WftExamenTrainer

🚗 Verkeer: motorrijtuigenverzekering, WAM en artikel 185 WVW

Waarover dit onderdeel gaat

Onderdeel A2 Verkeer behandelt de motorrijtuigenverzekering, de WAM, artikel 185 Wegenverkeerswet 1994, het Waarborgfonds Motorverkeer, de RDW en de afspraken tussen verzekeraars.

De WAM

Art. 2 WAM legt de verzekeringsplicht op de bezitter en de kentekenhouder. De verzekering dekt de aansprakelijkheid van bezitter, houder, bestuurder en passagiers (art. 3 WAM); letsel van de bestuurder zelf hoeft niet gedekt te zijn (art. 4 WAM). De benadeelde heeft een eigen recht tegen de verzekeraar (art. 6 WAM), die hem geen verweren uit de polis kan tegenwerpen (art. 11 WAM) maar daarna verhaal neemt op de verzekeringnemer of de niet te goeder trouw zijnde verzekerde (art. 15 WAM). De vordering verjaart na drie jaar (art. 10 WAM). Beëindiging van de dekking werkt tegenover benadeelden pas zestien dagen na de melding aan de RDW (art. 13 WAM). De dekking geldt in de hele EU; de groene kaart bewijst dat. Rijden zonder verzekering is strafbaar (art. 30 WAM); de RDW controleert het register en beboet de kentekenhouder van een onverzekerd, niet geschorst kenteken.

Artikel 185 WVW en het Burgerlijk Wetboek

De eigenaar of houder van een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, is aansprakelijk voor schade aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. Tussen twee rijdende motorrijtuigen, voor de eigen inzittenden en voor loslopende dieren geldt art. 185 WVW niet; dan beslist art. 6:162 BW. De Hoge Raad voegde de 100 %-regel (kinderen jonger dan veertien) en de 50 %-regel (oudere niet-gemotoriseerden) toe, die alleen wijken bij opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van het slachtoffer. Door de reflexwerking blijft de eigen schade van de automobilist grotendeels voor zijn rekening.

Producten, waarde en acceptatie

WA is verplicht; WA beperkt casco voegt brand, diefstal, ruitbreuk, storm en aanrijding met dieren toe; WA volledig casco dekt ook eigen aanrijdingsschade en vandalisme. Waardemaatstaven: nieuwwaarde- en aanschafwaarderegeling in de eerste jaren, daarna dagwaarde; bij totaal loss wordt de restwaarde verrekend. Aanvullend: ongevallen inzittenden (sommenverzekering), schadeverzekering inzittenden (werkelijke schade, ook van de bestuurder), motorrijtuig- en verhaalsrechtsbijstand, verzekeraarshulpdienst en schadesturing met verlaagd eigen risico en vervangend vervoer.

Bonus-malus, verificatie en schaderegeling

Schadevrije jaren bepalen de bonus-malustrede; een schuldschade leidt tot terugval, tenzij zij volledig wordt verhaald. Bij royement worden de jaren vastgelegd in Roy-data, dat de royementsverklaring vervangt; een no-claimbeschermer beschermt de korting, niet de geregistreerde jaren. Verificatie loopt via de RDW, Roy-data en de Stichting CIS. Bij een onbekend, onverzekerd of gestolen motorrijtuig, een insolvente verzekeraar of een vrijgestelde gemoedsbezwaarde springt het Waarborgfonds Motorverkeer in, met een eigen risico bij zaakschade (indicatief, jaarlijks herzien). De regeling schuldloze derde (Bedrijfsregeling 7) en de Overeenkomst Vereenvoudigde Schaderegeling versnellen de afwikkeling tussen verzekeraars.

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Op wie rust volgens art. 2 WAM de verplichting om voor een personenauto een aansprakelijkheidsverzekering te sluiten en in stand te houden?

  1. Uitsluitend op de bestuurder die de auto feitelijk gebruikt, omdat de WAM zijn aansprakelijkheid dekt en niet die van de eigenaar
  2. Op de bezitter van het motorrijtuig en op de kentekenhouder, zodra de auto op de weg wordt gebruikt of daar staat
  3. Alleen op de eigenaar volgens het kentekenregister, nooit op een bezitter die het kenteken niet op naam heeft
  4. Op de verzekeraar die het kenteken als eerste in het register van de RDW heeft aangemeld

Art. 2 lid 1 WAM legt de verzekeringsplicht op de bezitter van het motorrijtuig én op degene aan wie het kenteken is opgegeven, zodra het motorrijtuig op de weg wordt gebruikt of daarop staat. De bestuurder is wel verzekerde (art. 3 WAM), maar niet degene die de verzekering moet sluiten. Een verzekeraar meldt de dekking aan de RDW, maar draagt zelf geen verzekeringsplicht.

2. Tijdens een vakantierit raakt de caravan van de familie Vermeer los van de trekhaak van hun auto, rolt door en beschadigt een geparkeerde auto. Welke verzekering moet de schade aan de geparkeerde auto vergoeden?

  1. De caravanverzekering van de familie, omdat de schade is veroorzaakt door de caravan zelf en niet door de auto waaraan hij was gekoppeld
  2. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren van de familie, omdat een losgeraakte caravan geen motorrijtuig is volgens de WAM
  3. De WA-verzekering van de trekkende auto, omdat de losgeraakte caravan volgens de WAM nog bij het motorrijtuig hoort
  4. Het Waarborgfonds Motorverkeer, omdat een rijdende caravan zonder eigen kenteken en zonder eigen WA-dekking als onverzekerd voertuig geldt

Art. 1 WAM rekent tot het motorrijtuig alles wat eraan is gekoppeld of daardoor wordt voortbewogen, en ook de aanhangwagen die na losraken nog niet veilig buiten het verkeer tot stilstand is gekomen. De WA-verzekeraar van de auto vergoedt dus de schade. Pas als de caravan veilig stilstaat en is losgekoppeld, valt schade die hij daarna veroorzaakt onder de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren.

