WftExamenTrainer

⏳ Pensioen en lijfrente

Drie pijlers, één oudedagsvoorziening

Het Nederlandse pensioenstelsel rust op drie pijlers. De eerste is de AOW, een volksverzekering die wordt opgebouwd naar rato van het aantal jaren dat iemand ingezetene was en waarvan de ingangsleeftijd is gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. De tweede pijler is het arbeidsvoorwaardelijk pensioen dat werkgever en werknemer samen opbouwen bij een pensioenfonds, een verzekeraar of een premiepensioeninstelling. De derde pijler bestaat uit individuele voorzieningen, waarvan de lijfrente de belangrijkste is. Een adviseur die een pensioenvraag beoordeelt, brengt altijd eerst alle drie de pijlers in kaart, inclusief oude polissen en eerdere waardeoverdrachten.

De Wet toekomst pensioenen

Met de Wet toekomst pensioenen, in werking getreden op 1 juli 2023, verdwijnt de uitkeringsovereenkomst met een gegarandeerde aanspraak. Alle regelingen worden premieovereenkomsten met een voor iedere deelnemer gelijke, leeftijdsonafhankelijke premie. De wet kent twee hoofdvormen: de solidaire premieregeling, waarin collectief wordt belegd en resultaten via een solidariteitsreserve worden gedeeld, en de flexibele premieregeling, waarin de deelnemer binnen bandbreedtes eigen keuzes maakt. Sociale partners en pensioenuitvoerders hebben een overgangsperiode gekregen om bestaande regelingen om te zetten; het invaren van reeds opgebouwde aanspraken en de compensatie voor het vervallen van de doorsneesystematiek zijn daarbij de gevoeligste onderwerpen. Het nabestaandenpensioen vóór de pensioendatum wordt onder de nieuwe wet uniform op risicobasis verzekerd en uitgedrukt als percentage van het salaris.

Fiscale ruimte in de derde pijler

De premie voor een lijfrente is in box 1 aftrekbaar voor zover er jaarruimte is. Die ruimte wordt berekend over het inkomen van het voorafgaande jaar, verminderd met een franchise die het inkomensdeel vertegenwoordigt waarvoor de AOW al voorziet, en verminderd met de pensioenaangroei in de tweede pijler (de factor A). Niet benutte ruimte uit voorgaande jaren kan binnen een wettelijke termijn alsnog worden ingehaald via de reserveringsruimte. Deze systematiek vormt de kern van de omkeerregel: de inleg is aftrekbaar, de aanspraak blijft buiten box 3 en de uitkering is later belast in box 1.

Uitkeringsvormen en afkoop

Een lijfrentekapitaal moet worden omgezet in een periodieke uitkering. De adviseur onderscheidt de oudedagslijfrente, de nabestaandenlijfrente en de tijdelijke oudedagslijfrente, elk met eigen voorwaarden voor ingangsmoment en minimale duur. Een bancaire lijfrente loopt op een geblokkeerde rekening en is bij overlijden binnen de fiscale kaders vererfbaar; een verzekerde lijfrente kent een levenslange variant waarbij het langlevenrisico bij de verzekeraar ligt. Wie een lijfrente afkoopt buiten de wettelijke uitzonderingen om, betaalt naast de inkomstenbelasting ook revisierente, bedoeld om het genoten belastinguitstel terug te nemen.

Pensioen en levensgebeurtenissen

Bij echtscheiding geeft de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de ex-partner in beginsel recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen, mits de uitvoerder binnen twee jaar wordt geïnformeerd; het bijzonder partnerpensioen volgt een eigen regime. Bij een baanwissel speelt waardeoverdracht, bij kleine pensioenen de automatische waardeoverdracht naar de nieuwe uitvoerder. De zorgplicht verlangt dat de adviseur deze gevolgen ongevraagd aan de orde stelt zodra hij ze in het klantdossier ziet.

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Waarop is de hoogte van een AOW-uitkering gebaseerd?

