Een aansprakelijkheidsverzekering beschermt het vermogen van de verzekerde tegen aanspraken van derden. Eerst komt het aansprakelijkheidsrecht van Boek 6 BW, daarna de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP), de jagersdekking (hoofdstuk 3 Wet natuurbescherming) en de pleziervaartuigen.
Contractuele aansprakelijkheid ontstaat door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst (art. 6:74 BW); wettelijke aansprakelijkheid vloeit buiten overeenkomst uit de wet voort. Schuldaansprakelijkheid vereist een verwijtbare gedraging (art. 6:162 BW); risicoaansprakelijkheid treft iemand vanwege zijn hoedanigheid, zonder eigen verwijt. Die laatste heet ook kwalitatieve aansprakelijkheid: ouder van een kind jonger dan veertien (art. 6:169 lid 1 BW), werkgever (art. 6:170 BW), bezitter van een gebrekkige roerende zaak (art. 6:173 BW), van een opstal (art. 6:174 BW) of van een dier (art. 6:179 BW). Bij een kind van veertien of vijftien geldt een vermoeden van schuld: de ouder is aansprakelijk tenzij hem niet valt te verwijten dat hij de gedraging niet heeft belet (art. 6:169 lid 2 BW). Bij bedrijfsmatig gebruik verschuift zij naar de gebruiker (art. 6:181 BW). Het aansprakelijkheidsrecht is grotendeels aanvullend recht: exoneraties zijn mogelijk, maar niet voor opzet of bewuste roekeloosheid (art. 6:248 lid 2 BW).
Art. 6:162 BW vereist een onrechtmatige daad, toerekenbaarheid, schade en causaal verband; art. 6:163 BW voegt de relativiteit toe. Een kind jonger dan veertien kan zijn gedraging niet worden toegerekend (art. 6:164 BW); een geestelijke of lichamelijke tekortkoming belet toerekening niet (art. 6:165 BW). Vergoed worden vermogensschade (art. 6:95 en 6:96 BW) en, waar de wet dat toelaat, ander nadeel: smartengeld (art. 6:106 BW) en affectieschade (art. 6:107 en 6:108 BW). Derden vorderen verplaatste schade (art. 6:107 BW), loonschade (art. 6:107a BW) en gederfd levensonderhoud (art. 6:108 BW). Eigen schuld vermindert de vergoeding naar evenredigheid (art. 6:101 BW), de rechter kan matigen (art. 6:109 BW) en de vordering verjaart na vijf jaar (art. 3:310 BW). Bij dood of letsel bestaat een directe actie op de verzekeraar (art. 7:954 BW). Regres nemen de zorgverzekeraar (art. 7:962 BW), de werkgever en het UWV.
De AVP dekt de aansprakelijkheid van de verzekerden als particulier, wereldwijd, tot een verzekerd bedrag per gebeurtenis. Verzekerd zijn verzekeringnemer, partner, inwonende en studerende uitwonende kinderen, logés en huispersoneel, ook als bezitter van huisdieren en van de eigen woning. Grenzen: de opzichtclausule (geleende of gehuurde zaken beperkt gedekt), de uitsluiting van motorrijtuigen en grotere vaartuigen (uitzonderingen: fietsen met trapondersteuning, kleine zeil- en roeiboten), opzet en seksueel misdrijf, en aansprakelijkheid tussen verzekerden onderling behalve bij letsel. Proceskosten en wettelijke rente komen boven het verzekerd bedrag; in het buitenland verstrekt de verzekeraar een cautie. Bij samenloop regelt art. 7:961 BW het onderlinge verhaal, met een rol voor na-u-clausules. De jagersdekking is verplicht voor de houder van een jachtakte.
De AVP dekt alleen kleine vaartuigen; de pleziervaartuigverzekering biedt aansprakelijkheids- en cascodekking binnen een vaargebied, eist een vaarbewijs waar de Binnenvaartwet dat verlangt en sluit osmose, slijtage en eigen gebrek uit. Kernbegrippen: nieuw voor oud, abandonnement, averij, aanvaring (Boek 8 BW).
