WftExamenTrainer

⚖️ Aansprakelijkheid: aansprakelijkheidsrecht, AVP en pleziervaartuigen

Waarover dit gaat

Een aansprakelijkheidsverzekering beschermt het vermogen van de verzekerde tegen aanspraken van derden. Eerst komt het aansprakelijkheidsrecht van Boek 6 BW, daarna de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP), de jagersdekking (hoofdstuk 3 Wet natuurbescherming) en de pleziervaartuigen.

Vier soorten aansprakelijkheid

Contractuele aansprakelijkheid ontstaat door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst (art. 6:74 BW); wettelijke aansprakelijkheid vloeit buiten overeenkomst uit de wet voort. Schuldaansprakelijkheid vereist een verwijtbare gedraging (art. 6:162 BW); risicoaansprakelijkheid treft iemand vanwege zijn hoedanigheid, zonder eigen verwijt. Die laatste heet ook kwalitatieve aansprakelijkheid: ouder van een kind jonger dan veertien (art. 6:169 lid 1 BW), werkgever (art. 6:170 BW), bezitter van een gebrekkige roerende zaak (art. 6:173 BW), van een opstal (art. 6:174 BW) of van een dier (art. 6:179 BW). Bij een kind van veertien of vijftien geldt een vermoeden van schuld: de ouder is aansprakelijk tenzij hem niet valt te verwijten dat hij de gedraging niet heeft belet (art. 6:169 lid 2 BW). Bij bedrijfsmatig gebruik verschuift zij naar de gebruiker (art. 6:181 BW). Het aansprakelijkheidsrecht is grotendeels aanvullend recht: exoneraties zijn mogelijk, maar niet voor opzet of bewuste roekeloosheid (art. 6:248 lid 2 BW).

Onrechtmatige daad en schadevergoeding

Art. 6:162 BW vereist een onrechtmatige daad, toerekenbaarheid, schade en causaal verband; art. 6:163 BW voegt de relativiteit toe. Een kind jonger dan veertien kan zijn gedraging niet worden toegerekend (art. 6:164 BW); een geestelijke of lichamelijke tekortkoming belet toerekening niet (art. 6:165 BW). Vergoed worden vermogensschade (art. 6:95 en 6:96 BW) en, waar de wet dat toelaat, ander nadeel: smartengeld (art. 6:106 BW) en affectieschade (art. 6:107 en 6:108 BW). Derden vorderen verplaatste schade (art. 6:107 BW), loonschade (art. 6:107a BW) en gederfd levensonderhoud (art. 6:108 BW). Eigen schuld vermindert de vergoeding naar evenredigheid (art. 6:101 BW), de rechter kan matigen (art. 6:109 BW) en de vordering verjaart na vijf jaar (art. 3:310 BW). Bij dood of letsel bestaat een directe actie op de verzekeraar (art. 7:954 BW). Regres nemen de zorgverzekeraar (art. 7:962 BW), de werkgever en het UWV.

De AVP

De AVP dekt de aansprakelijkheid van de verzekerden als particulier, wereldwijd, tot een verzekerd bedrag per gebeurtenis. Verzekerd zijn verzekeringnemer, partner, inwonende en studerende uitwonende kinderen, logés en huispersoneel, ook als bezitter van huisdieren en van de eigen woning. Grenzen: de opzichtclausule (geleende of gehuurde zaken beperkt gedekt), de uitsluiting van motorrijtuigen en grotere vaartuigen (uitzonderingen: fietsen met trapondersteuning, kleine zeil- en roeiboten), opzet en seksueel misdrijf, en aansprakelijkheid tussen verzekerden onderling behalve bij letsel. Proceskosten en wettelijke rente komen boven het verzekerd bedrag; in het buitenland verstrekt de verzekeraar een cautie. Bij samenloop regelt art. 7:961 BW het onderlinge verhaal, met een rol voor na-u-clausules. De jagersdekking is verplicht voor de houder van een jachtakte.

Pleziervaartuigen

De AVP dekt alleen kleine vaartuigen; de pleziervaartuigverzekering biedt aansprakelijkheids- en cascodekking binnen een vaargebied, eist een vaarbewijs waar de Binnenvaartwet dat verlangt en sluit osmose, slijtage en eigen gebrek uit. Kernbegrippen: nieuw voor oud, abandonnement, averij, aanvaring (Boek 8 BW).

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Wat is het onderscheid tussen wettelijke en contractuele aansprakelijkheid?

  1. Wettelijke aansprakelijkheid vloeit rechtstreeks voort uit de wet; contractuele aansprakelijkheid uit het niet nakomen van een overeenkomst
  2. Wettelijke aansprakelijkheid bestaat alleen als de strafrechter een overtreding heeft vastgesteld; contractuele aansprakelijkheid vereist dat niet
  3. Contractuele aansprakelijkheid geldt uitsluitend tussen ondernemingen, wettelijke aansprakelijkheid uitsluitend tussen particulieren
  4. Contractuele aansprakelijkheid is altijd beperkt tot het factuurbedrag, wettelijke aansprakelijkheid is altijd onbeperkt

Wettelijke aansprakelijkheid ontstaat buiten overeenkomst, uit de wet zelf: de onrechtmatige daad van art. 6:162 BW en de kwalitatieve aansprakelijkheden van art. 6:169 tot en met 6:184 BW. Contractuele aansprakelijkheid ontstaat door een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst (art. 6:74 BW). Een strafrechtelijke veroordeling is geen voorwaarde; beide vormen komen bij particulieren én ondernemingen voor.

2. Meneer Dijkstra laat zijn badkamer betegelen door een tegelzetter. Door ondeugdelijk voegwerk lekt er water naar de woonkamer van de benedenbuurvrouw, mevrouw Smit. Op welke grondslag kunnen meneer Dijkstra en mevrouw Smit de tegelzetter aanspreken?

