?
Art. 7:934 BW bepaalt dat het niet betalen van een vervolgpremie pas tot schorsing of beëindiging van de dekking kan leiden nadat de verzekeringnemer na de vervaldag vruchteloos is aangemaand met een termijn van veertien dagen, onder vermelding van de gevolgen. Die termijn liep hier op 24 maart af, dus op 2 april was de dekking geschorst. De dekking vervalt dus niet automatisch op de vervaldag zelf.
8. Welk verschil bestaat er in de gevolgen van het niet betalen van de eerste premie en van een vervolgpremie van een schadeverzekering?
De wettelijke bescherming van art. 7:934 BW (aanmaning, termijn van veertien dagen, vermelding van de gevolgen) geldt uitdrukkelijk voor de tweede en volgende premietermijnen. Voor de eerste premie bepalen de polisvoorwaarden doorgaans dat de dekking niet ingaat of niet is ingegaan als niet binnen de gestelde termijn is betaald; de verzekeraar stuurt in de praktijk wel een herinnering, maar de wet eist die niet.
9. Op 1 maart vervalt de vervolgpremie van de inboedelverzekering van meneer Jansen. Hij betaalt niet, ontvangt op 8 maart een aanmaning die de gevolgen en een betaaltermijn van veertien dagen noemt, en betaalt de premie pas op 20 april. Op 15 april was er een inbraak in zijn woning. Wat is juist?
Na de vruchteloze aanmaning van art. 7:934 BW was de dekking vanaf 22 maart geschorst. Polisvoorwaarden laten de dekking na volledige betaling herleven, maar alleen voor gebeurtenissen na het moment van herleven (meestal de dag na ontvangst van de betaling). Een schade tijdens de schorsing blijft dus voor rekening van de verzekeringnemer; de polis is niet vernietigd, alleen de dekking was opgeschort.
10. Wat bepaalt art. 7:951 BW over schade aan een verzekerde zaak die is veroorzaakt door de aard of een eigen gebrek van die zaak?
Art. 7:951 BW bepaalt dat de verzekeraar geen schade vergoedt aan een verzekerde zaak die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van die zaak, zoals rot, slijtage of een constructiefout. Het is regelend recht: partijen kunnen in de polis wel dekking overeenkomen, bijvoorbeeld voor gevolgschade van een eigen gebrek. De uitsluiting staat niet in de lijst van dwingende bepalingen van art. 7:963 BW.
11. Meneer De Boer rijdt met 140 km per uur door een woonwijk om indruk te maken op vrienden, verliest de macht over het stuur en rijdt zijn eigen auto total loss tegen een lantaarnpaal. Hij heeft een volledige cascoverzekering. Wat is juist?
Art. 7:952 BW bepaalt dat de verzekeraar geen schade vergoedt aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. Bewust met een extreme snelheid door een woonwijk rijden is roekeloos gedrag, zodat de cascoschade voor eigen rekening blijft. De wet kent geen halvering of eigen risico van 50 %; de bonus-malus is een premiemechanisme, geen dekkingsregel.
12. De ex-partner van meneer Hendriks, die al een jaar niet meer bij hem woont, steekt uit wraak zijn woning in brand. De inboedel gaat verloren. Meneer Hendriks heeft een inboedelverzekering met brand als gedekte gebeurtenis. Hoe beoordeelt de verzekeraar deze schade?
De opzetuitsluiting van art. 7:952 BW ziet op opzet of roekeloosheid van de verzekerde zelf, niet op die van een derde. Brand blijft voor meneer Hendriks een onzeker voorval, dus de inboedelverzekeraar keert uit en verhaalt daarna via subrogatie (art. 7:962 BW) op de brandstichter. De ex-partner behoort niet meer tot de huishouding en is geen medeverzekerde, wat de uitkomst hier niet verandert.
13. Meneer Achterberg koopt op vrijdagmiddag een auto. Zijn adviseur, die geen volmacht heeft, vraagt bij de verzekeraar voorlopige dekking aan. De verzekeraar bevestigt per e-mail: WA- en cascodekking vanaf 15.00 uur, totdat over de aanvraag is beslist, maximaal dertig dagen. Wat is de juridische situatie?
Voorlopige dekking is een volwaardige, tijdelijke verzekeringsovereenkomst in de zin van art. 7:925 BW: de verzekeraar draagt het risico vanaf het afgesproken moment tot hij over de aanvraag heeft beslist of de maximumtermijn is verstreken. Zij verplicht de verzekeraar niet om de definitieve aanvraag te accepteren; hij mag na het acceptatieonderzoek alsnog afwijzen, waarna de voorlopige dekking eindigt.
14. Mevrouw Bos vraagt vrijdagavond telefonisch een inboedelverzekering aan bij haar adviseur, een bemiddelaar zonder volmacht. De adviseur zegt: 'U bent vanaf nu verzekerd, ik regel maandag de polis.' Handelt de adviseur juist?
