Onderdeel A2 Verkeer behandelt de motorrijtuigenverzekering, de WAM, artikel 185 Wegenverkeerswet 1994, het Waarborgfonds Motorverkeer, de RDW en de afspraken tussen verzekeraars.
Art. 2 WAM legt de verzekeringsplicht op de bezitter en de kentekenhouder. De verzekering dekt de aansprakelijkheid van bezitter, houder, bestuurder en passagiers (art. 3 WAM); letsel van de bestuurder zelf hoeft niet gedekt te zijn (art. 4 WAM). De benadeelde heeft een eigen recht tegen de verzekeraar (art. 6 WAM), die hem geen verweren uit de polis kan tegenwerpen (art. 11 WAM) maar daarna verhaal neemt op de verzekeringnemer of de niet te goeder trouw zijnde verzekerde (art. 15 WAM). De vordering verjaart na drie jaar (art. 10 WAM). Beëindiging van de dekking werkt tegenover benadeelden pas zestien dagen na de melding aan de RDW (art. 13 WAM). De dekking geldt in de hele EU; de groene kaart bewijst dat. Rijden zonder verzekering is strafbaar (art. 30 WAM); de RDW controleert het register en beboet de kentekenhouder van een onverzekerd, niet geschorst kenteken.
De eigenaar of houder van een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, is aansprakelijk voor schade aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. Tussen twee rijdende motorrijtuigen, voor de eigen inzittenden en voor loslopende dieren geldt art. 185 WVW niet; dan beslist art. 6:162 BW. De Hoge Raad voegde de 100 %-regel (kinderen jonger dan veertien) en de 50 %-regel (oudere niet-gemotoriseerden) toe, die alleen wijken bij opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van het slachtoffer. Door de reflexwerking blijft de eigen schade van de automobilist grotendeels voor zijn rekening.
WA is verplicht; WA beperkt casco voegt brand, diefstal, ruitbreuk, storm en aanrijding met dieren toe; WA volledig casco dekt ook eigen aanrijdingsschade en vandalisme. Waardemaatstaven: nieuwwaarde- en aanschafwaarderegeling in de eerste jaren, daarna dagwaarde; bij totaal loss wordt de restwaarde verrekend. Aanvullend: ongevallen inzittenden (sommenverzekering), schadeverzekering inzittenden (werkelijke schade, ook van de bestuurder), motorrijtuig- en verhaalsrechtsbijstand, verzekeraarshulpdienst en schadesturing met verlaagd eigen risico en vervangend vervoer.
Schadevrije jaren bepalen de bonus-malustrede; een schuldschade leidt tot terugval, tenzij zij volledig wordt verhaald. Bij royement worden de jaren vastgelegd in Roy-data, dat de royementsverklaring vervangt; een no-claimbeschermer beschermt de korting, niet de geregistreerde jaren. Verificatie loopt via de RDW, Roy-data en de Stichting CIS. Bij een onbekend, onverzekerd of gestolen motorrijtuig, een insolvente verzekeraar of een vrijgestelde gemoedsbezwaarde springt het Waarborgfonds Motorverkeer in, met een eigen risico bij zaakschade (indicatief, jaarlijks herzien). De regeling schuldloze derde (Bedrijfsregeling 7) en de Overeenkomst Vereenvoudigde Schaderegeling versnellen de afwikkeling tussen verzekeraars.
1. Op wie rust volgens art. 2 WAM de verplichting om voor een personenauto een aansprakelijkheidsverzekering te sluiten en in stand te houden?
Art. 2 lid 1 WAM legt de verzekeringsplicht op de bezitter van het motorrijtuig én op degene aan wie het kenteken is opgegeven, zodra het motorrijtuig op de weg wordt gebruikt of daarop staat. De bestuurder is wel verzekerde (art. 3 WAM), maar niet degene die de verzekering moet sluiten. Een verzekeraar meldt de dekking aan de RDW, maar draagt zelf geen verzekeringsplicht.
2. Tijdens een vakantierit raakt de caravan van de familie Vermeer los van de trekhaak van hun auto, rolt door en beschadigt een geparkeerde auto. Welke verzekering moet de schade aan de geparkeerde auto vergoeden?
Art. 1 WAM rekent tot het motorrijtuig alles wat eraan is gekoppeld of daardoor wordt voortbewogen, en ook de aanhangwagen die na losraken nog niet veilig buiten het verkeer tot stilstand is gekomen. De WA-verzekeraar van de auto vergoedt dus de schade. Pas als de caravan veilig stilstaat en is losgekoppeld, valt schade die hij daarna veroorzaakt onder de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren.