  1. Dijkstra op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW), Smit op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW)
  2. Beiden uitsluitend op grond van onrechtmatige daad, omdat ondeugdelijk voegwerk een gevaarzettende gedraging tegenover iedereen is
  3. Beiden uitsluitend op grond van wanprestatie, omdat de lekkage voortvloeit uit de aannemingsovereenkomst die de tegelzetter heeft gesloten
  4. Alleen Dijkstra kan de tegelzetter aanspreken; Smit staat buiten de overeenkomst en heeft daarom geen vordering op de tegelzetter

Tussen Dijkstra en de tegelzetter bestaat een overeenkomst van aanneming van werk; ondeugdelijk werk is een toerekenbare tekortkoming (art. 6:74 BW). Mevrouw Smit is geen partij bij die overeenkomst en spreekt de tegelzetter aan uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW): waterschade veroorzaken bij een derde is een inbreuk op haar eigendomsrecht. Daarnaast kan zij Dijkstra als bezitter van de gebrekkige opstal aanspreken (art. 6:174 BW).

3. Wat is het verschil tussen schuldaansprakelijkheid en risicoaansprakelijkheid?

  1. Schuldaansprakelijkheid vereist een verwijtbare gedraging; risicoaansprakelijkheid treft iemand zonder eigen verwijt, alleen vanwege zijn hoedanigheid
  2. Schuldaansprakelijkheid geldt alleen bij letselschade en risicoaansprakelijkheid alleen bij zaakschade aan derden
  3. Risicoaansprakelijkheid kan alleen bij overeenkomst ontstaan, schuldaansprakelijkheid alleen rechtstreeks uit de wet
  4. Bij risicoaansprakelijkheid hoeft de benadeelde geen schade aan te tonen; bij schuldaansprakelijkheid moet hij dat wel

Schuldaansprakelijkheid (art. 6:162 BW) vereist dat de daad aan de dader kan worden toegerekend door schuld of door een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvatting voor zijn rekening komt. Risicoaansprakelijkheid legt de schade bij iemand vanwege zijn hoedanigheid, zoals ouder van een kind jonger dan veertien (art. 6:169 lid 1 BW), bezitter van een dier (art. 6:179 BW) of van een opstal (art. 6:174 BW); een verwijt is dan niet nodig. Schade en causaal verband moeten in beide gevallen worden aangetoond.

4. De labrador van de familie Mulder rukt zich tijdens een wandeling plotseling los en bijt een fietser in het been. De familie heeft de hond altijd goed opgevoed en hield de riem stevig vast. Welke vorm van aansprakelijkheid is hier aan de orde?

  1. Schuldaansprakelijkheid: de familie is alleen aansprakelijk als de fietser bewijst dat de riem of het toezicht tekortschoot
  2. Geen aansprakelijkheid, omdat het bijten een onvoorzienbare eigen gedraging van het dier was waar de bezitter niets aan kon doen
  3. Risicoaansprakelijkheid van de bezitter van het dier: de familie is aansprakelijk ook al treft haar geen enkel verwijt
  4. Contractuele aansprakelijkheid, omdat de bezitter van een hond een wettelijke zorgplicht op zich neemt

Art. 6:179 BW legt op de bezitter van een dier een risicoaansprakelijkheid voor schade die het dier aanricht uit eigen energie, zoals een onverwachte beet. Goede opvoeding of een stevige riem ontslaat de bezitter niet: de wet vraagt geen verwijt. Alleen de tenzij-clausule (er zou ook geen aansprakelijkheid zijn geweest als de bezitter de gedraging in zijn macht had gehad) of eigen schuld van de fietser (art. 6:101 BW) kan de vergoeding beperken.

5. Wat wordt in het aansprakelijkheidsrecht verstaan onder kwalitatieve aansprakelijkheid?

  1. Aansprakelijkheid die alleen ontstaat wanneer de kwaliteit van een geleverde zaak of verrichte dienst aantoonbaar onder de wettelijke of contractuele norm ligt
  2. Aansprakelijkheid van een verzekeraar voor de kwaliteit van de schadeafwikkeling tegenover de benadeelde en de verzekerde
  3. Aansprakelijkheid die iemand draagt vanwege een bepaalde hoedanigheid, zoals ouder, bezitter van een dier of bezitter van een opstal
  4. Aansprakelijkheid die uitsluitend geldt voor beroepsbeoefenaren met een wettelijk beschermde titel, zoals notarissen

Kwalitatieve aansprakelijkheid is aansprakelijkheid voor de gedraging van een ander of voor een zaak of dier, gebaseerd op een hoedanigheid: ouder of voogd (art. 6:169 BW), werkgever (art. 6:170 BW), bezitter van een gebrekkige roerende zaak (art. 6:173 BW), van een opstal (art. 6:174 BW) of van een dier (art. 6:179 BW). De aansprakelijke hoeft zelf geen fout te hebben gemaakt; daarom is zij meestal als risicoaansprakelijkheid vormgegeven.

6. Wat betekent een 'vermoeden van schuld' in het aansprakelijkheidsrecht, zoals bij de ouder van een kind van veertien of vijftien jaar?

  1. De benadeelde moet bewijzen dat de ouder onvoldoende toezicht hield; slaagt dat bewijs niet, dan is alleen het kind zelf aansprakelijk
  2. De ouder is aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hem niet valt te verwijten dat hij de gedraging niet heeft belet
  3. De rechter stelt de schuld van de ouder vast op de helft van de schade, tenzij het kind bewijst dat het zelf geen schuld had
  4. De ouder is zonder meer aansprakelijk, ook als hij bewijst dat hij alles heeft gedaan om de gedraging van het kind te voorkomen

Bij een vermoeden van schuld is de bewijslast omgekeerd: de wet gaat uit van schuld en de aangesprokene moet het tegendeel bewijzen. Art. 6:169 lid 2 BW past dit toe op ouders van kinderen van veertien en vijftien jaar: zij zijn aansprakelijk voor de fout van het kind, tenzij hun niet kan worden verweten dat zij de gedraging niet hebben belet. Voor kinderen jonger dan veertien geldt daarentegen een zuivere risicoaansprakelijkheid (lid 1), zonder tegenbewijs.