Een bemiddelaar zonder volmacht sluit geen verzekeringen; hij brengt ze tot stand tussen klant en verzekeraar (art. 1:1 Wft). Voorlopige dekking kan alleen de verzekeraar zelf of een gevolmachtigd agent verlenen. De adviseur moet de dekking dus aanvragen en de bevestiging afwachten; wie zelf dekking toezegt, wekt een schijn van verzekering en kan bij een schade in het weekend aansprakelijk zijn.
15. Wat houdt het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW in?
Art. 7:960 BW bepaalt dat de verzekerde krachtens een schadeverzekering geen vergoeding ontvangt waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken: de schadeverzekering vergoedt schade, zij mag geen bron van winst zijn. De nieuwwaarderegeling is daarmee niet in strijd, omdat het woord 'duidelijk' een beperkte overcompensatie toelaat. De betaalde premie speelt bij de hoogte van de uitkering geen rol.
16. Mevrouw Lammers heeft een schilderij laten taxeren door een beëdigd taxateur op € 40.000 en het voor dat bedrag op een kostbaarhedenverzekering laten zetten. Bij een woningbrand gaat het verloren; de marktwaarde blijkt inmiddels tot € 30.000 gedaald. Wat mag de verzekeraar doen?
Art. 7:960 BW maakt een uitzondering op het indemniteitsbeginsel voor een voorafgaande taxatie van de waarde door een deskundige: de getaxeerde waarde geldt dan als de waarde van de zaak, ook als de marktwaarde intussen is gedaald. Bij een partijentaxatie zonder deskundige geldt die uitzondering niet en mag de verzekeraar bewijzen dat de werkelijke waarde lager was. Een middeling kent de wet niet.
17. De familie De Groot heeft haar caravan verzekerd voor een verzekerd bedrag van € 20.000; de polis vergoedt bij totaal verlies de dagwaarde. Na een brand op de camping is de caravan verloren; de dagwaarde blijkt € 9.000 te zijn. Welke uitkering volgt?
Bij een schadeverzekering vergoedt de verzekeraar de werkelijk geleden schade, hier de dagwaarde van € 9.000; het verzekerd bedrag van € 20.000 is alleen de bovengrens van zijn verplichting. Meer uitkeren zou de familie in een duidelijk voordeliger positie brengen, in strijd met het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW. De te hoge dekking is oververzekering: te veel premie, zonder recht op een hogere uitkering.
18. Welke feiten moet een aspirant-verzekeringnemer volgens art. 7:928 BW vóór het sluiten van een schadeverzekering aan de verzekeraar meedelen?
Art. 7:928 lid 1 BW verplicht de verzekeringnemer vóór het sluiten alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij begrijpt dat de beslissing van de verzekeraar ervan afhangt. Feiten die de verzekeraar al kent of die algemeen bekend zijn, vallen erbuiten (lid 4). Bij een vragenlijst hoeft de klant niets te melden waarnaar niet is gevraagd (lid 6), tenzij hij opzettelijk misleidt.
19. Meneer Vos vraagt een autoverzekering aan. Op het aanvraagformulier staat de vraag of hij in de afgelopen acht jaar met de strafrechter in aanraking is geweest. Tien jaar geleden is hij veroordeeld voor verzekeringsfraude. Hij beantwoordt de vraag met 'nee'. Wat is juist?
Art. 7:928 lid 5 BW beperkt de mededelingsplicht over het strafrechtelijk verleden tot feiten uit de acht jaar vóór het sluiten van de verzekering, en alleen voor zover de verzekeraar er uitdrukkelijk naar vraagt. Een veroordeling van tien jaar geleden valt buiten die termijn, dus het antwoord 'nee' is juist. Wel is een strafrechtelijk verleden binnen acht jaar voor de acceptatie relevant als moreel risico.
20. Mevrouw Aydin verzweeg bij het sluiten van haar opstalverzekering een eerdere waterschadeclaim waarnaar op het formulier was gevraagd. Twee jaar later beschadigt een storm haar dak. De verzekeraar had haar bij kennis van de claim wel geaccepteerd, maar met een hoger eigen risico voor waterschade. Wat is juist?
Art. 7:930 lid 2 BW bepaalt dat de uitkering onverkort plaatsvindt als de niet meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals dit zich heeft verwezenlijkt. Een eerdere waterschade zegt niets over het stormrisico, dus de stormschade wordt volledig vergoed. De evenredige verlaging (lid 3) en de weigering (lid 4 en 5) gelden alleen als het verzwegen feit met de schade samenhangt.