3. Wiens aansprakelijkheid moet een WAM-verzekering volgens art. 3 WAM ten minste dekken?
Art. 3 lid 1 WAM eist dat de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van de bezitter, de houder, de bestuurder en de passagiers, voor schade die met het motorrijtuig aan derden wordt toegebracht. Een passagier die een portier opent tegen een fietser is dus verzekerde. De verzekering hoeft niet de aansprakelijkheid van de tegenpartij te dekken; die heeft zijn eigen WAM-verzekeraar.
4. Meneer Dijkstra veroorzaakt door eigen onoplettendheid een eenzijdig ongeval en raakt zelf ernstig gewond. Hij heeft alleen een WA-verzekering en vraagt of die verzekeraar zijn letselschade vergoedt. Wat is juist?
Art. 4 lid 1 WAM bepaalt dat de verzekering niet de schade hoeft te dekken die aan de persoon van de bestuurder wordt toegebracht; WA-polissen sluiten die dan ook uit. Bovendien is niemand jegens meneer Dijkstra aansprakelijk, want hij veroorzaakte het ongeval zelf. Zijn eigen letsel is alleen gedekt via een schadeverzekering inzittenden of een ongevallenverzekering inzittenden.
5. Wat houdt het eigen recht van de benadeelde in art. 6 WAM in?
Art. 6 lid 1 WAM geeft de benadeelde een eigen recht (rechtstreekse vordering) op schadevergoeding tegen de verzekeraar van het motorrijtuig. Hij hoeft de aansprakelijke bestuurder of eigenaar dus niet eerst aan te spreken en heeft geen eigen verzekering nodig. De vordering blijft wel begrensd door de werkelijk geleden schade en de verzekerde som; de WAM geeft geen recht op het maximum.
6. Mevrouw Nowak verzweeg bij het sluiten van haar WA-verzekering een eerder royement wegens wanbetaling. Later rijdt zij een fietser aan, die € 20.000 letselschade lijdt. De verzekeraar ontdekt de verzwijging en had haar bij kennis daarvan niet geaccepteerd. Wat is juist?
Art. 11 lid 1 WAM bepaalt dat geen uit de wet of de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, verweer of verval aan de benadeelde kan worden tegengeworpen; de verzwijging (art. 7:928 BW) raakt de fietser dus niet. Art. 15 lid 1 WAM geeft de verzekeraar vervolgens verhaal op de verzekeringnemer voor wat hij zonder dekking heeft uitgekeerd. De eigen verzekering van de fietser speelt geen rol.
7. Binnen welke termijn verjaart de rechtsvordering van een benadeelde tegen de WAM-verzekeraar, en hoe kan die termijn worden gestuit?
Art. 10 lid 1 WAM laat de vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaren door verloop van drie jaar te rekenen van het feit waaruit de schade is ontstaan. Volgens lid 5 stuit iedere onderhandeling tussen verzekeraar en benadeelde de verjaring; een nieuwe termijn begint pas als een partij per aangetekende brief of deurwaardersexploot meedeelt dat zij de onderhandelingen afbreekt.
8. De WA-verzekeraar van meneer Bakker beëindigt de polis wegens wanbetaling en meldt dat op 1 juni aan de RDW. Op 10 juni rijdt meneer Bakker met de auto een voetganger aan. Kan de voetganger zijn schade bij deze verzekeraar claimen?
Art. 13 lid 4 WAM bepaalt dat beëindiging of schorsing van de verzekering pas aan benadeelden kan worden tegengeworpen na verloop van zestien dagen nadat de verzekeraar daarvan kennis heeft gegeven aan de RDW. Op 10 juni loopt die termijn nog, zodat de verzekeraar de voetganger moet vergoeden; hij verhaalt het bedrag daarna op meneer Bakker via art. 15 WAM. Het Waarborgfonds komt pas na die termijn in beeld.
9. Hoe worden de bedragen bepaald waarvoor een WAM-verzekering ten minste dekking moet geven?
Art. 22 WAM laat de minimumbedragen vaststellen bij algemene maatregel van bestuur, met een apart minimum per gebeurtenis voor personenschade en voor zaakschade, in lijn met de Europese richtlijn motorrijtuigenverzekering. De bedragen worden periodiek geïndexeerd (indicatief, jaarlijks herzien); verzekeraars bieden in de praktijk vaak hogere sommen. De verzekeraar kan het minimum dus niet zelf verlagen.