7. Wat is het verschil tussen bepalingen van dwingend recht en bepalingen van aanvullend (regelend) recht?

  1. Dwingend recht geldt alleen tussen ondernemingen, aanvullend recht alleen in overeenkomsten met consumenten
  2. Dwingend recht staat in het Burgerlijk Wetboek, aanvullend recht alleen in polisvoorwaarden en gedragscodes van verzekeraars
  3. Van dwingend recht kunnen partijen niet bij overeenkomst afwijken; aanvullend recht geldt alleen voor zover partijen zelf niets anders hebben afgesproken
  4. Aanvullend recht vult dwingend recht aan met hogere schadevergoedingen wanneer de rechter dat billijk vindt

Dwingend recht laat geen afwijking bij overeenkomst toe: een afwijkend beding is nietig of vernietigbaar. Aanvullend of regelend recht vult de overeenkomst aan waar partijen zelf niets hebben geregeld, en wijkt voor hun afspraken. In het verzekeringsrecht somt art. 7:963 BW op welke bepalingen van titel 7.17 BW dwingend zijn ten gunste van de consument; het aansprakelijkheidsrecht van Boek 6 BW is grotendeels aanvullend, zodat exoneratiebedingen mogelijk zijn.

8. Meneer Baas leent zijn steiger uit aan zijn buurman Klaassen en spreekt uitdrukkelijk af dat het gebruik geheel voor eigen risico van Klaassen is. Door een verborgen gebrek stort de steiger in en raakt Klaassen gewond. Baas wist niet van het gebrek. Wat is de betekenis van de afspraak?

  1. De afspraak is nietig, omdat de aansprakelijkheid voor letselschade in het Burgerlijk Wetboek als dwingend recht is aangemerkt en nooit kan worden uitgesloten
  2. De afspraak geldt alleen als zij schriftelijk is vastgelegd en door beide partijen is ondertekend vóór het eerste gebruik van de steiger
  3. De afspraak is een geldig exoneratiebeding: de wettelijke aansprakelijkheid is aanvullend recht en mag worden uitgesloten
  4. De afspraak heeft geen betekenis, omdat een particulier zijn aansprakelijkheid tegenover een ander nooit kan uitsluiten

De aansprakelijkheid uit art. 6:162 en 6:173 BW is aanvullend recht: partijen kunnen haar bij overeenkomst uitsluiten of beperken, ook mondeling. De grens ligt bij de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW): een beroep op het beding is onaanvaardbaar bij opzet of bewuste roekeloosheid van wie zich erop beroept; in algemene voorwaarden van een onderneming tegenover een consument geldt bovendien art. 6:237 sub f BW. Baas kende het gebrek niet, dus het beding houdt stand.

9. Welke vereisten moeten volgens art. 6:162 en 6:163 BW alle zijn vervuld voordat iemand uit onrechtmatige daad tot schadevergoeding verplicht is?

  1. Onrechtmatige daad, opzet of grove schuld, lichamelijk letsel, een strafrechtelijke veroordeling en een tijdige aansprakelijkstelling van de dader
  2. Onrechtmatige daad, toerekenbaarheid aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade, en relativiteit
  3. Schuld, schade en een schriftelijke ingebrekestelling die binnen een redelijke termijn aan de dader is gestuurd
  4. Een overtreding van een wettelijk voorschrift, schade en het bewijs dat de dader op dat moment verzekerd was

Art. 6:162 BW stelt vier eisen: een onrechtmatige daad (inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht of met de maatschappelijke zorgvuldigheid), toerekenbaarheid (schuld of een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvatting voor rekening van de dader komt), schade en causaal verband. Art. 6:163 BW voegt de relativiteit toe: de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de geleden schade. Opzet, letsel, een veroordeling of een ingebrekestelling zijn geen vereisten.

10. Welke drie gedragingen merkt art. 6:162 lid 2 BW aan als onrechtmatige daad?

  1. Inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht, en strijd met de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheid
  2. Wanprestatie, ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming, voor zover de benadeelde daardoor vermogensschade heeft geleden
  3. Opzettelijk handelen, roekeloos handelen en nalatig handelen, waarbij de rechter per categorie een vaste schuldgraad toekent
  4. Een misdrijf, een overtreding en een schending van een gedragscode van het Verbond van Verzekeraars, mits het Openbaar Ministerie heeft vervolgd

Art. 6:162 lid 2 BW noemt drie categorieën: een inbreuk op een (subjectief) recht, zoals eigendom of lichamelijke integriteit; een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht; en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die laatste categorie omvat de gevaarzetting. Wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking zijn aparte bronnen van verbintenissen, geen onrechtmatige daad.

11. Een gemeentelijke verordening verbiedt het plaatsen van fietsen tegen de gevel van een monumentaal pand, om die gevel tegen beschadiging te beschermen. Meneer Kok zet zijn fiets er toch tegenaan. Een voorbijgangster struikelt over de fiets en breekt haar pols. Zij stelt Kok aansprakelijk wegens overtreding van de verordening. Wat is juist?

  1. Kok is niet aansprakelijk, omdat een gemeentelijke verordening geen wettelijke plicht in de zin van art. 6:162 BW oplevert
  2. Kok is aansprakelijk: elke overtreding van een wettelijk voorschrift die schade veroorzaakt, is een onrechtmatige daad tegenover de benadeelde
  3. De overtreden norm beschermt de gevel, niet voorbijgangers; de relativiteit ontbreekt, zodat zij strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid moet aantonen
  4. Kok is alleen aansprakelijk als de gemeente hem eerst een bestuurlijke boete voor de overtreding heeft opgelegd

Art. 6:163 BW eist relativiteit: geen vergoedingsplicht als de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Een verordening ter bescherming van een gevel beschermt geen voetgangers tegen struikelen. De vordering kan wél slagen op de derde grond van art. 6:162 lid 2 BW: een fiets zo neerzetten dat voorbijgangers erover kunnen vallen, kan in strijd zijn met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Een verordening is overigens wel een wettelijk voorschrift.