3. Wiens aansprakelijkheid moet een WAM-verzekering volgens art. 3 WAM ten minste dekken?

  1. Die van iedere weggebruiker die bij het ongeval betrokken is, ook de bestuurder van het andere motorrijtuig
  2. Alleen die van de verzekeringnemer, omdat een polis nooit de aansprakelijkheid van niet met name genoemde personen dekt
  3. Die van de bestuurder en de eigenaar, maar niet die van passagiers, omdat passagiers geen bestuurshandelingen verrichten
  4. Die van de bezitter, de houder, de bestuurder en de vervoerde passagiers, voor schade die met het motorrijtuig wordt veroorzaakt

Art. 3 lid 1 WAM eist dat de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van de bezitter, de houder, de bestuurder en de passagiers, voor schade die met het motorrijtuig aan derden wordt toegebracht. Een passagier die een portier opent tegen een fietser is dus verzekerde. De verzekering hoeft niet de aansprakelijkheid van de tegenpartij te dekken; die heeft zijn eigen WAM-verzekeraar.

4. Meneer Dijkstra veroorzaakt door eigen onoplettendheid een eenzijdig ongeval en raakt zelf ernstig gewond. Hij heeft alleen een WA-verzekering en vraagt of die verzekeraar zijn letselschade vergoedt. Wat is juist?

  1. Ja, omdat de WA-verzekering alle personenschade dekt die met het motorrijtuig wordt veroorzaakt, ook die van de bestuurder zelf
  2. Ja, maar alleen tot het wettelijke minimumbedrag voor personenschade, omdat de bestuurder tegenover zijn eigen verzekeraar een benadeelde is
  3. Nee: de WAM staat toe dat letsel van de bestuurder zelf wordt uitgesloten, en de WA-polis dekt alleen schade van derden
  4. Nee, tenzij hij kan aantonen dat hij het ongeval niet met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt

Art. 4 lid 1 WAM bepaalt dat de verzekering niet de schade hoeft te dekken die aan de persoon van de bestuurder wordt toegebracht; WA-polissen sluiten die dan ook uit. Bovendien is niemand jegens meneer Dijkstra aansprakelijk, want hij veroorzaakte het ongeval zelf. Zijn eigen letsel is alleen gedekt via een schadeverzekering inzittenden of een ongevallenverzekering inzittenden.

5. Wat houdt het eigen recht van de benadeelde in art. 6 WAM in?

  1. Dat de benadeelde de aansprakelijke bestuurder eerst persoonlijk moet dagvaarden en pas met het vonnis bij de verzekeraar kan aankloppen
  2. Dat de benadeelde recht heeft op de volledige verzekerde som van de polis, ongeacht de omvang van zijn schade
  3. Dat de benadeelde een eigen verzekering moet hebben die zijn schade voorschiet en daarna verhaal neemt op de verzekeraar
  4. Dat de benadeelde zijn schade rechtstreeks van de WAM-verzekeraar kan vorderen, zonder de aansprakelijke persoon eerst aan te spreken

Art. 6 lid 1 WAM geeft de benadeelde een eigen recht (rechtstreekse vordering) op schadevergoeding tegen de verzekeraar van het motorrijtuig. Hij hoeft de aansprakelijke bestuurder of eigenaar dus niet eerst aan te spreken en heeft geen eigen verzekering nodig. De vordering blijft wel begrensd door de werkelijk geleden schade en de verzekerde som; de WAM geeft geen recht op het maximum.

6. Mevrouw Nowak verzweeg bij het sluiten van haar WA-verzekering een eerder royement wegens wanbetaling. Later rijdt zij een fietser aan, die € 20.000 letselschade lijdt. De verzekeraar ontdekt de verzwijging en had haar bij kennis daarvan niet geaccepteerd. Wat is juist?

  1. De verzekeraar moet de fietser vergoeden en kan het bedrag daarna op mevrouw Nowak verhalen
  2. De verzekeraar moet de fietser vergoeden en mag niets verhalen, omdat de WAM verhaal op de eigen verzekeringnemer uitsluit
  3. De verzekeraar mag de fietser afwijzen, omdat verzwijging die tot afwijzing zou hebben geleid het recht op uitkering doet vervallen
  4. De verzekeraar hoeft alleen uit te keren voor zover de fietser niet zelf een ongevallenverzekering heeft gesloten

Art. 11 lid 1 WAM bepaalt dat geen uit de wet of de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, verweer of verval aan de benadeelde kan worden tegengeworpen; de verzwijging (art. 7:928 BW) raakt de fietser dus niet. Art. 15 lid 1 WAM geeft de verzekeraar vervolgens verhaal op de verzekeringnemer voor wat hij zonder dekking heeft uitgekeerd. De eigen verzekering van de fietser speelt geen rol.

7. Binnen welke termijn verjaart de rechtsvordering van een benadeelde tegen de WAM-verzekeraar, en hoe kan die termijn worden gestuit?

  1. Vijf jaar na het feit, met stuiting alleen door een dagvaarding; een briefwisseling met de verzekeraar heeft geen effect
  2. Twee jaar na de dag waarop de benadeelde de verzekeraar heeft leren kennen; stuiting is alleen mogelijk via de rechter
  3. Drie jaar na de eerste afwijzing door de verzekeraar, met stuiting door een klacht bij het Kifid
  4. Drie jaar na het feit waaruit de schade is ontstaan; iedere onderhandeling tussen benadeelde en verzekeraar stuit de verjaring

Art. 10 lid 1 WAM laat de vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaren door verloop van drie jaar te rekenen van het feit waaruit de schade is ontstaan. Volgens lid 5 stuit iedere onderhandeling tussen verzekeraar en benadeelde de verjaring; een nieuwe termijn begint pas als een partij per aangetekende brief of deurwaardersexploot meedeelt dat zij de onderhandelingen afbreekt.