21. Bij de behandeling van een inbraakschade ontdekt de verzekeraar op 3 februari dat meneer Kuipers bij de aanvraag een eerdere inbraakclaim heeft verzwegen. Pas op 20 mei schrijft de verzekeraar hem dat hij daarom de uitkering wil verlagen. Wat is het gevolg van deze gang van zaken?
Art. 7:929 lid 1 BW verplicht de verzekeraar die verzwijging ontdekt, de verzekeringnemer daarop binnen twee maanden na de ontdekking te wijzen, onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Laat hij die termijn verstrijken, dan verliest hij de bevoegdheden van de artikelen 7:929 en 7:930 BW: hij kan niet meer opzeggen en de uitkering niet meer verlagen. De termijn loopt vanaf de ontdekking.
22. Meneer Kamphuis geeft bij de aanvraag van een inboedelverzekering bewust een vals adres op, omdat zijn werkelijke woning in een gebied ligt waar de verzekeraar geen inboedel accepteert. Na een inbraak komt dit aan het licht. Welke gevolgen heeft dit?
Bij verzwijging met het opzet de verzekeraar te misleiden vervalt volgens art. 7:930 lid 5 BW elk recht op uitkering, en art. 7:929 lid 2 BW laat de verzekeraar de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met onmiddellijke ingang opzeggen. Bovendien had de verzekeraar het risico bij juiste opgave niet geaccepteerd (lid 4), wat al tot weigering leidt. Het adres bepaalt het risico en valt onder de meldplicht.
23. Welke opzegtermijn geldt volgens art. 7:940 BW wanneer een schadeverzekering wordt opgezegd tegen het einde van de verzekeringsperiode om verlenging te voorkomen?
Art. 7:940 lid 1 BW schrijft voor dat bij opzegging tegen het einde van een verzekeringsperiode, om verlenging te verhinderen, een termijn van ten minste twee maanden in acht wordt genomen. Die termijn geldt voor beide partijen. Voor consumenten gaat de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen verder: na een stilzwijgende verlenging mag de klant dagelijks opzeggen met een termijn van één maand.
24. Mevrouw Sanders sloot op 1 mei 2024 een reisverzekering met een looptijd van een jaar. De polis is op 1 mei 2025 stilzwijgend verlengd. Op 10 september 2025 wil zij overstappen naar een goedkopere aanbieder. Wat geldt voor haar opzegmogelijkheid?
Volgens de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen particuliere schade- en inkomensverzekeringen (Verbond van Verzekeraars) is een stilzwijgend verlengde consumentenpolis dagelijks opzegbaar met een opzegtermijn van één maand. De wettelijke termijn van twee maanden van art. 7:940 lid 1 BW geldt bij opzegging tegen het einde van de periode; de gedragscode geeft de consument een ruimere mogelijkheid.
25. De verzekeraar van meneer Bakker deelt op 1 juni mee dat de premie van zijn autoverzekering per 1 augustus met 15 % stijgt vanwege gestegen schadelasten, als onderdeel van een wijziging voor alle klanten. Meneer Bakker wil dit niet accepteren. Wat is juist?
Art. 7:940 lid 4 BW geeft de verzekeringnemer bij een premieverhoging of een wijziging van de voorwaarden in zijn nadeel het recht de verzekering op te zeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in ieder geval gedurende één maand na de mededeling. Dit recht geldt niet als de wijziging voortvloeit uit een wettelijke regeling of uit een vooraf overeengekomen objectieve maatstaf, zoals een indexclausule.
26. Na de derde schadeclaim in twee jaar wil de verzekeraar de inboedelverzekering van mevrouw Vermeulen tussentijds beëindigen. In de polisvoorwaarden staat dat de verzekeraar na een gemelde schade mag opzeggen. Wat geldt hier?
Tussentijdse opzegging door de verzekeraar kan alleen op gronden die in de polis staan (art. 7:940 lid 3 BW); opzegging na een schademelding is een gebruikelijk beding. Daarbij geldt een termijn van ten minste twee maanden, tenzij de verzekeringnemer met opzet tot misleiding heeft gehandeld. Heeft de verzekeraar zich dit recht voorbehouden, dan heeft de verzekeringnemer volgens hetzelfde artikel dezelfde bevoegdheid.
27. Meneer Driessen heeft een aanvullende ziektekostenverzekering. Na een diagnose van een chronische ziekte lopen zijn declaraties sterk op. De verzekeraar wil de verzekering daarom tussentijds opzeggen en beroept zich op de opzegclausule in de voorwaarden. Wat is juist?
Art. 7:940 lid 5 BW bepaalt dat de verzekeraar een persoonsverzekering niet kan beëindigen of wijzigen op grond van een verzwaring van het gezondheidsrisico dat in de persoon van de verzekerde is gelegen. Een aanvullende ziektekostenverzekering betreft de gezondheid en is dus een persoonsverzekering (art. 7:925 lid 2 BW). Een opzegclausule in de voorwaarden kan deze dwingendrechtelijke bescherming niet opzijzetten.