1. Wat is het onderscheid tussen wettelijke en contractuele aansprakelijkheid?
Wettelijke aansprakelijkheid ontstaat buiten overeenkomst, uit de wet zelf: de onrechtmatige daad van art. 6:162 BW en de kwalitatieve aansprakelijkheden van art. 6:169 tot en met 6:184 BW. Contractuele aansprakelijkheid ontstaat door een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst (art. 6:74 BW). Een strafrechtelijke veroordeling is geen voorwaarde; beide vormen komen bij particulieren én ondernemingen voor.
2. Meneer Dijkstra laat zijn badkamer betegelen door een tegelzetter. Door ondeugdelijk voegwerk lekt er water naar de woonkamer van de benedenbuurvrouw, mevrouw Smit. Op welke grondslag kunnen meneer Dijkstra en mevrouw Smit de tegelzetter aanspreken?
Tussen Dijkstra en de tegelzetter bestaat een overeenkomst van aanneming van werk; ondeugdelijk werk is een toerekenbare tekortkoming (art. 6:74 BW). Mevrouw Smit is geen partij bij die overeenkomst en spreekt de tegelzetter aan uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW): waterschade veroorzaken bij een derde is een inbreuk op haar eigendomsrecht. Daarnaast kan zij Dijkstra als bezitter van de gebrekkige opstal aanspreken (art. 6:174 BW).
3. Wat is het verschil tussen schuldaansprakelijkheid en risicoaansprakelijkheid?
Schuldaansprakelijkheid (art. 6:162 BW) vereist dat de daad aan de dader kan worden toegerekend door schuld of door een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvatting voor zijn rekening komt. Risicoaansprakelijkheid legt de schade bij iemand vanwege zijn hoedanigheid, zoals ouder van een kind jonger dan veertien (art. 6:169 lid 1 BW), bezitter van een dier (art. 6:179 BW) of van een opstal (art. 6:174 BW); een verwijt is dan niet nodig. Schade en causaal verband moeten in beide gevallen worden aangetoond.
4. De labrador van de familie Mulder rukt zich tijdens een wandeling plotseling los en bijt een fietser in het been. De familie heeft de hond altijd goed opgevoed en hield de riem stevig vast. Welke vorm van aansprakelijkheid is hier aan de orde?
Art. 6:179 BW legt op de bezitter van een dier een risicoaansprakelijkheid voor schade die het dier aanricht uit eigen energie, zoals een onverwachte beet. Goede opvoeding of een stevige riem ontslaat de bezitter niet: de wet vraagt geen verwijt. Alleen de tenzij-clausule (er zou ook geen aansprakelijkheid zijn geweest als de bezitter de gedraging in zijn macht had gehad) of eigen schuld van de fietser (art. 6:101 BW) kan de vergoeding beperken.
5. Wat wordt in het aansprakelijkheidsrecht verstaan onder kwalitatieve aansprakelijkheid?
Kwalitatieve aansprakelijkheid is aansprakelijkheid voor de gedraging van een ander of voor een zaak of dier, gebaseerd op een hoedanigheid: ouder of voogd (art. 6:169 BW), werkgever (art. 6:170 BW), bezitter van een gebrekkige roerende zaak (art. 6:173 BW), van een opstal (art. 6:174 BW) of van een dier (art. 6:179 BW). De aansprakelijke hoeft zelf geen fout te hebben gemaakt; daarom is zij meestal als risicoaansprakelijkheid vormgegeven.
6. Wat betekent een 'vermoeden van schuld' in het aansprakelijkheidsrecht, zoals bij de ouder van een kind van veertien of vijftien jaar?
Bij een vermoeden van schuld is de bewijslast omgekeerd: de wet gaat uit van schuld en de aangesprokene moet het tegendeel bewijzen. Art. 6:169 lid 2 BW past dit toe op ouders van kinderen van veertien en vijftien jaar: zij zijn aansprakelijk voor de fout van het kind, tenzij hun niet kan worden verweten dat zij de gedraging niet hebben belet. Voor kinderen jonger dan veertien geldt daarentegen een zuivere risicoaansprakelijkheid (lid 1), zonder tegenbewijs.