8. De WA-verzekeraar van meneer Bakker beëindigt de polis wegens wanbetaling en meldt dat op 1 juni aan de RDW. Op 10 juni rijdt meneer Bakker met de auto een voetganger aan. Kan de voetganger zijn schade bij deze verzekeraar claimen?

  1. Ja: de beëindiging werkt tegenover benadeelden pas zestien dagen na de melding aan de RDW, dus de verzekeraar moet uitkeren
  2. Nee, omdat de benadeelde bij wanbetaling van de verzekeringnemer altijd rechtstreeks het Waarborgfonds Motorverkeer moet aanspreken
  3. Nee, omdat de dekking tegenover iedereen is geëindigd op de dag van de beëindiging en de voetganger zich tot het Waarborgfonds moet wenden
  4. Ja, maar alleen als de voetganger bewijst dat hij de beëindiging van de verzekering niet kende

Art. 13 lid 4 WAM bepaalt dat beëindiging of schorsing van de verzekering pas aan benadeelden kan worden tegengeworpen na verloop van zestien dagen nadat de verzekeraar daarvan kennis heeft gegeven aan de RDW. Op 10 juni loopt die termijn nog, zodat de verzekeraar de voetganger moet vergoeden; hij verhaalt het bedrag daarna op meneer Bakker via art. 15 WAM. Het Waarborgfonds komt pas na die termijn in beeld.

9. Hoe worden de bedragen bepaald waarvoor een WAM-verzekering ten minste dekking moet geven?

  1. Bij algemene maatregel van bestuur, met afzonderlijke minima per gebeurtenis voor personenschade en voor zaakschade
  2. De verzekeraar bepaalt zelf de verzekerde som; de WAM eist alleen dat die som in de polis staat en aan de benadeelde wordt meegedeeld
  3. Door het Verbond van Verzekeraars, dat jaarlijks één bedrag voor alle schade per gebeurtenis vaststelt
  4. Door de rechter per geval, omdat de wet alleen eist dat de dekking toereikend is voor de werkelijke schade

Art. 22 WAM laat de minimumbedragen vaststellen bij algemene maatregel van bestuur, met een apart minimum per gebeurtenis voor personenschade en voor zaakschade, in lijn met de Europese richtlijn motorrijtuigenverzekering. De bedragen worden periodiek geïndexeerd (indicatief, jaarlijks herzien); verzekeraars bieden in de praktijk vaak hogere sommen. De verzekeraar kan het minimum dus niet zelf verlagen.

10. Mevrouw Peters wordt tijdens haar vakantie in Spanje in haar auto aangereden door een Spaanse automobilist die aansprakelijk is. Terug in Nederland wil zij haar schade claimen zonder naar Spanje te reizen. Hoe kan zij dat aanpakken?

  1. Alleen via een Spaanse advocaat, omdat schade in het buitenland alleen bij de rechter van het land van het ongeval kan worden gevorderd
  2. Via het Waarborgfonds Motorverkeer, dat schade van Nederlanders in het buitenland voorschiet en op de buitenlandse verzekeraar verhaalt
  3. Via de schaderegelaar die de Spaanse verzekeraar in Nederland heeft aangewezen, en anders via het Nederlands Bureau
  4. Via haar eigen WA-verzekeraar, die op grond van de WAM verplicht is buitenlandse schade van zijn verzekerde voor te schieten

Op grond van de Europese richtlijn motorrijtuigenverzekering, verwerkt in de WAM, wijst elke EU-verzekeraar in iedere lidstaat een schaderegelaar aan bij wie de benadeelde in eigen land kan claimen. Blijft een reactie binnen drie maanden uit of is er geen schaderegelaar, dan treedt het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars op als schadevergoedingsorgaan. Het Waarborgfonds is hiervoor niet bedoeld.

11. Een Duitse automobilist veroorzaakt in Nederland een aanrijding met de auto van meneer Smit. Welke rol speelt het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars hierbij?

  1. Het keurt de Duitse polis en verklaart deze pas na registratie bij de RDW geldig voor het Nederlandse wegennet
  2. Het bemiddelt alleen bij letselschade; voor schade aan de auto van meneer Smit moet hij zich in Duitsland melden
  3. Het is als Nederlands groene-kaartbureau het aanspreekpunt en de garant voor schade die een buitenlands verzekerd voertuig hier veroorzaakt
  4. Het is het Nederlandse Waarborgfonds voor buitenlandse voertuigen en betaalt alleen als de Duitse verzekeraar failliet is

Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars is het Nederlandse bureau in het groene-kaartsysteem: het regelt, meestal via een correspondent van de buitenlandse verzekeraar, de schade die buitenlandse motorrijtuigen in Nederland veroorzaken en staat daarvoor garant (art. 2 WAM). Meneer Smit hoeft dus niet naar Duitsland. Het Bureau is geen toezichthouder en geen waarborgfonds voor insolvente verzekeraars.

12. Meneer Jonker laat zijn oude auto onverzekerd op de openbare weg voor zijn huis staan; hij rijdt er al maanden niet mee. Hij meent dat een stilstaande auto niet verzekerd hoeft te zijn. Wat is juist?

  1. Hij heeft ongelijk: ook een motorrijtuig dat op de weg staat, moet verzekerd zijn; onverzekerd laten staan is strafbaar
  2. Hij heeft gelijk zolang hij de sleutels niet aan anderen geeft, omdat de WAM alleen het risico van het rijden door derden wil afdekken
  3. Hij heeft gelijk: de verzekeringsplicht van de WAM geldt alleen voor motorrijtuigen waarmee daadwerkelijk aan het verkeer wordt deelgenomen
  4. Hij heeft ongelijk, tenzij hij de auto binnen dertig dagen verkoopt of laat slopen en dat bij de RDW meldt

Art. 2 lid 1 WAM verplicht tot verzekering zodra het motorrijtuig op de weg wordt gebruikt of daarop staat; stilstaan op de openbare weg valt er dus onder. Art. 30 WAM stelt het niet naleven strafbaar en de RDW legt na registervergelijking een boete op aan de kentekenhouder. Wil meneer Jonker geen premie betalen, dan moet hij het kenteken bij de RDW schorsen en de auto van de openbare weg halen.