12. Meneer Van Dam (52) krijgt tijdens het fietsen onverwacht een epileptische aanval, die hij nooit eerder heeft gehad. Hij rijdt tegen een geparkeerde auto en veroorzaakt schade. Kan de daad aan hem worden toegerekend?

  1. Nee: toerekening vereist schuld, en wie door een volstrekt onvoorzienbare aanval de macht over zijn fiets verliest, treft geen enkel verwijt
  2. Ja, maar alleen als de eigenaar van de auto bewijst dat Van Dam zijn medische situatie kende en desondanks is gaan fietsen
  3. Nee, omdat schade door een ziekte of een plotselinge aanval altijd een geval van overmacht oplevert
  4. Ja: een gedraging onder invloed van een lichamelijke tekortkoming belet toerekening niet, zodat hij aansprakelijk is

Art. 6:165 lid 1 BW bepaalt dat een gedraging van een persoon van veertien jaar of ouder onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming geen beletsel is om haar als onrechtmatige daad aan hem toe te rekenen. Van Dam is dus aansprakelijk, ook zonder verwijt: de wetgever legt dit risico bij de dader, die zich er met een aansprakelijkheidsverzekering tegen kan dekken. Overmacht in de zin van art. 6:75 BW ziet op tekortkomingen in de nakoming van een verbintenis, niet op deze toerekeningsvraag.

13. Daan (9) gooit tijdens het spelen een steen door de ruit van de buren. Zijn ouders waren binnen en hadden hem net gezegd voorzichtig te doen. Wie is aansprakelijk voor de ruit?

  1. De ouders, op grond van een risicoaansprakelijkheid: een gedraging van een kind jonger dan veertien kan het kind zelf niet worden toegerekend
  2. Daan zelf, omdat een kind van negen begrijpt dat een steen een ruit kan breken; de ouders zijn alleen aansprakelijk als zij geen toezicht hielden
  3. De ouders en Daan gezamenlijk, ieder voor de helft, omdat de wet de schade van een kind altijd over beiden verdeelt
  4. Niemand: de ouders hebben uitdrukkelijk gewaarschuwd en het kind is te jong om zelf aansprakelijk te kunnen zijn

Art. 6:164 BW bepaalt dat een gedraging van een kind jonger dan veertien jaar hem niet als onrechtmatige daad kan worden toegerekend. Art. 6:169 lid 1 BW legt de aansprakelijkheid dan op de ouder of voogd, als risicoaansprakelijkheid: de ouders zijn aansprakelijk ook al hebben zij goed toezicht gehouden en gewaarschuwd. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt deze kwalitatieve aansprakelijkheid van de ouders.

14. Sanne (15) beschadigt met opzet de scooter van een klasgenoot. Haar ouders wisten van niets en Sanne heeft nooit eerder problemen veroorzaakt. Wie kan de klasgenoot aanspreken?

  1. Alleen Sanne zelf: vanaf veertien jaar is een kind volledig zelf aansprakelijk en staan de ouders wettelijk buiten schot
  2. Sanne zelf uit onrechtmatige daad, en haar ouders tenzij zij aantonen dat hun geen verwijt treft
  3. Niemand, omdat de ouders geen verwijt treft en Sanne als minderjarige niet zelfstandig aansprakelijk kan zijn
  4. Alleen de ouders, op grond van een zuivere risicoaansprakelijkheid die geldt totdat het kind achttien jaar wordt

Vanaf veertien jaar is een kind zelf aansprakelijk voor zijn onrechtmatige daad (art. 6:162 BW; art. 6:164 BW geldt niet meer). Voor kinderen van veertien en vijftien jaar kent art. 6:169 lid 2 BW daarnaast een aansprakelijkheid van de ouders met een vermoeden van schuld: zij zijn aansprakelijk, tenzij hun niet kan worden verweten dat zij de gedraging niet hebben belet. De klasgenoot kan dus zowel Sanne als, behoudens dat tegenbewijs, haar ouders aanspreken.

15. Thomas (17) veroorzaakt bij een feestje schade aan de inboedel van de gastheer. Zijn ouders waren niet aanwezig. De gastheer wil de ouders aanspreken. Wat is juist?

  1. De ouders zijn niet kwalitatief aansprakelijk; zij kunnen alleen worden aangesproken als hun een eigen onrechtmatige daad valt te verwijten
  2. De ouders zijn aansprakelijk met een vermoeden van schuld, omdat Thomas minderjarig is en nog bij hen woont
  3. De ouders zijn risicoaansprakelijk, omdat een kind pas bij het bereiken van de meerderjarigheid zelf aansprakelijk wordt
  4. De ouders zijn aansprakelijk zolang zij het ouderlijk gezag uitoefenen, ongeacht de leeftijd van het kind

De kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders (art. 6:169 BW) eindigt bij zestien jaar: lid 1 geldt tot veertien jaar, lid 2 voor veertien- en vijftienjarigen. Een kind van zeventien is volledig zelf aansprakelijk uit art. 6:162 BW. De ouders zijn alleen aansprakelijk als zij zelf een onrechtmatige daad hebben gepleegd, bijvoorbeeld door een gevaarlijke situatie te scheppen. Minderjarigheid of ouderlijk gezag is als zodanig geen grond voor aansprakelijkheid.

16. Welk verschil bestaat er tussen de aansprakelijkheid van ouders voor een kind van twaalf jaar en die voor een kind van vijftien jaar?

  1. Bij twaalf jaar zijn de ouders alleen aansprakelijk bij gebrekkig toezicht; bij vijftien jaar dragen zij een risicoaansprakelijkheid zonder tegenbewijs
  2. Bij twaalf jaar zijn de ouders aansprakelijk zonder tegenbewijs; bij vijftien jaar kunnen zij bewijzen dat hun geen verwijt treft
  3. Bij twaalf jaar is het kind zelf aansprakelijk naast de ouders; bij vijftien jaar is uitsluitend het kind aansprakelijk en zijn de ouders vrij
  4. Er is geen verschil: tot achttien jaar zijn ouders op precies dezelfde wijze aansprakelijk voor hun kinderen

Art. 6:169 lid 1 BW: voor een kind jonger dan veertien jaar is de ouder of voogd risicoaansprakelijk; tegenbewijs over toezicht is niet mogelijk. Art. 6:169 lid 2 BW: voor een kind van veertien of vijftien jaar is de ouder aansprakelijk, tenzij hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging niet heeft belet (vermoeden van schuld). Het kind van twaalf is zelf niet aansprakelijk (art. 6:164 BW); het kind van vijftien wel, naast de ouders.