7. Wat is het verschil tussen bepalingen van dwingend recht en bepalingen van aanvullend (regelend) recht?
Dwingend recht laat geen afwijking bij overeenkomst toe: een afwijkend beding is nietig of vernietigbaar. Aanvullend of regelend recht vult de overeenkomst aan waar partijen zelf niets hebben geregeld, en wijkt voor hun afspraken. In het verzekeringsrecht somt art. 7:963 BW op welke bepalingen van titel 7.17 BW dwingend zijn ten gunste van de consument; het aansprakelijkheidsrecht van Boek 6 BW is grotendeels aanvullend, zodat exoneratiebedingen mogelijk zijn.
8. Meneer Baas leent zijn steiger uit aan zijn buurman Klaassen en spreekt uitdrukkelijk af dat het gebruik geheel voor eigen risico van Klaassen is. Door een verborgen gebrek stort de steiger in en raakt Klaassen gewond. Baas wist niet van het gebrek. Wat is de betekenis van de afspraak?
De aansprakelijkheid uit art. 6:162 en 6:173 BW is aanvullend recht: partijen kunnen haar bij overeenkomst uitsluiten of beperken, ook mondeling. De grens ligt bij de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW): een beroep op het beding is onaanvaardbaar bij opzet of bewuste roekeloosheid van wie zich erop beroept; in algemene voorwaarden van een onderneming tegenover een consument geldt bovendien art. 6:237 sub f BW. Baas kende het gebrek niet, dus het beding houdt stand.
9. Welke vereisten moeten volgens art. 6:162 en 6:163 BW alle zijn vervuld voordat iemand uit onrechtmatige daad tot schadevergoeding verplicht is?
Art. 6:162 BW stelt vier eisen: een onrechtmatige daad (inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht of met de maatschappelijke zorgvuldigheid), toerekenbaarheid (schuld of een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvatting voor rekening van de dader komt), schade en causaal verband. Art. 6:163 BW voegt de relativiteit toe: de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de geleden schade. Opzet, letsel, een veroordeling of een ingebrekestelling zijn geen vereisten.
10. Welke drie gedragingen merkt art. 6:162 lid 2 BW aan als onrechtmatige daad?
Art. 6:162 lid 2 BW noemt drie categorieën: een inbreuk op een (subjectief) recht, zoals eigendom of lichamelijke integriteit; een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht; en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die laatste categorie omvat de gevaarzetting. Wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking zijn aparte bronnen van verbintenissen, geen onrechtmatige daad.
11. Een gemeentelijke verordening verbiedt het plaatsen van fietsen tegen de gevel van een monumentaal pand, om die gevel tegen beschadiging te beschermen. Meneer Kok zet zijn fiets er toch tegenaan. Een voorbijgangster struikelt over de fiets en breekt haar pols. Zij stelt Kok aansprakelijk wegens overtreding van de verordening. Wat is juist?
Art. 6:163 BW eist relativiteit: geen vergoedingsplicht als de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Een verordening ter bescherming van een gevel beschermt geen voetgangers tegen struikelen. De vordering kan wél slagen op de derde grond van art. 6:162 lid 2 BW: een fiets zo neerzetten dat voorbijgangers erover kunnen vallen, kan in strijd zijn met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Een verordening is overigens wel een wettelijk voorschrift.
12. Meneer Van Dam (52) krijgt tijdens het fietsen onverwacht een epileptische aanval, die hij nooit eerder heeft gehad. Hij rijdt tegen een geparkeerde auto en veroorzaakt schade. Kan de daad aan hem worden toegerekend?
Art. 6:165 lid 1 BW bepaalt dat een gedraging van een persoon van veertien jaar of ouder onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming geen beletsel is om haar als onrechtmatige daad aan hem toe te rekenen. Van Dam is dus aansprakelijk, ook zonder verwijt: de wetgever legt dit risico bij de dader, die zich er met een aansprakelijkheidsverzekering tegen kan dekken. Overmacht in de zin van art. 6:75 BW ziet op tekortkomingen in de nakoming van een verbintenis, niet op deze toerekeningsvraag.