13. Welke groep kan van de verzekeringsplicht van de WAM worden vrijgesteld, en wie vergoedt dan de schade die hun motorrijtuig veroorzaakt?

  1. Gemoedsbezwaarden met een vrijstelling; het Waarborgfonds Motorverkeer vergoedt de benadeelde en verhaalt daarna op de gemoedsbezwaarde
  2. Bestuurders met meer dan vijftien schadevrije jaren, die de schade zelf betalen uit een waarborgsom die zij eerder bij de RDW hebben gestort
  3. Eigenaren van oldtimers ouder dan veertig jaar; hun schade komt voor rekening van de Stichting CIS
  4. Houders van een geschorst kenteken; hun schade wordt vergoed door de verzekeraar van de tegenpartij

De WAM laat gemoedsbezwaarden, die op grond van hun overtuiging geen verzekering willen sluiten, vrijstellen van de verzekeringsplicht. Veroorzaakt hun motorrijtuig schade, dan vergoedt het Waarborgfonds Motorverkeer de benadeelde (art. 25 WAM) en neemt het verhaal op de vrijgestelde. Schadevrije jaren, ouderdom van het voertuig of een geschorst kenteken geven geen vrijstelling.

14. De familie Yildiz rijdt met de eigen auto naar Turkije. De adviseur controleert de groene kaart en ziet dat de landcode TR niet is doorgehaald. Wat betekent dit voor de WA-dekking tijdens de reis?

  1. De WA-dekking geldt alleen binnen de Europese Unie; voor Turkije moet de familie aan de grens een aparte grensverzekering sluiten
  2. De WA-dekking geldt ook in Turkije; de groene kaart bewijst dat de verzekeraar daar dekking verleent
  3. De WA-dekking geldt in Turkije alleen voor personenschade; zaakschade aan derden moet de familie daar zelf betalen
  4. De groene kaart zegt niets over de dekking; de familie moet bij de verzekeraar een schriftelijke buitenlanddekking aanvragen

De groene kaart (het internationaal motorrijtuigverzekeringsbewijs) vermeldt de landen waarvoor de verzekeraar dekking verleent; alleen doorgehaalde landcodes vallen buiten de dekking. De WAM eist ten minste dekking in de hele EU; Turkije neemt deel aan het groene-kaartsysteem, dus een niet doorgehaald TR betekent volledige WA-dekking. Een grensverzekering is alleen nodig voor voertuigen zonder geldige groene kaart.

15. Wat regelt art. 185 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994?

  1. Dat de WAM-verzekeraar altijd de schade van voetgangers en fietsers vergoedt, ook als de bestuurder geen schuld heeft
  2. Dat elke bestuurder die een verkeersregel overtreedt, aansprakelijk is voor alle schade die daaruit voortvloeit, ook aan andere auto's
  3. Dat de eigenaar of houder van een rijdend motorrijtuig de schade van niet-gemotoriseerden vergoedt, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt
  4. Dat kinderen jonger dan veertien jaar nooit aansprakelijk zijn voor schade die zij in het verkeer veroorzaken

Art. 185 lid 1 WVW legt op de eigenaar of houder van een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden een risicoaansprakelijkheid voor schade aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen of zaken; alleen aannemelijk gemaakte overmacht bevrijdt hem. Schuld van de bestuurder is niet vereist. De aansprakelijkheid van kinderen wordt niet door dit artikel maar door art. 6:164 en 6:169 BW geregeld.

16. Op een kruising botsen de auto van mevrouw Hoekstra en de auto van meneer Van Dam, beide rijdend. Meneer Van Dam verleende geen voorrang. Op welke grondslag kan mevrouw Hoekstra haar schade van hem of zijn verzekeraar vorderen?

  1. Op art. 185 WVW, omdat meneer Van Dam als eigenaar van een motorrijtuig risicoaansprakelijk is en alleen bewezen overmacht hem kan bevrijden
  2. Op art. 185 WVW, maar met toepassing van de 50 %-regel, zodat zij ten minste de helft van haar schade krijgt ongeacht haar eigen rijgedrag
  3. Op de Overeenkomst Vereenvoudigde Schaderegeling, die de aansprakelijkheid tussen automobilisten wettelijk vastlegt
  4. Op art. 6:162 BW: tussen twee rijdende motorrijtuigen geldt art. 185 WVW niet en moet zij zijn onrechtmatige daad aantonen

Art. 185 lid 3 WVW sluit de risicoaansprakelijkheid uit voor schade aan een ander motorrijtuig in beweging en aan de daarmee vervoerde personen en zaken. Tussen twee rijdende auto's geldt daarom het gewone onrechtmatigedaadsrecht van art. 6:162 BW: het niet verlenen van voorrang (RVV 1990) is een toerekenbare onrechtmatige daad. De OVS is slechts een afspraak tussen verzekeraars over de onderlinge afwikkeling.

17. Een fietser steekt zonder te kijken plotseling over, vlak voor de auto van meneer Ali, die 30 km/u rijdt waar 50 is toegestaan en direct remt. De fietser raakt gewond. Meneer Ali beroept zich op overmacht. Wanneer slaagt dat beroep?

  1. Alleen als hem rechtens geen verwijt treft en de fout van de fietser zo onwaarschijnlijk was dat hij er geen rekening mee hoefde te houden
  2. Zodra hij bewijst dat de fietser een verkeersregel overtrad, omdat een overtreding van het slachtoffer wettelijk steeds overmacht oplevert
  3. Nooit, omdat een automobilist tegenover een fietser bij wet volledig aansprakelijk is en overmacht alleen bij natuurgeweld bestaat
  4. Alleen als de fietser ouder is dan veertien jaar en zelf een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren heeft

De Hoge Raad legt overmacht in art. 185 WVW streng uit: de bestuurder moet aannemelijk maken dat hem rechtens geen enkel verwijt treft en dat de fouten van de ander zo onwaarschijnlijk waren dat hij daarmee bij het bepalen van zijn rijgedrag in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Een enkele overtreding van de fietser is daarvoor niet genoeg.