10. Mevrouw Peters wordt tijdens haar vakantie in Spanje in haar auto aangereden door een Spaanse automobilist die aansprakelijk is. Terug in Nederland wil zij haar schade claimen zonder naar Spanje te reizen. Hoe kan zij dat aanpakken?
Op grond van de Europese richtlijn motorrijtuigenverzekering, verwerkt in de WAM, wijst elke EU-verzekeraar in iedere lidstaat een schaderegelaar aan bij wie de benadeelde in eigen land kan claimen. Blijft een reactie binnen drie maanden uit of is er geen schaderegelaar, dan treedt het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars op als schadevergoedingsorgaan. Het Waarborgfonds is hiervoor niet bedoeld.
11. Een Duitse automobilist veroorzaakt in Nederland een aanrijding met de auto van meneer Smit. Welke rol speelt het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars hierbij?
Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars is het Nederlandse bureau in het groene-kaartsysteem: het regelt, meestal via een correspondent van de buitenlandse verzekeraar, de schade die buitenlandse motorrijtuigen in Nederland veroorzaken en staat daarvoor garant (art. 2 WAM). Meneer Smit hoeft dus niet naar Duitsland. Het Bureau is geen toezichthouder en geen waarborgfonds voor insolvente verzekeraars.
12. Meneer Jonker laat zijn oude auto onverzekerd op de openbare weg voor zijn huis staan; hij rijdt er al maanden niet mee. Hij meent dat een stilstaande auto niet verzekerd hoeft te zijn. Wat is juist?
Art. 2 lid 1 WAM verplicht tot verzekering zodra het motorrijtuig op de weg wordt gebruikt of daarop staat; stilstaan op de openbare weg valt er dus onder. Art. 30 WAM stelt het niet naleven strafbaar en de RDW legt na registervergelijking een boete op aan de kentekenhouder. Wil meneer Jonker geen premie betalen, dan moet hij het kenteken bij de RDW schorsen en de auto van de openbare weg halen.
13. Welke groep kan van de verzekeringsplicht van de WAM worden vrijgesteld, en wie vergoedt dan de schade die hun motorrijtuig veroorzaakt?
De WAM laat gemoedsbezwaarden, die op grond van hun overtuiging geen verzekering willen sluiten, vrijstellen van de verzekeringsplicht. Veroorzaakt hun motorrijtuig schade, dan vergoedt het Waarborgfonds Motorverkeer de benadeelde (art. 25 WAM) en neemt het verhaal op de vrijgestelde. Schadevrije jaren, ouderdom van het voertuig of een geschorst kenteken geven geen vrijstelling.
14. De familie Yildiz rijdt met de eigen auto naar Turkije. De adviseur controleert de groene kaart en ziet dat de landcode TR niet is doorgehaald. Wat betekent dit voor de WA-dekking tijdens de reis?
De groene kaart (het internationaal motorrijtuigverzekeringsbewijs) vermeldt de landen waarvoor de verzekeraar dekking verleent; alleen doorgehaalde landcodes vallen buiten de dekking. De WAM eist ten minste dekking in de hele EU; Turkije neemt deel aan het groene-kaartsysteem, dus een niet doorgehaald TR betekent volledige WA-dekking. Een grensverzekering is alleen nodig voor voertuigen zonder geldige groene kaart.
15. Wat regelt art. 185 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994?
Art. 185 lid 1 WVW legt op de eigenaar of houder van een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden een risicoaansprakelijkheid voor schade aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen of zaken; alleen aannemelijk gemaakte overmacht bevrijdt hem. Schuld van de bestuurder is niet vereist. De aansprakelijkheid van kinderen wordt niet door dit artikel maar door art. 6:164 en 6:169 BW geregeld.
16. Op een kruising botsen de auto van mevrouw Hoekstra en de auto van meneer Van Dam, beide rijdend. Meneer Van Dam verleende geen voorrang. Op welke grondslag kan mevrouw Hoekstra haar schade van hem of zijn verzekeraar vorderen?
Art. 185 lid 3 WVW sluit de risicoaansprakelijkheid uit voor schade aan een ander motorrijtuig in beweging en aan de daarmee vervoerde personen en zaken. Tussen twee rijdende auto's geldt daarom het gewone onrechtmatigedaadsrecht van art. 6:162 BW: het niet verlenen van voorrang (RVV 1990) is een toerekenbare onrechtmatige daad. De OVS is slechts een afspraak tussen verzekeraars over de onderlinge afwikkeling.