13. Daan (9) gooit tijdens het spelen een steen door de ruit van de buren. Zijn ouders waren binnen en hadden hem net gezegd voorzichtig te doen. Wie is aansprakelijk voor de ruit?
Art. 6:164 BW bepaalt dat een gedraging van een kind jonger dan veertien jaar hem niet als onrechtmatige daad kan worden toegerekend. Art. 6:169 lid 1 BW legt de aansprakelijkheid dan op de ouder of voogd, als risicoaansprakelijkheid: de ouders zijn aansprakelijk ook al hebben zij goed toezicht gehouden en gewaarschuwd. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt deze kwalitatieve aansprakelijkheid van de ouders.
14. Sanne (15) beschadigt met opzet de scooter van een klasgenoot. Haar ouders wisten van niets en Sanne heeft nooit eerder problemen veroorzaakt. Wie kan de klasgenoot aanspreken?
Vanaf veertien jaar is een kind zelf aansprakelijk voor zijn onrechtmatige daad (art. 6:162 BW; art. 6:164 BW geldt niet meer). Voor kinderen van veertien en vijftien jaar kent art. 6:169 lid 2 BW daarnaast een aansprakelijkheid van de ouders met een vermoeden van schuld: zij zijn aansprakelijk, tenzij hun niet kan worden verweten dat zij de gedraging niet hebben belet. De klasgenoot kan dus zowel Sanne als, behoudens dat tegenbewijs, haar ouders aanspreken.
15. Thomas (17) veroorzaakt bij een feestje schade aan de inboedel van de gastheer. Zijn ouders waren niet aanwezig. De gastheer wil de ouders aanspreken. Wat is juist?
De kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders (art. 6:169 BW) eindigt bij zestien jaar: lid 1 geldt tot veertien jaar, lid 2 voor veertien- en vijftienjarigen. Een kind van zeventien is volledig zelf aansprakelijk uit art. 6:162 BW. De ouders zijn alleen aansprakelijk als zij zelf een onrechtmatige daad hebben gepleegd, bijvoorbeeld door een gevaarlijke situatie te scheppen. Minderjarigheid of ouderlijk gezag is als zodanig geen grond voor aansprakelijkheid.
16. Welk verschil bestaat er tussen de aansprakelijkheid van ouders voor een kind van twaalf jaar en die voor een kind van vijftien jaar?
Art. 6:169 lid 1 BW: voor een kind jonger dan veertien jaar is de ouder of voogd risicoaansprakelijk; tegenbewijs over toezicht is niet mogelijk. Art. 6:169 lid 2 BW: voor een kind van veertien of vijftien jaar is de ouder aansprakelijk, tenzij hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging niet heeft belet (vermoeden van schuld). Het kind van twaalf is zelf niet aansprakelijk (art. 6:164 BW); het kind van vijftien wel, naast de ouders.
17. Welke regel geeft art. 6:165 BW voor iemand die schade veroorzaakt onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming?
Art. 6:165 lid 1 BW: de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaar of ouder is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen beletsel om haar als onrechtmatige daad aan hem toe te rekenen. Dit is een toerekening buiten schuld, krachtens de wet. Lid 2 voegt toe dat een derde die wegens onvoldoende toezicht mede aansprakelijk is, in de onderlinge verhouding de hele schade moet dragen.
18. Een medewerker van een glazenwassersbedrijf laat een emmer van een ladder vallen op de auto van een voorbijganger. Wie kan de voorbijganger aanspreken?
Art. 6:170 lid 1 BW maakt de werkgever aansprakelijk voor de fout van een ondergeschikte als de kans op de fout door de opdracht is vergroot en hij zeggenschap had over de gedragingen. De werknemer blijft zelf aansprakelijk uit art. 6:162 BW; beiden zijn hoofdelijk verbonden (art. 6:102 BW). In hun onderlinge verhouding draagt de werkgever de schade, tenzij de werknemer opzet of bewuste roekeloosheid valt te verwijten (art. 6:170 lid 3 BW).