18. De achtjarige Sem rent achter een bal de straat op en wordt geraakt door de auto van mevrouw Kuiper, die netjes 30 km/u reed en nog remde. Sem loopt letsel op. In welke mate is mevrouw Kuiper, via haar WA-verzekeraar, aansprakelijk?

  1. Voor 100 %; bij een kind jonger dan veertien wijkt dat alleen bij opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid
  2. Voor 0 %, omdat het plotseling oversteken van een spelend kind voor een automobilist die 30 km/u rijdt en remt, overmacht oplevert
  3. Voor 50 %, omdat de vaste billijkheidsregel van de Hoge Raad de schade tussen automobilist en kind altijd gelijk verdeelt
  4. Naar rato van de causale bijdragen, omdat art. 6:101 BW ook voor kinderen de gewone eigenschuldverdeling voorschrijft

Volgens de 100 %-regel van de Hoge Raad (arrest Ingrid Kolkman) moet de eigenaar of houder van het motorrijtuig de schade van een voetganger of fietser jonger dan veertien jaar volledig vergoeden, tenzij het kind met opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid handelde. Overmacht slaagt bij zulke jonge kinderen vrijwel nooit; de eigenschuldverdeling van art. 6:101 BW wordt door deze billijkheidsregel opzijgezet.

19. De 35-jarige mevrouw Brink fietst 's nachts zonder licht en negeert een rood verkeerslicht; zij wordt aangereden door de auto van meneer Groen, die geen verwijt treft maar zich niet op overmacht kan beroepen. Haar schade is € 40.000. Wat is het minimum dat zij vergoed krijgt?

  1. € 40.000, omdat art. 185 WVW een risicoaansprakelijkheid is waarbij de eigen schuld van de fietser geen rol kan spelen
  2. € 0, omdat fietsen zonder licht door rood aan opzet grenzende roekeloosheid oplevert en de 50 %-regel dan niet geldt
  3. € 20.000: zonder overmacht en zonder aan opzet grenzende roekeloosheid krijgt een niet-gemotoriseerde van veertien jaar of ouder de helft
  4. € 10.000, omdat bij twee zware overtredingen van de fietser de causale verdeling op 25 % voor de automobilist uitkomt

De 50 %-regel van de Hoge Raad (IZA/Vrerink) geeft een niet-gemotoriseerde van veertien jaar of ouder bij een aanrijding met een motorrijtuig minstens de helft van zijn schade als de eigenaar geen overmacht aantoont, tenzij het slachtoffer met opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid handelde. Door rood fietsen zonder licht is onvoorzichtig, maar niet aan opzet grenzend; de rest wordt via art. 6:101 BW verdeeld.

20. Een 17-jarige voetganger springt bij wijze van uitdaging vlak voor een auto de rijbaan op om te zien of de bestuurder tijdig kan remmen, en wordt geraakt. De bestuurder kan geen overmacht aantonen. Welke betekenis heeft het gedrag van de voetganger?

  1. Geen enkele: de 50 %-regel garandeert iedere voetganger van veertien jaar of ouder de helft van zijn schade, wat hij zelf ook heeft gedaan
  2. Bij aan opzet grenzende roekeloosheid vervalt de 50 %-garantie en geldt de gewone verdeling naar causaliteit en billijkheid
  3. Het gedrag levert automatisch overmacht op voor de bestuurder, zodat art. 185 WVW niet van toepassing is en de voetganger niets ontvangt
  4. Het gedrag telt alleen mee als de voetganger achttien jaar of ouder is; minderjarigen vallen onder de 100 %-regel

De 50 %-regel van de Hoge Raad geldt niet als het slachtoffer van veertien jaar of ouder met opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid heeft gehandeld. Bewust voor een auto springen is zo'n geval: de minimumgarantie vervalt en de schade wordt verdeeld volgens art. 6:101 BW naar causale bijdrage en billijkheid, wat tot een zeer lage of geen vergoeding kan leiden. De 100 %-regel geldt alleen tot veertien jaar.

21. Meneer Faber rijdt in zijn auto en wordt geraakt door een fietser die zonder te kijken van een uitrit komt; de auto raakt beschadigd, de fietser niet. Meneer Faber wil zijn autoschade van de fietser vorderen. Welke stelling is juist?

  1. Door de reflexwerking van art. 185 WVW blijft zijn schade grotendeels voor eigen rekening, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt
  2. Hij krijgt zijn schade volledig vergoed, omdat art. 185 WVW alleen de fietser beschermt als die zelf schade lijdt, wat hier niet zo is
  3. Hij kan niets vorderen, omdat een fietser als niet-gemotoriseerde nooit aansprakelijk is tegenover een automobilist
  4. Hij krijgt ten minste 50 %, omdat de 50 %-regel bij een aanrijding tussen auto en fiets in beide richtingen werkt

De fietser is aansprakelijk uit art. 6:162 BW, maar de Hoge Raad (arresten Saskia Mulder en Chan-a-Hung/Maalsté) laat de bescherming van art. 185 WVW reflecteren: bij de verdeling van art. 6:101 BW wordt het gevaar van het motorrijtuig aan de automobilist toegerekend, zodat zijn eigen schade grotendeels voor zijn rekening blijft, tenzij hem overmacht toekomt. De vaste 50 %-regel werkt niet in omgekeerde richting.

22. Mevrouw Jacobs leent haar auto uit aan haar buurman, die er een voetganger mee aanrijdt zonder dat overmacht speelt. De voetganger vraagt de adviseur wie hij op grond van art. 185 WVW kan aanspreken. Wat is juist?