28. Wat is de strekking van de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen particuliere schade- en inkomensverzekeringen van het Verbond van Verzekeraars?
De Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen (Verbond van Verzekeraars) verplicht verzekeraars de consument vóór de verlenging duidelijk te informeren over de nieuwe looptijd en de opzegmogelijkheden. Na de eerste contractstermijn is de verlengde polis dagelijks opzegbaar met een termijn van één maand; een looptijd van meer dan een jaar mag alleen met uitdrukkelijke instemming van de klant.
29. Wat is de functie van de Letselschaderichtlijnen van De Letselschade Raad bij de behandeling van een letselschade?
De Letselschaderichtlijnen zijn opgesteld door De Letselschade Raad, waarin slachtofferorganisaties, verzekeraars en belangenbehartigers samenwerken. Zij normeren posten zoals huishoudelijke hulp, zelfwerkzaamheid, studievertraging, kilometervergoeding en licht letsel, zodat daarover niet per dossier hoeft te worden onderhandeld. Het zijn geen wettelijke maxima: bij bijzondere omstandigheden mag worden afgeweken.
30. Waarvoor wordt de Richtlijn Waardevermindering Personenauto's gebruikt bij de afwikkeling van een verkeersschade?
Een auto die na een aanrijding vakkundig is hersteld, is in de handel vaak minder waard dan een schadevrij exemplaar. De Richtlijn Waardevermindering Personenauto's geeft schade-experts een rekenmethode om die waardevermindering te begroten aan de hand van herstelkosten, dagwaarde en leeftijd, zodat de benadeelde die post bij de aansprakelijke partij kan vorderen. De dagwaarde bij total loss wordt anders bepaald.
31. Meneer Groen dient na een inbraak facturen in voor een televisie en een laptop die hij nooit heeft bezeten. De fraudecoördinator van de verzekeraar stelt dit na onderzoek vast. Welke gevolgen kan meneer Groen verwachten op grond van het Protocol Verzekeraars & Criminaliteit?
Het Protocol Verzekeraars & Criminaliteit van het Verbond van Verzekeraars beschrijft hoe verzekeraars fraude voorkomen, onderzoeken en bestrijden. Bij vastgestelde fraude zijn de gebruikelijke maatregelen: weigering van de uitkering, beëindiging van de verzekering, registratie in het incidentenregister en het extern verwijzingsregister, aangifte en verhaal van onderzoekskosten. Het Kifid legt geen boetes op.
32. Wat is in hoofdlijnen de strekking van de Gedragscode Behandeling Letselschade?
De Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) van De Letselschade Raad bevat gedragsregels voor een respectvolle, transparante en voortvarende afwikkeling: het slachtoffer staat centraal, de verzekeraar neemt binnen drie maanden na de aansprakelijkstelling een standpunt in, partijen streven naar afwikkeling binnen twee jaar en evalueren jaarlijks. Wettelijke tabellen of een termijn van zes maanden kent de code niet.
33. Welke stelling over de Kwaliteitscode Rechtsbijstand van het Verbond van Verzekeraars is juist?
De Kwaliteitscode Rechtsbijstand is zelfregulering van het Verbond van Verzekeraars voor rechtsbijstandverzekeraars. Zij eist onder meer deskundige behandelaars, duidelijke informatie over dekking en vrije advocaatkeuze, een zorgvuldige klachtenprocedure en een geschillenregeling bij verschil van mening over de haalbaarheid. Een advocaat naar keuze is verplicht bij een gerechtelijke procedure, niet bij elk verzoek.
34. Hoe verhouden een richtlijn, een gedragscode en een convenant zich tot elkaar in de schadeverzekeringspraktijk?
De drie instrumenten zijn vormen van zelfregulering, geen wetgeving. Een richtlijn (zoals de Letselschaderichtlijnen) geeft normbedragen of rekenregels voor de schadevaststelling; een gedragscode (zoals de Gedragscode Letselschade) legt vast hoe verzekeraars zich tegenover klanten en slachtoffers gedragen; een convenant (zoals de Kwaliteitscode Rechtsbijstand) is een afspraak tussen partijen. De AFM stelt ze niet op.
35. Sven, zeventien jaar, sluit via een website zelf een scooterverzekering af voor de bromfiets die hij van zijn spaargeld heeft gekocht. Zijn ouders weten van niets. Wat is de rechtspositie van deze overeenkomst?
Een minderjarige is handelingsonbekwaam, tenzij hij handelt met toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger (art. 1:234 BW). Die toestemming wordt verondersteld voor rechtshandelingen die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn voor een minderjarige van die leeftijd. Ontbreekt de toestemming en is de handeling niet gebruikelijk, dan is de overeenkomst vernietigbaar (art. 3:32 BW), niet nietig.