19. De familie Bosman heeft een huishoudelijke hulp in dienst voor acht uur per week. Tijdens het ramen lappen stoot de hulp een bloembak van de vensterbank op de auto van de buurman. Na werktijd, op weg naar huis, beschadigt zij met haar fiets een andere auto. Voor welke schade is de familie Bosman aansprakelijk?
Art. 6:170 lid 2 BW: stond de ondergeschikte niet in dienst van een beroep of bedrijf van de werkgever, dan is deze slechts aansprakelijk als de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak. Het lappen van ramen valt daaronder; het fietsen naar huis niet. Ook een particulier is werkgever in de zin van dit artikel. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt deze aansprakelijkheid voor huispersoneel doorgaans mee.
20. Op een camping lekt de verouderde gasfles van de caravan van de familie Verhoef door een verborgen defect aan het ventiel. Er ontstaat een steekvlam die de voortent van de buren vernielt. De familie had de gasfles kort daarvoor laten controleren. Wat geldt?
Art. 6:173 lid 1 BW: de bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij, als zij niet aan de eisen voldoet, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, is aansprakelijk als dat gevaar zich verwezenlijkt. Een gasfles is zo'n zaak. Dit is een risicoaansprakelijkheid: kennis van het gebrek of een verwijt is niet vereist, zodat de controle de familie niet helpt. Is het gebrek een productgebrek, dan verwijst lid 2 naar de producent (art. 6:185 BW), maar slijtage door ouderdom is dat niet.
21. Wat verstaat art. 6:174 BW onder een opstal?
Art. 6:174 lid 4 BW omschrijft opstallen als gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. Daaronder vallen ook schuttingen, bruggen, wegen, leidingen en een zwembad. Bomen en beplanting zijn geen werken; schade daardoor valt onder art. 6:162 BW (zorgplicht van de eigenaar). Kadastrale inschrijving of een vergunning is niet bepalend.
22. Tijdens een windstoot valt een dakpan van de eigen woning van mevrouw Nijhof op een geparkeerde auto. De dakpan bleek los te liggen, wat van buitenaf niet zichtbaar was. Mevrouw Nijhof laat het dak jaarlijks inspecteren. Wat is juist?
Art. 6:174 lid 1 BW: de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert, is aansprakelijk als dat gevaar zich verwezenlijkt. Een loszittende dakpan is zo'n gebrek. Inspectie of onbekendheid met het gebrek bevrijdt niet: het is een risicoaansprakelijkheid. Een gewone windstoot is geen overmacht; de tenzij-clausule ziet alleen op gevallen waarin ook bij bekendheid met het gevaar geen aansprakelijkheid zou hebben bestaan.
23. Meneer Peters verhuurt zijn tweede woning aan een gezin. Een bezoeker van de huurders valt door een verrotte traptrede en breekt zijn enkel. De huurders hadden het gebrek nooit gemeld. Wie is op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk?
Art. 6:174 lid 1 BW legt de aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal op de bezitter, hier de eigenaar-verhuurder. Gebruik door huurders verlegt de aansprakelijkheid niet; art. 6:181 BW doet dat alleen bij gebruik in de uitoefening van een bedrijf door de gebruiker zelf, en een gezin dat een woning huurt oefent geen bedrijf uit. De bezoeker kan Peters aanspreken; Peters kan hooguit intern op de huurders verhalen als zij een meldplicht uit de huurovereenkomst schonden.
24. Een gezonde, grote eik in de tuin van de familie Aalbers breekt tijdens een zware storm af en valt op de serre van de buren. Op welke grondslag kunnen de buren de familie Aalbers aanspreken?