17. Welke regel geeft art. 6:165 BW voor iemand die schade veroorzaakt onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming?

  1. De gedraging kan hem nooit worden toegerekend, omdat toerekening schuld vereist en schuld een vrije wil veronderstelt; de benadeelde draagt de schade
  2. Is de dader veertien jaar of ouder, dan belet de tekortkoming niet dat de gedraging hem als onrechtmatige daad wordt toegerekend
  3. Toerekening is uitgesloten, tenzij de dader wist van zijn aandoening en toch een risicovolle activiteit ondernam
  4. De curator of bewindvoerder van de dader wordt in zijn plaats aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade

Art. 6:165 lid 1 BW: de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaar of ouder is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen beletsel om haar als onrechtmatige daad aan hem toe te rekenen. Dit is een toerekening buiten schuld, krachtens de wet. Lid 2 voegt toe dat een derde die wegens onvoldoende toezicht mede aansprakelijk is, in de onderlinge verhouding de hele schade moet dragen.

18. Een medewerker van een glazenwassersbedrijf laat een emmer van een ladder vallen op de auto van een voorbijganger. Wie kan de voorbijganger aanspreken?

  1. De werkgever als kwalitatief aansprakelijke en de medewerker zelf uit onrechtmatige daad, hoofdelijk
  2. Uitsluitend de werkgever, omdat een werknemer tegenover derden nooit persoonlijk aansprakelijk is voor fouten tijdens het werk
  3. De werkgever en de medewerker ieder voor de helft, omdat de wet de schade bij een dienstverband gelijk verdeelt
  4. Uitsluitend de medewerker, omdat een werkgever alleen aansprakelijk is voor fouten die hij zelf uitdrukkelijk heeft opgedragen

Art. 6:170 lid 1 BW maakt de werkgever aansprakelijk voor de fout van een ondergeschikte als de kans op de fout door de opdracht is vergroot en hij zeggenschap had over de gedragingen. De werknemer blijft zelf aansprakelijk uit art. 6:162 BW; beiden zijn hoofdelijk verbonden (art. 6:102 BW). In hun onderlinge verhouding draagt de werkgever de schade, tenzij de werknemer opzet of bewuste roekeloosheid valt te verwijten (art. 6:170 lid 3 BW).

19. De familie Bosman heeft een huishoudelijke hulp in dienst voor acht uur per week. Tijdens het ramen lappen stoot de hulp een bloembak van de vensterbank op de auto van de buurman. Na werktijd, op weg naar huis, beschadigt zij met haar fiets een andere auto. Voor welke schade is de familie Bosman aansprakelijk?

  1. Voor geen van beide: een particulier is geen werkgever in de zin van de wet, zodat de hulp alleen zelf aansprakelijk is
  2. Voor beide schades, omdat een werkgever aansprakelijk is voor elke fout die een ondergeschikte tijdens het dienstverband maakt
  3. Alleen voor de bloembak: bij een ondergeschikte buiten beroep of bedrijf is de werkgever slechts aansprakelijk voor fouten bij de vervulling van de taak
  4. Voor beide schades, mits de hulp in loondienst is en niet via een persoonsgebonden budget wordt betaald

Art. 6:170 lid 2 BW: stond de ondergeschikte niet in dienst van een beroep of bedrijf van de werkgever, dan is deze slechts aansprakelijk als de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak. Het lappen van ramen valt daaronder; het fietsen naar huis niet. Ook een particulier is werkgever in de zin van dit artikel. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt deze aansprakelijkheid voor huispersoneel doorgaans mee.

20. Op een camping lekt de verouderde gasfles van de caravan van de familie Verhoef door een verborgen defect aan het ventiel. Er ontstaat een steekvlam die de voortent van de buren vernielt. De familie had de gasfles kort daarvoor laten controleren. Wat geldt?

  1. De familie is niet aansprakelijk, omdat zij de gasfles heeft laten controleren en haar dus geen enkel verwijt kan worden gemaakt
  2. De familie is alleen aansprakelijk als de buren bewijzen dat een gasfles van die leeftijd volgens de fabrikant vervangen had moeten zijn
  3. De familie is als bezitter van een gebrekkige roerende zaak aansprakelijk, ook al kende zij het gebrek niet
  4. Alleen de fabrikant kan worden aangesproken, omdat een gebrek nooit voor rekening van de bezitter komt

Art. 6:173 lid 1 BW: de bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij, als zij niet aan de eisen voldoet, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, is aansprakelijk als dat gevaar zich verwezenlijkt. Een gasfles is zo'n zaak. Dit is een risicoaansprakelijkheid: kennis van het gebrek of een verwijt is niet vereist, zodat de controle de familie niet helpt. Is het gebrek een productgebrek, dan verwijst lid 2 naar de producent (art. 6:185 BW), maar slijtage door ouderdom is dat niet.

21. Wat verstaat art. 6:174 BW onder een opstal?

  1. Elk bouwwerk dat in het Kadaster als zelfstandige onroerende zaak is ingeschreven en waarvoor een omgevingsvergunning is verleend
  2. Alle onroerende zaken, met inbegrip van de grond zelf, de bomen en de beplanting op het perceel
  3. Uitsluitend woningen en bedrijfspanden die bewoond of in gebruik zijn, met uitzondering van bijgebouwen
  4. Gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, rechtstreeks of via andere gebouwen of werken

Art. 6:174 lid 4 BW omschrijft opstallen als gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. Daaronder vallen ook schuttingen, bruggen, wegen, leidingen en een zwembad. Bomen en beplanting zijn geen werken; schade daardoor valt onder art. 6:162 BW (zorgplicht van de eigenaar). Kadastrale inschrijving of een vergunning is niet bepalend.