  1. Alleen de buurman als bestuurder, omdat art. 185 WVW de aansprakelijkheid legt bij degene die het motorrijtuig feitelijk bestuurde
  2. Alleen de buurman, omdat het vrijwillig uitlenen van de auto mevrouw Jacobs van elke aansprakelijkheid als eigenaar ontslaat
  3. Niemand, omdat art. 185 WVW alleen geldt als eigenaar en bestuurder dezelfde persoon zijn; de voetganger moet art. 6:162 BW gebruiken
  4. Mevrouw Jacobs als eigenaar; zij is ook aansprakelijk voor de gedragingen van degene die zij met haar auto laat rijden

Art. 185 lid 1 WVW richt de aansprakelijkheid tot de eigenaar of houder van het motorrijtuig, en lid 2 maakt de eigenaar of houder die niet zelf rijdt aansprakelijk voor de gedragingen van degene door wie hij het motorrijtuig doet of laat rijden. De voetganger kan dus mevrouw Jacobs (en via art. 6 WAM haar WA-verzekeraar) aanspreken. De buurman kan daarnaast uit art. 6:162 BW worden aangesproken.

23. De auto van meneer Roos wordt gestolen. De dief rijdt er dezelfde nacht een fietser mee aan. De fietser spreekt meneer Roos aan op grond van art. 185 WVW. Wat is juist?

  1. Meneer Roos is niet aansprakelijk: schade door iemand voor wie de eigenaar niet aansprakelijk is, geldt volgens art. 185 WVW als overmacht
  2. Meneer Roos is als eigenaar aansprakelijk, want art. 185 WVW kent een risicoaansprakelijkheid die ook bij diefstal blijft gelden
  3. Meneer Roos is voor 50 % aansprakelijk, omdat de diefstal de causale bijdrage van de eigenaar aan het ongeval halveert
  4. Meneer Roos is aansprakelijk, maar zijn WA-verzekeraar mag de uitkering aan de fietser weigeren wegens diefstal

Art. 185 lid 1 WVW rekent tot overmacht ook het geval dat het ongeval is veroorzaakt door iemand voor wie de eigenaar of houder niet aansprakelijk is, zoals een dief. Meneer Roos is dus niet aansprakelijk. De fietser kan zich wenden tot de dief (art. 6:162 BW) en, omdat de WAM-verzekeraar schade door een dief mag uitsluiten (art. 3 WAM), tot het Waarborgfonds Motorverkeer.

24. Meneer Bos rijdt bij het inparkeren tegen de stilstaande, geparkeerde auto van mevrouw Lam. Zij vraagt op welke grondslag zij haar schade kan verhalen en of zij de schuld van meneer Bos moet bewijzen. Wat is juist?

  1. Op art. 185 WVW: haar auto was niet in beweging, dus meneer Bos is aansprakelijk zonder dat zij zijn schuld hoeft te bewijzen
  2. Op art. 185 WVW, maar met toepassing van de 50 %-regel, zodat zij zonder bewijs van schuld slechts de helft van haar schade kan vorderen
  3. Alleen op art. 6:162 BW, omdat art. 185 WVW nooit geldt voor schade aan een ander motorrijtuig, ook niet wanneer dat geparkeerd stilstaat
  4. Op de OVS van het Verbond, die inparkeerschade altijd ten laste van de inparkerende bestuurder brengt

De uitzondering van art. 185 lid 3 WVW geldt alleen voor schade aan een ander motorrijtuig in beweging. Een geparkeerde auto beweegt niet, zodat mevrouw Lam de risicoaansprakelijkheid van art. 185 lid 1 WVW kan inroepen: meneer Bos moet vergoeden tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. De 50 %-regel is een billijkheidsregel voor kwetsbare verkeersdeelnemers, niet voor de eigenaar van een geparkeerde auto.

25. Een 16-jarige bromfietser rijdt op een fietspad een 40-jarige fietser aan; de fietser lijdt letsel. Op welke grondslag en in welke mate kan de fietser de bromfietser aanspreken?

  1. Op art. 185 WVW: een bromfiets is een motorrijtuig, dus de fietser krijgt minstens 50 % tenzij de bromfietser overmacht aannemelijk maakt
  2. Op art. 6:162 BW, omdat een bromfiets geen motorrijtuig is in de zin van de Wegenverkeerswet, zodat art. 185 WVW hier niet van toepassing is
  3. Op art. 185 WVW, maar zonder de 50 %-regel, omdat die alleen geldt bij aanrijdingen met een personenauto of vrachtwagen
  4. Op art. 6:169 BW, omdat een 16-jarige minderjarig is en alleen zijn ouders aansprakelijk kunnen zijn

Een bromfiets is een motorrijtuig in de zin van art. 1 WVW en van de WAM; de eigenaar of houder ervan draagt daarom de risicoaansprakelijkheid van art. 185 WVW tegenover niet-gemotoriseerden, met de 50 %-regel voor slachtoffers van veertien jaar en ouder. Een 16-jarige is zelf aansprakelijk; de ouderaansprakelijkheid van art. 6:169 BW geldt alleen tot zestien jaar.

26. Mevrouw De Jong rijdt op een elektrische fiets met trapondersteuning tot 25 km/u en wordt aangereden door een auto; overmacht speelt niet. De automobilist stelt dat zij als gemotoriseerde geen beroep kan doen op art. 185 WVW. Wat is juist?

  1. De automobilist heeft gelijk: elke fiets met een elektromotor is een motorrijtuig, zodat tussen hen art. 6:162 BW geldt
  2. Zij is niet-gemotoriseerd: een fiets met trapondersteuning is geen motorrijtuig, dus art. 185 WVW beschermt haar
  3. De automobilist heeft gelijk, maar alleen als de e-bike sneller kan dan 20 km/u; daaronder geldt de fiets als voetganger
  4. Zij valt onder art. 185 WVW, maar zonder de 50 %-regel, omdat die regel alleen voor gewone fietsers en voetgangers is bedoeld

Art. 1 lid 1 WVW zondert fietsen met trapondersteuning (tot 25 km/u, beperkt motorvermogen) uit van het begrip motorrijtuig; ook de WAM merkt ze niet als motorrijtuig aan. Mevrouw De Jong is dus een niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemer die de bescherming van art. 185 WVW en de 50 %-regel geniet. Een speed-pedelec (tot 45 km/u) is daarentegen een bromfiets en dus wél een motorrijtuig.