Een boom is geen gebouw of werk in de zin van art. 6:174 lid 4 BW; de risicoaansprakelijkheid voor opstallen geldt daarom niet. De buren moeten terugvallen op art. 6:162 BW en aantonen dat de familie onzorgvuldig handelde, bijvoorbeeld door een zichtbaar zieke of gevaarlijke boom niet te laten controleren of snoeien. Bij een gezonde boom die in een zware storm afbreekt, ontbreekt zo'n verwijt meestal, zodat de schade voor de eigen opstalverzekering van de buren blijft.
25. Mevrouw Roos heeft haar woning op grond die zij in erfpacht heeft van de gemeente. Een bezoeker raakt gewond doordat een gebrekkig balkon instort. Wie draagt de aansprakelijkheid van art. 6:174 BW?
Art. 6:174 lid 2 BW bepaalt dat bij erfpacht de aansprakelijkheid rust op de bezitter van het erfpachtrecht. De erfpachter heeft het genot van de opstal en moet die onderhouden; de grondeigenaar (hier de gemeente) blijft buiten schot. Hetzelfde lid verlegt de aansprakelijkheid voor openbare wegen naar het overheidslichaam en voor kabels en leidingen naar de leidingbeheerder. Verhaal op de aannemer is mogelijk, maar de benadeelde hoeft daar niet op te wachten.
26. Mevrouw Lammers komt ten val door een diep gat in het trottoir van een gemeentelijke weg, dat al weken niet was gerepareerd, en breekt haar heup. Wie is op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk?
Art. 6:174 lid 2 BW legt de aansprakelijkheid voor openbare wegen op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert, meestal de gemeente als wegbeheerder. Een weg is een werk dat duurzaam met de grond is verenigd en dus een opstal (lid 4); aan de eisen die men eraan mag stellen wordt niet voldaan als een gat wekenlang blijft liggen. De wegbeheerder kan zich alleen beroepen op de tenzij-clausule of op eigen schuld van de benadeelde (art. 6:101 BW).
27. Voor welke schade is de bezitter van een dier volgens art. 6:179 BW aansprakelijk?
Art. 6:179 BW: de bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Het gaat om het eigen, onberekenbare gedrag van het dier (de 'eigen energie'). Handelt het dier op bevel van de bezitter, dan is dat een eigen daad van de mens, beoordeeld naar art. 6:162 BW. Een lijst of eerder gedrag is niet vereist.
28. Bij de familie Smeets logeert een vriendin met haar hond. De hond bijt de postbode. Wie is op grond van art. 6:179 BW aansprakelijk?
Art. 6:179 BW richt zich tot de bezitter van het dier, dat wil zeggen degene die het dier voor zichzelf houdt (art. 3:107 BW): de vriendin. Tijdelijk verblijf bij een ander maakt de gastvrouw geen bezitter, tenzij zij het dier bedrijfsmatig gebruikt (art. 6:181 BW). De familie Smeets kan alleen aansprakelijk zijn uit art. 6:162 BW als haar zelf een fout treft. Op de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren van de vriendin is de hoedanigheid van bezitter van een huisdier meeverzekerd.
29. Mevrouw Jonker stalt haar paard bij een manege, die het paard met haar instemming ook inzet voor rijlessen. Tijdens een les gooit het paard een leerling af, die zijn arm breekt. Wie is aansprakelijk op grond van de wet?
Art. 6:181 lid 1 BW verlegt de aansprakelijkheid van art. 6:179 BW van de bezitter naar degene die het dier in de uitoefening van een bedrijf gebruikt. Een manege die het paard inzet voor lessen is zo'n bedrijfsmatig gebruiker (vergelijk het Loretta-arrest van de Hoge Raad, 2011). Mevrouw Jonker blijft dan buiten schot. Deelname aan een rijles brengt geen aanvaarding van het risico mee; hooguit kan eigen schuld van de leerling (art. 6:101 BW) de vergoeding verminderen.
30. Meneer Vos roept tijdens een ruzie 'pak hem!' tegen zijn herdershond, die daarop de buurman bijt. Welke grondslag is voor de aansprakelijkheid van Vos het meest passend?