22. Tijdens een windstoot valt een dakpan van de eigen woning van mevrouw Nijhof op een geparkeerde auto. De dakpan bleek los te liggen, wat van buitenaf niet zichtbaar was. Mevrouw Nijhof laat het dak jaarlijks inspecteren. Wat is juist?

  1. Zij is niet aansprakelijk, omdat zij het dak jaarlijks laat inspecteren en de losse dakpan voor haar redelijkerwijs niet kenbaar was
  2. Zij is als bezitter van de opstal aansprakelijk, omdat het dak niet voldeed aan de eisen die men eraan mag stellen
  3. Zij is niet aansprakelijk, omdat een windstoot een natuurgebeurtenis is waarvoor niemand aansprakelijk kan worden gehouden
  4. Zij is alleen aansprakelijk als de eigenaar van de auto bewijst dat de laatste inspectie door de dakdekker ondeugdelijk is uitgevoerd

Art. 6:174 lid 1 BW: de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert, is aansprakelijk als dat gevaar zich verwezenlijkt. Een loszittende dakpan is zo'n gebrek. Inspectie of onbekendheid met het gebrek bevrijdt niet: het is een risicoaansprakelijkheid. Een gewone windstoot is geen overmacht; de tenzij-clausule ziet alleen op gevallen waarin ook bij bekendheid met het gevaar geen aansprakelijkheid zou hebben bestaan.

23. Meneer Peters verhuurt zijn tweede woning aan een gezin. Een bezoeker van de huurders valt door een verrotte traptrede en breekt zijn enkel. De huurders hadden het gebrek nooit gemeld. Wie is op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk?

  1. Meneer Peters, als bezitter van de opstal; dat de huurders het gebrek niet meldden, verandert niets aan zijn kwalitatieve aansprakelijkheid
  2. De huurders, omdat de wet de aansprakelijkheid voor een opstal legt bij degene die het gebouw feitelijk gebruikt
  3. Meneer Peters en de huurders ieder voor de helft, omdat beiden de trap regelmatig hadden moeten controleren
  4. Niemand op grond van dit artikel: een verhuurde woning wordt bedrijfsmatig gebruikt en valt daarom onder art. 6:181 BW

Art. 6:174 lid 1 BW legt de aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal op de bezitter, hier de eigenaar-verhuurder. Gebruik door huurders verlegt de aansprakelijkheid niet; art. 6:181 BW doet dat alleen bij gebruik in de uitoefening van een bedrijf door de gebruiker zelf, en een gezin dat een woning huurt oefent geen bedrijf uit. De bezoeker kan Peters aanspreken; Peters kan hooguit intern op de huurders verhalen als zij een meldplicht uit de huurovereenkomst schonden.

24. Een gezonde, grote eik in de tuin van de familie Aalbers breekt tijdens een zware storm af en valt op de serre van de buren. Op welke grondslag kunnen de buren de familie Aalbers aanspreken?

  1. Uit de risicoaansprakelijkheid voor opstallen van art. 6:174 BW, omdat een boom net als een schutting duurzaam met de grond is verenigd
  2. Alleen uit onrechtmatige daad, als de familie een zorgplicht schond; een boom is geen opstal in de zin van art. 6:174 BW
  3. Uit de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken, omdat een afgebroken boom een losliggend voorwerp is geworden
  4. Uit wanprestatie, omdat buren tegenover elkaar een contractuele onderhoudsplicht voor hun tuinen hebben

Een boom is geen gebouw of werk in de zin van art. 6:174 lid 4 BW; de risicoaansprakelijkheid voor opstallen geldt daarom niet. De buren moeten terugvallen op art. 6:162 BW en aantonen dat de familie onzorgvuldig handelde, bijvoorbeeld door een zichtbaar zieke of gevaarlijke boom niet te laten controleren of snoeien. Bij een gezonde boom die in een zware storm afbreekt, ontbreekt zo'n verwijt meestal, zodat de schade voor de eigen opstalverzekering van de buren blijft.

25. Mevrouw Roos heeft haar woning op grond die zij in erfpacht heeft van de gemeente. Een bezoeker raakt gewond doordat een gebrekkig balkon instort. Wie draagt de aansprakelijkheid van art. 6:174 BW?

  1. De gemeente als grondeigenaar en juridisch bezitter, omdat het balkon door natrekking deel uitmaakt van de grond die zij in eigendom heeft
  2. Mevrouw Roos en de gemeente hoofdelijk, omdat zij beiden een zakelijk recht op de onroerende zaak hebben
  3. Mevrouw Roos als erfpachter: bij erfpacht rust de opstalaansprakelijkheid op de erfpachter in plaats van op de eigenaar van de grond
  4. De aannemer die het balkon heeft gebouwd, omdat een constructiefout altijd bij de bouwer blijft

Art. 6:174 lid 2 BW bepaalt dat bij erfpacht de aansprakelijkheid rust op de bezitter van het erfpachtrecht. De erfpachter heeft het genot van de opstal en moet die onderhouden; de grondeigenaar (hier de gemeente) blijft buiten schot. Hetzelfde lid verlegt de aansprakelijkheid voor openbare wegen naar het overheidslichaam en voor kabels en leidingen naar de leidingbeheerder. Verhaal op de aannemer is mogelijk, maar de benadeelde hoeft daar niet op te wachten.

26. Mevrouw Lammers komt ten val door een diep gat in het trottoir van een gemeentelijke weg, dat al weken niet was gerepareerd, en breekt haar heup. Wie is op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk?