27. Welke vereisten moet een benadeelde aantonen om de bestuurder (niet de eigenaar) van een auto op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk te houden voor een verkeersongeval?

  1. Dat de bestuurder een boete heeft gekregen, omdat zonder strafrechtelijke veroordeling geen civiele aansprakelijkheid bestaat
  2. Alleen dat de bestuurder betrokken was bij het ongeval; de wet vermoedt dan zijn schuld, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt
  3. Een toerekenbare onrechtmatige daad van de bestuurder, schade, causaal verband en een geschonden norm die tegen die schade beschermt
  4. Dat de bestuurder eigenaar of houder van de auto is, omdat het BW aansprakelijkheid van een bestuurder aan eigendom koppelt

Art. 6:162 BW vereist een onrechtmatige daad (inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht of met de zorgvuldigheid), toerekenbaarheid, schade, causaal verband en relativiteit (art. 6:163 BW). De bewijslast ligt bij de benadeelde. Het schuldvermoeden met overmacht als tegenbewijs hoort bij art. 185 WVW en geldt alleen tegen de eigenaar of houder; een strafrechtelijke veroordeling is geen voorwaarde.

28. Op het afgesloten bedrijfsterrein van een loods, dat niet voor het publiek toegankelijk is, rijdt meneer Willems met zijn auto tegen een voetganger. De voetganger beroept zich op art. 185 WVW. Wat is juist?

  1. Het beroep slaagt, omdat art. 185 WVW geldt overal waar met een motorrijtuig wordt gereden, ook op besloten terreinen en in loodsen
  2. Het beroep slaagt niet: het terrein is geen weg in de zin van de WVW, zodat alleen art. 6:162 BW overblijft
  3. Het beroep slaagt, maar de 50 %-regel geldt niet op privéterrein, zodat de schade alleen naar causaliteit wordt verdeeld
  4. Het beroep slaagt niet, omdat een voetganger op een bedrijfsterrein altijd onder art. 7:658 BW valt

Art. 185 lid 1 WVW geldt voor een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden; art. 1 lid 1 WVW verstaat onder weg alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen en paden, inclusief openbare parkeerterreinen. Een afgesloten, niet voor het publiek toegankelijk bedrijfsterrein is geen weg, zodat de voetganger schuld moet bewijzen via art. 6:162 BW. Art. 7:658 BW speelt alleen tussen werkgever en werknemer.

29. In welke gevallen kan een benadeelde zich volgens de WAM tot het Waarborgfonds Motorverkeer wenden?

  1. Bij elke verkeersschade waarvoor de aansprakelijke verzekeraar de claim afwijst of drie maanden niet reageert, wat de oorzaak ook is
  2. Bij schade door een buitenlands motorrijtuig waarvan de verzekeraar geen schaderegelaar in Nederland heeft
  3. Alleen bij letselschade door een onbekend gebleven motorrijtuig; zaakschade valt nooit onder het Waarborgfonds
  4. Bij een onbekend, onverzekerd of gestolen motorrijtuig, bij een insolvente WAM-verzekeraar en bij een vrijgestelde gemoedsbezwaarde

Art. 25 lid 1 WAM noemt vijf gevallen: de aansprakelijke is onbekend gebleven, het motorrijtuig was onverzekerd, het was gestolen of door geweld verkregen (de dief valt buiten de dekking van art. 3 WAM), de verzekeraar is insolvent, of het gaat om een vrijgestelde gemoedsbezwaarde. Zaakschade valt er ook onder, met een eigen risico. Schade door buitenlandse voertuigen loopt via het Nederlands Bureau.

30. De geparkeerde auto van mevrouw Talsma is 's nachts aangereden; de dader is doorgereden en onbekend. De schade is € 1.900. Zij heeft alleen een WA-verzekering. Wat moet zij doen om een beroep op het Waarborgfonds Motorverkeer te kunnen doen?

  1. Eerst haar eigen WA-verzekeraar aanspreken; pas als die schriftelijk afwijst, kan het Waarborgfonds de schade in behandeling nemen
  2. Binnen drie dagen een schade-expert van het Waarborgfonds laten komen en het beschadigde voertuig voor onderzoek beschikbaar houden
  3. Niets: het Waarborgfonds vergoedt zaakschade door een onbekende dader alleen als er ook letsel is, en dat is hier niet het geval
  4. Snel aangifte doen bij de politie, aantonen dat een motorrijtuig de schade veroorzaakte en proberen de dader te achterhalen

Bij een onbekend gebleven motorrijtuig (art. 25 lid 1 WAM) verlangt het Waarborgfonds Motorverkeer dat de benadeelde aannemelijk maakt dat de schade door een motorrijtuig is veroorzaakt, dat hij binnen veertien dagen aangifte deed en redelijke moeite deed om de dader te achterhalen. Voor zaakschade geldt een eigen risico (indicatief, jaarlijks herzien); een afwijzing van de eigen verzekeraar is niet vereist.

31. Meneer Kok krijgt van het Waarborgfonds Motorverkeer een vergoeding voor zaakschade van € 2.150 aan zijn auto, veroorzaakt door een onverzekerde bestuurder. Het Waarborgfonds hanteert voor zaakschade een eigen risico van € 250 (indicatief). Welk bedrag ontvangt meneer Kok?