17. Een fietser steekt zonder te kijken plotseling over, vlak voor de auto van meneer Ali, die 30 km/u rijdt waar 50 is toegestaan en direct remt. De fietser raakt gewond. Meneer Ali beroept zich op overmacht. Wanneer slaagt dat beroep?
De Hoge Raad legt overmacht in art. 185 WVW streng uit: de bestuurder moet aannemelijk maken dat hem rechtens geen enkel verwijt treft en dat de fouten van de ander zo onwaarschijnlijk waren dat hij daarmee bij het bepalen van zijn rijgedrag in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Een enkele overtreding van de fietser is daarvoor niet genoeg.
18. De achtjarige Sem rent achter een bal de straat op en wordt geraakt door de auto van mevrouw Kuiper, die netjes 30 km/u reed en nog remde. Sem loopt letsel op. In welke mate is mevrouw Kuiper, via haar WA-verzekeraar, aansprakelijk?
Volgens de 100 %-regel van de Hoge Raad (arrest Ingrid Kolkman) moet de eigenaar of houder van het motorrijtuig de schade van een voetganger of fietser jonger dan veertien jaar volledig vergoeden, tenzij het kind met opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid handelde. Overmacht slaagt bij zulke jonge kinderen vrijwel nooit; de eigenschuldverdeling van art. 6:101 BW wordt door deze billijkheidsregel opzijgezet.
19. De 35-jarige mevrouw Brink fietst 's nachts zonder licht en negeert een rood verkeerslicht; zij wordt aangereden door de auto van meneer Groen, die geen verwijt treft maar zich niet op overmacht kan beroepen. Haar schade is € 40.000. Wat is het minimum dat zij vergoed krijgt?
De 50 %-regel van de Hoge Raad (IZA/Vrerink) geeft een niet-gemotoriseerde van veertien jaar of ouder bij een aanrijding met een motorrijtuig minstens de helft van zijn schade als de eigenaar geen overmacht aantoont, tenzij het slachtoffer met opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid handelde. Door rood fietsen zonder licht is onvoorzichtig, maar niet aan opzet grenzend; de rest wordt via art. 6:101 BW verdeeld.
20. Een 17-jarige voetganger springt bij wijze van uitdaging vlak voor een auto de rijbaan op om te zien of de bestuurder tijdig kan remmen, en wordt geraakt. De bestuurder kan geen overmacht aantonen. Welke betekenis heeft het gedrag van de voetganger?
De 50 %-regel van de Hoge Raad geldt niet als het slachtoffer van veertien jaar of ouder met opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid heeft gehandeld. Bewust voor een auto springen is zo'n geval: de minimumgarantie vervalt en de schade wordt verdeeld volgens art. 6:101 BW naar causale bijdrage en billijkheid, wat tot een zeer lage of geen vergoeding kan leiden. De 100 %-regel geldt alleen tot veertien jaar.
21. Meneer Faber rijdt in zijn auto en wordt geraakt door een fietser die zonder te kijken van een uitrit komt; de auto raakt beschadigd, de fietser niet. Meneer Faber wil zijn autoschade van de fietser vorderen. Welke stelling is juist?
De fietser is aansprakelijk uit art. 6:162 BW, maar de Hoge Raad (arresten Saskia Mulder en Chan-a-Hung/Maalsté) laat de bescherming van art. 185 WVW reflecteren: bij de verdeling van art. 6:101 BW wordt het gevaar van het motorrijtuig aan de automobilist toegerekend, zodat zijn eigen schade grotendeels voor zijn rekening blijft, tenzij hem overmacht toekomt. De vaste 50 %-regel werkt niet in omgekeerde richting.
22. Mevrouw Jacobs leent haar auto uit aan haar buurman, die er een voetganger mee aanrijdt zonder dat overmacht speelt. De voetganger vraagt de adviseur wie hij op grond van art. 185 WVW kan aanspreken. Wat is juist?
Art. 185 lid 1 WVW richt de aansprakelijkheid tot de eigenaar of houder van het motorrijtuig, en lid 2 maakt de eigenaar of houder die niet zelf rijdt aansprakelijk voor de gedragingen van degene door wie hij het motorrijtuig doet of laat rijden. De voetganger kan dus mevrouw Jacobs (en via art. 6 WAM haar WA-verzekeraar) aanspreken. De buurman kan daarnaast uit art. 6:162 BW worden aangesproken.