  1. De gemeente als wegbeheerder: voor openbare wegen legt de wet de aansprakelijkheid bij het overheidslichaam
  2. Niemand op grond van dit artikel: een weg is geen opstal, zodat alleen een schuldaansprakelijkheid van de gemeente mogelijk is
  3. De aannemer die de weg heeft aangelegd, omdat de gemeente de aansprakelijkheid bij de aanleg contractueel overdraagt
  4. De eigenaar van het aangrenzende pand, omdat het trottoir voor de deur volgens de wet bij zijn opstal wordt gerekend en hij het moet onderhouden

Art. 6:174 lid 2 BW legt de aansprakelijkheid voor openbare wegen op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert, meestal de gemeente als wegbeheerder. Een weg is een werk dat duurzaam met de grond is verenigd en dus een opstal (lid 4); aan de eisen die men eraan mag stellen wordt niet voldaan als een gat wekenlang blijft liggen. De wegbeheerder kan zich alleen beroepen op de tenzij-clausule of op eigen schuld van de benadeelde (art. 6:101 BW).

27. Voor welke schade is de bezitter van een dier volgens art. 6:179 BW aansprakelijk?

  1. Voor schade die het dier aanricht op bevel van de bezitter; voor spontaan gedrag van het dier geldt geen aansprakelijkheid
  2. Voor schade die het dier aanricht uit eigen energie, tenzij hij ook niet aansprakelijk zou zijn geweest als hij de gedraging in zijn macht had gehad
  3. Alleen voor schade door dieren die in het verleden al eens agressief gedrag hebben vertoond tegenover mensen
  4. Voor schade door gevaarlijke dieren die op een wettelijke lijst staan, zoals bepaalde hondenrassen en roofdieren

Art. 6:179 BW: de bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Het gaat om het eigen, onberekenbare gedrag van het dier (de 'eigen energie'). Handelt het dier op bevel van de bezitter, dan is dat een eigen daad van de mens, beoordeeld naar art. 6:162 BW. Een lijst of eerder gedrag is niet vereist.

28. Bij de familie Smeets logeert een vriendin met haar hond. De hond bijt de postbode. Wie is op grond van art. 6:179 BW aansprakelijk?

  1. De familie Smeets, omdat de aansprakelijkheid voor een dier rust op degene in wiens woning het dier zich bevindt op het moment van de beet
  2. De familie Smeets en de vriendin hoofdelijk, omdat zij beiden gedurende het logeren feitelijk toezicht hadden op het gedrag van het dier
  3. De vriendin als bezitter van de hond; dat het dier tijdelijk bij de familie Smeets verblijft, maakt de familie geen bezitter
  4. Niemand: een hond die een vreemde bijt gedraagt zich onvoorspelbaar, wat voor de bezitter overmacht oplevert

Art. 6:179 BW richt zich tot de bezitter van het dier, dat wil zeggen degene die het dier voor zichzelf houdt (art. 3:107 BW): de vriendin. Tijdelijk verblijf bij een ander maakt de gastvrouw geen bezitter, tenzij zij het dier bedrijfsmatig gebruikt (art. 6:181 BW). De familie Smeets kan alleen aansprakelijk zijn uit art. 6:162 BW als haar zelf een fout treft. Op de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren van de vriendin is de hoedanigheid van bezitter van een huisdier meeverzekerd.

29. Mevrouw Jonker stalt haar paard bij een manege, die het paard met haar instemming ook inzet voor rijlessen. Tijdens een les gooit het paard een leerling af, die zijn arm breekt. Wie is aansprakelijk op grond van de wet?

  1. Mevrouw Jonker als bezitter, omdat de wettelijke aansprakelijkheid voor een dier onlosmakelijk aan de eigendom is verbonden en niet kan verschuiven
  2. De leerling zelf, omdat wie aan een rijles deelneemt het risico van een val van het paard bewust aanvaardt
  3. Mevrouw Jonker en de manege ieder voor de helft, omdat de wet de aansprakelijkheid bij stalling verdeelt
  4. De manege als bedrijfsmatig gebruiker van het paard; de aansprakelijkheid van de bezitter verschuift naar wie het dier in zijn bedrijf gebruikt

Art. 6:181 lid 1 BW verlegt de aansprakelijkheid van art. 6:179 BW van de bezitter naar degene die het dier in de uitoefening van een bedrijf gebruikt. Een manege die het paard inzet voor lessen is zo'n bedrijfsmatig gebruiker (vergelijk het Loretta-arrest van de Hoge Raad, 2011). Mevrouw Jonker blijft dan buiten schot. Deelname aan een rijles brengt geen aanvaarding van het risico mee; hooguit kan eigen schuld van de leerling (art. 6:101 BW) de vergoeding verminderen.

30. Meneer Vos roept tijdens een ruzie 'pak hem!' tegen zijn herdershond, die daarop de buurman bijt. Welke grondslag is voor de aansprakelijkheid van Vos het meest passend?

  1. De risicoaansprakelijkheid van de bezitter van een dier, omdat elke beet van een hond onder art. 6:179 BW valt, ongeacht een bevel
  2. Geen enkele grondslag, omdat een hond die op bevel bijt geen eigen energie gebruikt en de bezitter dan wettelijk gevrijwaard is
  3. Zijn eigen onrechtmatige daad van art. 6:162 BW, omdat de hond als werktuig van zijn opzettelijk handelen optrad
  4. De kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:173 BW, omdat een agressieve hond een gebrekkige zaak met een bijzonder gevaar is

Art. 6:179 BW ziet op schade door de eigen energie van het dier, dus op gedrag dat niet door de mens wordt gestuurd. Bijt een hond op bevel, dan gebruikt de bezitter het dier als werktuig en is de beet zijn eigen daad: aansprakelijkheid volgt uit art. 6:162 BW, hier met opzet. Dat verschil is van belang voor de aansprakelijkheidsverzekering: opzettelijk toegebrachte schade is uitgesloten, terwijl de kwalitatieve aansprakelijkheid voor een spontane beet gewoon gedekt is.