  1. Op de hoogte van de premies die de verzekerde zelf heeft betaald
  2. Op het gemiddelde loon dat iemand tijdens zijn loopbaan als werknemer of als zelfstandige heeft verdiend, gecorrigeerd voor de ontwikkeling van het prijspeil
  3. Op het aantal jaren dat iemand tussen zijn vijftiende en de AOW-leeftijd ingezetene van Nederland was
  4. Op het vermogen dat de verzekerde in box 3 aanhoudt

De AOW is een volksverzekering die opbouwt met twee procent per verzekerd jaar over een periode van vijftig jaar. De basis daarvoor is de Algemene Ouderdomswet. Wie een deel van die periode in het buitenland woonde, krijgt een gekorte uitkering.

2. Waaraan is de AOW-leeftijd gekoppeld?

  1. Aan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting op vijfenzestigjarige leeftijd
  2. Aan het aantal jaren dat de verzekerde daadwerkelijk in loondienst heeft gewerkt en waarover hij premies volksverzekeringen heeft afgedragen aan de Belastingdienst
  3. Aan de hoogte van het aanvullend pensioen dat de verzekerde heeft opgebouwd
  4. Aan het moment waarop de verzekerde stopt met werken

De AOW-leeftijd beweegt mee met de levensverwachting volgens een wettelijke formule en wordt jaren vooruit aangekondigd. Het antwoord berust op de Algemene Ouderdomswet. Sinds de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd stijgt zij minder snel dan één jaar per jaar levensverwachting.

3. Wat is het verschil tussen de AOW-uitkering voor een alleenstaande en die voor een samenwonende?

  1. Er bestaat geen verschil tussen beide situaties
  2. De alleenstaande ontvangt hetzelfde bedrag maar krijgt daarnaast een aanvullende toeslag die afhankelijk is van zijn overige inkomsten en van zijn vermogen in box 3
  3. De alleenstaande ontvangt een lager bedrag omdat hij minder kosten heeft
  4. De alleenstaande ontvangt een hoger percentage van het minimumloon dan ieder van twee samenwonenden

De AOW is gekoppeld aan het netto minimumloon, waarbij een alleenstaande een hoger percentage ontvangt dan elk van twee gehuwden of samenwonenden. Dat volgt uit de Algemene Ouderdomswet. Het samenwoonbegrip is daarbij ruim en omvat ook duurzaam gezamenlijk huishouden voeren.

4. Een klant heeft twaalf jaar in het buitenland gewoond en gewerkt. Welk gevolg heeft dat voor zijn AOW?

  1. Zijn uitkering vervalt volledig omdat hij niet onafgebroken verzekerd is geweest
  2. Zijn uitkering blijft volledig omdat hij gedurende die jaren in een andere lidstaat van de Europese Unie premies heeft afgedragen die daarmee gelijkgesteld worden
  3. Zijn uitkering wordt gekort met twee procent per niet-verzekerd jaar, dus met vierentwintig procent
  4. Zijn uitkering wordt met terugwerkende kracht aangevuld

De AOW bouwt op met twee procent per verzekerd jaar; ontbrekende jaren leiden tot een evenredige korting. Dit punt is terug te voeren op de Algemene Ouderdomswet. In het buitenland opgebouwde rechten kunnen dat gat deels vullen, maar vormen een aparte aanspraak in dat land.

5. Wat kan een klant doen om een AOW-gat te dichten?

  1. Een beroep doen op de aanvullende inkomensvoorziening ouderen
  2. Achteraf premies volksverzekeringen bijstorten bij de Sociale Verzekeringsbank tot het maximum van vijftig verzekerde jaren is bereikt en de korting daarmee vervalt
  3. De AOW-leeftijd met een aantal jaren uitstellen zodat de uitkering hoger wordt
  4. Zich vrijwillig verzekeren tijdens het verblijf in het buitenland of het gat opvangen met eigen voorzieningen

Vrijwillige verzekering moet tijdig bij vertrek worden aangevraagd en kan achteraf niet meer worden ingehaald. de Algemene Ouderdomswet is op dit punt de bepalende bron. Wie dat heeft nagelaten, moet het gat opvangen via de tweede of derde pijler, wat een klassiek adviesonderwerp is.