Art. 6:179 BW ziet op schade door de eigen energie van het dier, dus op gedrag dat niet door de mens wordt gestuurd. Bijt een hond op bevel, dan gebruikt de bezitter het dier als werktuig en is de beet zijn eigen daad: aansprakelijkheid volgt uit art. 6:162 BW, hier met opzet. Dat verschil is van belang voor de aansprakelijkheidsverzekering: opzettelijk toegebrachte schade is uitgesloten, terwijl de kwalitatieve aansprakelijkheid voor een spontane beet gewoon gedekt is.
31. Wat regelt art. 6:181 BW voor de kwalitatieve aansprakelijkheid voor zaken, opstallen en dieren?
Art. 6:181 BW verlegt de aansprakelijkheid uit art. 6:173, 6:174 en 6:179 BW naar de bedrijfsmatig gebruiker: wie de zaak, opstal of dier in de uitoefening van een bedrijf gebruikt, is aansprakelijk en de bezitter niet meer. Voor opstallen geldt een uitzondering als het ontstaan van de schade niet met de bedrijfsuitoefening samenhangt. Verhuur aan een particulier of de duur van het gebruik verlegt niets; een directe actie tegen de verzekeraar staat in art. 7:954 BW.
32. Wanneer is een schuldenaar volgens art. 6:74 BW verplicht de schade te vergoeden die de schuldeiser door een tekortkoming in de nakoming lijdt?
Art. 6:74 lid 1 BW: iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade te vergoeden, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend (overmacht, art. 6:75 BW). Lid 2 voegt toe dat, als nakoming niet blijvend onmogelijk is, de schuldenaar eerst in verzuim moet zijn, meestal na een ingebrekestelling met een redelijke termijn (art. 6:82 BW). Opzet, een boetebeding of ontbinding zijn geen voorwaarden.
33. Studente Femke past tegen betaling op de vierjarige zoon van de familie Kuijpers. Door haar onoplettendheid valt het kind van een klimrek en breekt zijn been. Op welke grondslag kunnen de ouders Femke aanspreken?
Bij een tekortkoming die tevens een onrechtmatige daad oplevert, is er samenloop: de benadeelde kan kiezen tussen art. 6:74 BW (wanprestatie in de oppasovereenkomst) en art. 6:162 BW (onzorgvuldig toezicht). De grondslag kan uitmaken voor verjaring, bewijslast en exoneraties. Een oppas heeft weliswaar een inspanningsverbintenis, maar onoplettendheid is een toerekenbare tekortkoming. Voor de aansprakelijkheidsverzekering van Femke is van belang of zij handelde als particulier (bijbaan) of in beroep of bedrijf.
34. Verzekerde Karim meldt op zijn aansprakelijkheidsverzekering dat zijn kat de leren bank van de buren heeft opengekrabd. Hoe kwalificeert de schadebehandelaar de aansprakelijkheid van Karim?
Bij een aansprakelijkheidsclaim onderscheidt de behandelaar persoonlijke aansprakelijkheid (eigen onrechtmatige daad, art. 6:162 BW), kwalitatieve aansprakelijkheid (uit een hoedanigheid, zoals bezitter van een dier, art. 6:179 BW) en contractuele aansprakelijkheid (art. 6:74 BW). Krabschade door een kat uit eigen energie valt onder art. 6:179 BW: Karim is aansprakelijk als bezitter, zonder eigen fout. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt deze hoedanigheid.
35. Verzekerde mevrouw Dekker rijdt op haar gewone fiets door rood en raakt een voetganger, die letsel oploopt. Welke soort aansprakelijkheid stelt de behandelaar van haar aansprakelijkheidsverzekering vast?
Door rood rijden is een doen in strijd met een wettelijke plicht (art. 6:162 lid 2 BW) dat aan mevrouw Dekker zelf is toe te rekenen: persoonlijke aansprakelijkheid. Een fiets zonder motor is geen motorrijtuig, dus art. 185 WVW (dat de eigenaar of houder van een motorrijtuig treft) speelt niet, en een deugdelijke fiets is geen gebrekkige zaak in de zin van art. 6:173 BW. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt de schade en behandelt de letselclaim van de voetganger.