31. Wat regelt art. 6:181 BW voor de kwalitatieve aansprakelijkheid voor zaken, opstallen en dieren?

  1. Het beperkt de aansprakelijkheid van de bezitter tot de dagwaarde van de zaak of het dier waardoor de schade is ontstaan
  2. Worden zij gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid op degene die dat bedrijf uitoefent, in plaats van op de bezitter
  3. Het bepaalt dat de verzekeraar van de bezitter rechtstreeks door de benadeelde kan worden aangesproken
  4. Het verlegt de aansprakelijkheid naar de huurder zodra een zaak, opstal of dier langer dan een jaar is verhuurd

Art. 6:181 BW verlegt de aansprakelijkheid uit art. 6:173, 6:174 en 6:179 BW naar de bedrijfsmatig gebruiker: wie de zaak, opstal of dier in de uitoefening van een bedrijf gebruikt, is aansprakelijk en de bezitter niet meer. Voor opstallen geldt een uitzondering als het ontstaan van de schade niet met de bedrijfsuitoefening samenhangt. Verhuur aan een particulier of de duur van het gebruik verlegt niets; een directe actie tegen de verzekeraar staat in art. 7:954 BW.

32. Wanneer is een schuldenaar volgens art. 6:74 BW verplicht de schade te vergoeden die de schuldeiser door een tekortkoming in de nakoming lijdt?

  1. Alleen als de schuldenaar de tekortkoming opzettelijk of door grove nalatigheid heeft veroorzaakt en de schuldeiser dat ook kan bewijzen
  2. Bij iedere tekortkoming, tenzij die hem niet kan worden toegerekend; is nakoming nog mogelijk, dan moet hij bovendien in verzuim zijn
  3. Alleen als de overeenkomst een boetebeding of garantie bevat; zonder zo'n beding kan de schuldeiser uitsluitend nakoming of ontbinding vorderen
  4. Nooit rechtstreeks: schade uit een overeenkomst wordt alleen vergoed na een gerechtelijke ontbinding van die overeenkomst

Art. 6:74 lid 1 BW: iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade te vergoeden, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend (overmacht, art. 6:75 BW). Lid 2 voegt toe dat, als nakoming niet blijvend onmogelijk is, de schuldenaar eerst in verzuim moet zijn, meestal na een ingebrekestelling met een redelijke termijn (art. 6:82 BW). Opzet, een boetebeding of ontbinding zijn geen voorwaarden.

33. Studente Femke past tegen betaling op de vierjarige zoon van de familie Kuijpers. Door haar onoplettendheid valt het kind van een klimrek en breekt zijn been. Op welke grondslag kunnen de ouders Femke aanspreken?

  1. Uitsluitend uit wanprestatie, omdat het bestaan van een overeenkomst een vordering uit onrechtmatige daad tussen dezelfde partijen uitsluit
  2. Uitsluitend uit onrechtmatige daad, omdat letselschade van een kind nooit onder een overeenkomst kan vallen
  3. Zowel uit wanprestatie als uit onrechtmatige daad; de ouders mogen kiezen op welke grondslag zij de vordering baseren
  4. Op geen van beide grondslagen, omdat een oppas alleen een inspanningsverplichting heeft en geen resultaat belooft

Bij een tekortkoming die tevens een onrechtmatige daad oplevert, is er samenloop: de benadeelde kan kiezen tussen art. 6:74 BW (wanprestatie in de oppasovereenkomst) en art. 6:162 BW (onzorgvuldig toezicht). De grondslag kan uitmaken voor verjaring, bewijslast en exoneraties. Een oppas heeft weliswaar een inspanningsverbintenis, maar onoplettendheid is een toerekenbare tekortkoming. Voor de aansprakelijkheidsverzekering van Femke is van belang of zij handelde als particulier (bijbaan) of in beroep of bedrijf.

34. Verzekerde Karim meldt op zijn aansprakelijkheidsverzekering dat zijn kat de leren bank van de buren heeft opengekrabd. Hoe kwalificeert de schadebehandelaar de aansprakelijkheid van Karim?

  1. Als kwalitatieve aansprakelijkheid: Karim is aansprakelijk in zijn hoedanigheid van bezitter van het dier
  2. Als contractuele aansprakelijkheid, omdat Karim door de kat mee te nemen stilzwijgend heeft ingestaan voor haar gedrag
  3. Als geen enkele aansprakelijkheid, omdat schade door een kat uit haar natuurlijke gedrag voortvloeit en dus voor risico van de buren is
  4. Als persoonlijke aansprakelijkheid, omdat een huisdier juridisch als verlengstuk van het handelen van zijn baas geldt

Bij een aansprakelijkheidsclaim onderscheidt de behandelaar persoonlijke aansprakelijkheid (eigen onrechtmatige daad, art. 6:162 BW), kwalitatieve aansprakelijkheid (uit een hoedanigheid, zoals bezitter van een dier, art. 6:179 BW) en contractuele aansprakelijkheid (art. 6:74 BW). Krabschade door een kat uit eigen energie valt onder art. 6:179 BW: Karim is aansprakelijk als bezitter, zonder eigen fout. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt deze hoedanigheid.

35. Verzekerde mevrouw Dekker rijdt op haar gewone fiets door rood en raakt een voetganger, die letsel oploopt. Welke soort aansprakelijkheid stelt de behandelaar van haar aansprakelijkheidsverzekering vast?

  1. Kwalitatieve aansprakelijkheid, omdat zij als bezitter van de fiets aansprakelijk is voor de schade die de fiets veroorzaakt
  2. Persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad: zij handelde zelf in strijd met een wettelijke plicht en de schade is haar toe te rekenen
  3. Risicoaansprakelijkheid op grond van art. 185 Wegenverkeerswet, omdat een fiets een voertuig op de openbare weg is
  4. Contractuele aansprakelijkheid, omdat iedere weggebruiker met de overige weggebruikers een stilzwijgende overeenkomst heeft

Door rood rijden is een doen in strijd met een wettelijke plicht (art. 6:162 lid 2 BW) dat aan mevrouw Dekker zelf is toe te rekenen: persoonlijke aansprakelijkheid. Een fiets zonder motor is geen motorrijtuig, dus art. 185 WVW (dat de eigenaar of houder van een motorrijtuig treft) speelt niet, en een deugdelijke fiets is geen gebrekkige zaak in de zin van art. 6:173 BW. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren dekt de schade en behandelt de letselclaim van de voetganger.

Gratis beginnen