23. De auto van meneer Roos wordt gestolen. De dief rijdt er dezelfde nacht een fietser mee aan. De fietser spreekt meneer Roos aan op grond van art. 185 WVW. Wat is juist?
Art. 185 lid 1 WVW rekent tot overmacht ook het geval dat het ongeval is veroorzaakt door iemand voor wie de eigenaar of houder niet aansprakelijk is, zoals een dief. Meneer Roos is dus niet aansprakelijk. De fietser kan zich wenden tot de dief (art. 6:162 BW) en, omdat de WAM-verzekeraar schade door een dief mag uitsluiten (art. 3 WAM), tot het Waarborgfonds Motorverkeer.
24. Meneer Bos rijdt bij het inparkeren tegen de stilstaande, geparkeerde auto van mevrouw Lam. Zij vraagt op welke grondslag zij haar schade kan verhalen en of zij de schuld van meneer Bos moet bewijzen. Wat is juist?
De uitzondering van art. 185 lid 3 WVW geldt alleen voor schade aan een ander motorrijtuig in beweging. Een geparkeerde auto beweegt niet, zodat mevrouw Lam de risicoaansprakelijkheid van art. 185 lid 1 WVW kan inroepen: meneer Bos moet vergoeden tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. De 50 %-regel is een billijkheidsregel voor kwetsbare verkeersdeelnemers, niet voor de eigenaar van een geparkeerde auto.
25. Een 16-jarige bromfietser rijdt op een fietspad een 40-jarige fietser aan; de fietser lijdt letsel. Op welke grondslag en in welke mate kan de fietser de bromfietser aanspreken?
Een bromfiets is een motorrijtuig in de zin van art. 1 WVW en van de WAM; de eigenaar of houder ervan draagt daarom de risicoaansprakelijkheid van art. 185 WVW tegenover niet-gemotoriseerden, met de 50 %-regel voor slachtoffers van veertien jaar en ouder. Een 16-jarige is zelf aansprakelijk; de ouderaansprakelijkheid van art. 6:169 BW geldt alleen tot zestien jaar.
26. Mevrouw De Jong rijdt op een elektrische fiets met trapondersteuning tot 25 km/u en wordt aangereden door een auto; overmacht speelt niet. De automobilist stelt dat zij als gemotoriseerde geen beroep kan doen op art. 185 WVW. Wat is juist?
Art. 1 lid 1 WVW zondert fietsen met trapondersteuning (tot 25 km/u, beperkt motorvermogen) uit van het begrip motorrijtuig; ook de WAM merkt ze niet als motorrijtuig aan. Mevrouw De Jong is dus een niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemer die de bescherming van art. 185 WVW en de 50 %-regel geniet. Een speed-pedelec (tot 45 km/u) is daarentegen een bromfiets en dus wél een motorrijtuig.
27. Welke vereisten moet een benadeelde aantonen om de bestuurder (niet de eigenaar) van een auto op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk te houden voor een verkeersongeval?
Art. 6:162 BW vereist een onrechtmatige daad (inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht of met de zorgvuldigheid), toerekenbaarheid, schade, causaal verband en relativiteit (art. 6:163 BW). De bewijslast ligt bij de benadeelde. Het schuldvermoeden met overmacht als tegenbewijs hoort bij art. 185 WVW en geldt alleen tegen de eigenaar of houder; een strafrechtelijke veroordeling is geen voorwaarde.
28. Op het afgesloten bedrijfsterrein van een loods, dat niet voor het publiek toegankelijk is, rijdt meneer Willems met zijn auto tegen een voetganger. De voetganger beroept zich op art. 185 WVW. Wat is juist?
Art. 185 lid 1 WVW geldt voor een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden; art. 1 lid 1 WVW verstaat onder weg alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen en paden, inclusief openbare parkeerterreinen. Een afgesloten, niet voor het publiek toegankelijk bedrijfsterrein is geen weg, zodat de voetganger schuld moet bewijzen via art. 6:162 BW. Art. 7:658 BW speelt alleen tussen werkgever en werknemer.
29. In welke gevallen kan een benadeelde zich volgens de WAM tot het Waarborgfonds Motorverkeer wenden?
Art. 25 lid 1 WAM noemt vijf gevallen: de aansprakelijke is onbekend gebleven, het motorrijtuig was onverzekerd, het was gestolen of door geweld verkregen (de dief valt buiten de dekking van art. 3 WAM), de verzekeraar is insolvent, of het gaat om een vrijgestelde gemoedsbezwaarde. Zaakschade valt er ook onder, met een eigen risico. Schade door buitenlandse voertuigen loopt via het Nederlands Bureau.