  1. € 1.900: het Waarborgfonds brengt bij zaakschade het eigen risico in mindering, terwijl personenschade zonder eigen risico wordt vergoed
  2. € 2.150, omdat het eigen risico alleen geldt bij een onbekend gebleven dader en niet bij een bekende onverzekerde bestuurder
  3. € 1.075, omdat het Waarborgfonds zaakschade door een onverzekerde altijd voor de helft vergoedt en de rest op de dader verhaalt
  4. € 2.150, maar pas nadat het Waarborgfonds het bedrag met succes op de onverzekerde bestuurder heeft verhaald

Het Waarborgfonds Motorverkeer vergoedt zaakschade onder aftrek van een eigen risico per gebeurtenis (indicatief, jaarlijks herzien): € 2.150 − € 250 = € 1.900. Voor personenschade geldt geen eigen risico. Het Waarborgfonds keert uit zonder eerst verhaal te nemen; het verhaalt daarna zelf op de onverzekerde (art. 27 WAM). Het eigen risico voor zaakschade is niet beperkt tot het geval van de onbekende dader.

32. Een joyrider steelt de auto van mevrouw Evers en rijdt daarmee de auto van meneer Post total loss. Meneer Post heeft alleen WA. De WA-verzekeraar van mevrouw Evers wijst af omdat de dief niet onder de dekking valt. Wat kan meneer Post doen?

  1. Een beroep doen op het Waarborgfonds Motorverkeer, dat schade door een gestolen motorrijtuig vergoedt en op de dief verhaalt
  2. Mevrouw Evers persoonlijk aanspreken op art. 185 WVW, omdat zij als eigenaar risicoaansprakelijk blijft voor wat er met haar auto gebeurt
  3. De WA-verzekeraar van mevrouw Evers alsnog aanspreken via art. 6 WAM, omdat een verzekeraar een benadeelde nooit mag afwijzen
  4. Alleen de dief aanspreken op art. 6:162 BW; zonder betalende dader blijft zijn schade voor eigen rekening

Art. 3 lid 1 WAM staat toe dat de verzekering geen dekking biedt voor schade veroorzaakt door wie zich het motorrijtuig door diefstal of geweldpleging heeft verschaft; daarom wijst art. 25 lid 1 WAM de benadeelde naar het Waarborgfonds Motorverkeer, dat uitkeert (bij zaakschade met eigen risico) en verhaal neemt op de dief. Mevrouw Evers is niet aansprakelijk: schade door een dief is onder art. 185 WVW overmacht.

33. Hoe wordt het Waarborgfonds Motorverkeer gefinancierd en wat doet het nadat het een benadeelde heeft vergoed?

  1. Het wordt gefinancierd uit de verkeersboetes van het Centraal Justitieel Incassobureau en verhaalt niets, omdat het als staatsfonds fungeert
  2. Het wordt gefinancierd door de RDW uit de kentekenleges en verhaalt alleen op verzekeraars die failliet zijn gegaan
  3. Het wordt gefinancierd uit de premies van cascoverzekeringen en verhaalt de uitkering op de cascoverzekeraar van de benadeelde
  4. Het wordt gefinancierd door bijdragen van de WAM-verzekeraars en verhaalt de uitkering op de onverzekerde of alsnog bekend geworden dader

Het Waarborgfonds Motorverkeer wordt gevoed door bijdragen van alle in Nederland toegelaten WAM-verzekeraars, naar rato van hun verzekerde motorrijtuigen (art. 24 WAM). Na uitkering treedt het in de rechten van de benadeelde en neemt het verhaal op de onverzekerde bezitter of bestuurder, de dief of de gemoedsbezwaarde (art. 27 WAM). De overheid financiert het fonds niet; het is geen staatsfonds.

34. De WA-verzekeraar van de aansprakelijke tegenpartij van meneer Hamers gaat failliet voordat zijn letselschade van € 30.000 is uitgekeerd. Tot wie kan meneer Hamers zich wenden?

  1. Tot het Waarborgfonds Motorverkeer, omdat een insolvente WAM-verzekeraar een van de wettelijke gevallen is
  2. Tot De Nederlandsche Bank, die als toezichthouder de uitkeringen van een failliete verzekeraar overneemt uit het depositogarantiestelsel
  3. Tot zijn eigen WA-verzekeraar, die volgens de WAM de schade van zijn verzekerde moet voorschieten bij faillissement van een collega
  4. Tot de curator van de failliete verzekeraar; het Waarborgfonds Motorverkeer dekt uitsluitend zaakschade en geen letselschade

Art. 25 lid 1 WAM noemt het geval dat de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke in staat van faillissement verkeert of anderszins zijn verplichtingen niet nakomt: de benadeelde kan dan het Waarborgfonds Motorverkeer aanspreken voor personen- én zaakschade. De eigen WA-verzekeraar dekt alleen aansprakelijkheid van zijn verzekerde, en het depositogarantiestelsel van DNB geldt voor bankdeposito's, niet voor schadeclaims.

35. Een fietser van 30 jaar wordt met 50 % eigen schuld aangereden door een auto; de automobilist kan geen overmacht aantonen. De zorgverzekeraar van de fietser wil de medische kosten verhalen op de WAM-verzekeraar. Welke verdeling geldt voor die verhaalsvordering?

  1. De verdeling naar causaliteit en billijkheid van art. 6:101 BW; de 50 %-regel beschermt alleen het slachtoffer zelf en geldt niet bij regres
  2. Dezelfde 50 %-regel als voor de fietser, omdat de zorgverzekeraar door subrogatie precies in de rechten van de fietser treedt
  3. De 100 %-regel, omdat een regresnemende verzekeraar als professionele partij geen eigen schuld kan worden tegengeworpen
  4. Geen enkele vergoeding, omdat een zorgverzekeraar volgens de Zorgverzekeringswet geen regres mag nemen op een WAM-verzekeraar

De Hoge Raad (arrest Marloes de Vos) besliste dat de 50 %- en 100 %-regel billijkheidsregels zijn ten gunste van het kwetsbare slachtoffer zelf; een verzekeraar die via subrogatie (art. 7:962 BW) regres neemt, krijgt alleen de verdeling naar causale bijdrage met eventuele billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW. Regres van de zorgverzekeraar op de WAM-verzekeraar is op zichzelf wel toegestaan.

Gratis beginnen