30. De geparkeerde auto van mevrouw Talsma is 's nachts aangereden; de dader is doorgereden en onbekend. De schade is € 1.900. Zij heeft alleen een WA-verzekering. Wat moet zij doen om een beroep op het Waarborgfonds Motorverkeer te kunnen doen?
Bij een onbekend gebleven motorrijtuig (art. 25 lid 1 WAM) verlangt het Waarborgfonds Motorverkeer dat de benadeelde aannemelijk maakt dat de schade door een motorrijtuig is veroorzaakt, dat hij binnen veertien dagen aangifte deed en redelijke moeite deed om de dader te achterhalen. Voor zaakschade geldt een eigen risico (indicatief, jaarlijks herzien); een afwijzing van de eigen verzekeraar is niet vereist.
31. Meneer Kok krijgt van het Waarborgfonds Motorverkeer een vergoeding voor zaakschade van € 2.150 aan zijn auto, veroorzaakt door een onverzekerde bestuurder. Het Waarborgfonds hanteert voor zaakschade een eigen risico van € 250 (indicatief). Welk bedrag ontvangt meneer Kok?
Het Waarborgfonds Motorverkeer vergoedt zaakschade onder aftrek van een eigen risico per gebeurtenis (indicatief, jaarlijks herzien): € 2.150 − € 250 = € 1.900. Voor personenschade geldt geen eigen risico. Het Waarborgfonds keert uit zonder eerst verhaal te nemen; het verhaalt daarna zelf op de onverzekerde (art. 27 WAM). Het eigen risico voor zaakschade is niet beperkt tot het geval van de onbekende dader.
32. Een joyrider steelt de auto van mevrouw Evers en rijdt daarmee de auto van meneer Post total loss. Meneer Post heeft alleen WA. De WA-verzekeraar van mevrouw Evers wijst af omdat de dief niet onder de dekking valt. Wat kan meneer Post doen?
Art. 3 lid 1 WAM staat toe dat de verzekering geen dekking biedt voor schade veroorzaakt door wie zich het motorrijtuig door diefstal of geweldpleging heeft verschaft; daarom wijst art. 25 lid 1 WAM de benadeelde naar het Waarborgfonds Motorverkeer, dat uitkeert (bij zaakschade met eigen risico) en verhaal neemt op de dief. Mevrouw Evers is niet aansprakelijk: schade door een dief is onder art. 185 WVW overmacht.
33. Hoe wordt het Waarborgfonds Motorverkeer gefinancierd en wat doet het nadat het een benadeelde heeft vergoed?
Het Waarborgfonds Motorverkeer wordt gevoed door bijdragen van alle in Nederland toegelaten WAM-verzekeraars, naar rato van hun verzekerde motorrijtuigen (art. 24 WAM). Na uitkering treedt het in de rechten van de benadeelde en neemt het verhaal op de onverzekerde bezitter of bestuurder, de dief of de gemoedsbezwaarde (art. 27 WAM). De overheid financiert het fonds niet; het is geen staatsfonds.
34. De WA-verzekeraar van de aansprakelijke tegenpartij van meneer Hamers gaat failliet voordat zijn letselschade van € 30.000 is uitgekeerd. Tot wie kan meneer Hamers zich wenden?
Art. 25 lid 1 WAM noemt het geval dat de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke in staat van faillissement verkeert of anderszins zijn verplichtingen niet nakomt: de benadeelde kan dan het Waarborgfonds Motorverkeer aanspreken voor personen- én zaakschade. De eigen WA-verzekeraar dekt alleen aansprakelijkheid van zijn verzekerde, en het depositogarantiestelsel van DNB geldt voor bankdeposito's, niet voor schadeclaims.
35. Een fietser van 30 jaar wordt met 50 % eigen schuld aangereden door een auto; de automobilist kan geen overmacht aantonen. De zorgverzekeraar van de fietser wil de medische kosten verhalen op de WAM-verzekeraar. Welke verdeling geldt voor die verhaalsvordering?
De Hoge Raad (arrest Marloes de Vos) besliste dat de 50 %- en 100 %-regel billijkheidsregels zijn ten gunste van het kwetsbare slachtoffer zelf; een verzekeraar die via subrogatie (art. 7:962 BW) regres neemt, krijgt alleen de verdeling naar causale bijdrage met eventuele billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW. Regres van de zorgverzekeraar op de WAM-verzekeraar is op zichzelf wel toegestaan.