6. Wie zijn de partijen bij een arbeidsvoorwaardelijke pensioenregeling?

  1. De werknemer en de Sociale Verzekeringsbank
  2. De werkgever en de Belastingdienst, die samen de fiscale ruimte vaststellen waarbinnen de regeling mag worden uitgevoerd en de premies mogen worden afgetrokken
  3. De werkgever, de werknemer en de pensioenuitvoerder die de regeling uitvoert
  4. De werkgever en De Nederlandsche Bank

De Pensioenwet onderscheidt de pensioenovereenkomst tussen werkgever en werknemer, de uitvoeringsovereenkomst met de uitvoerder en het pensioenreglement. Die drie documenten samen bepalen de rechten van de deelnemer.

7. Welke uitvoerders mogen een pensioenregeling in de tweede pijler uitvoeren?

  1. Iedere financiële onderneming die over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten beschikt voor het aanbieden van complexe producten aan consumenten
  2. Een pensioenfonds, een verzekeraar of een premiepensioeninstelling
  3. Uitsluitend een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds
  4. De werkgever zelf, mits hij daarvoor reserves aanhoudt

De Pensioenwet wijst pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen aan als toegestane uitvoerders. Pensioen in eigen beheer bij de werkgever is voor gewone werknemers nooit mogelijk geweest en voor de directeur-grootaandeelhouder sinds 2017 afgeschaft.

8. Wat is een verplichtstelling bij een bedrijfstakpensioenfonds?

  1. Een besluit waardoor alle werkgevers in een bedrijfstak verplicht bij hetzelfde fonds moeten aansluiten
  2. Een bepaling in de arbeidsovereenkomst waarin de werknemer zich verplicht deel te nemen aan de pensioenregeling die zijn werkgever bij een verzekeraar heeft ondergebracht
  3. Een verplichting van de uitvoerder om jaarlijks te indexeren
  4. Een verbod op waardeoverdracht naar een andere uitvoerder

De verplichtstelling wordt op verzoek van sociale partners door de minister afgegeven en bindt alle werkgevers in de betreffende bedrijfstak. Dit punt is terug te voeren op de Pensioenwet. Onder strikte voorwaarden kan een werkgever vrijstelling krijgen, bijvoorbeeld bij een eigen regeling van gelijkwaardig niveau.

9. Wat kenmerkt een uitkeringsovereenkomst ten opzichte van een premieovereenkomst?

  1. Bij een uitkeringsovereenkomst betaalt uitsluitend de werkgever premie terwijl de werknemer bij een premieovereenkomst zijn deel rechtstreeks van zijn nettoloon inlegt
  2. Bij een uitkeringsovereenkomst is de hoogte van de uitkering het uitgangspunt, bij een premieovereenkomst de inleg
  3. Bij een uitkeringsovereenkomst draagt de deelnemer het volledige beleggingsrisico
  4. Bij een premieovereenkomst is de uitkering wettelijk gegarandeerd

De uitkeringsovereenkomst belooft een bedrag en legt het risico bij de uitvoerder; de premieovereenkomst legt de inleg vast en het risico bij de deelnemer. Met de Wet toekomst pensioenen worden alle regelingen premieovereenkomsten.

10. Wat is een kapitaalovereenkomst in de zin van de Pensioenwet?

  1. Een overeenkomst waarbij de deelnemer het kapitaal ineens mag opnemen
  2. Een overeenkomst waarbij de werkgever toezegt jaarlijks een vast bedrag te storten op een geblokkeerde bankrekening op naam van de individuele werknemer
  3. Een overeenkomst waarbij een kapitaal op de pensioendatum wordt toegezegd dat daarna moet worden omgezet
  4. Een overeenkomst zonder enige toezegging van de werkgever

Bij een kapitaalovereenkomst staat het eindkapitaal vast en het risico zit in de rentestand op het moment van omzetting in een uitkering. Deze vorm komt in de praktijk zelden voor en verdwijnt onder de Wet toekomst pensioenen.

11. Waarin staan de precieze rechten en plichten van een individuele deelnemer beschreven?

  1. In de collectieve arbeidsovereenkomst die voor de bedrijfstak is afgesloten en waarin de sociale partners de arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers hebben vastgelegd
  2. In het pensioenreglement van de uitvoerder
  3. In de uitvoeringsovereenkomst tussen werkgever en uitvoerder
  4. In het jaarverslag van het pensioenfonds

Het pensioenreglement vertaalt de pensioenovereenkomst naar concrete rechten van de deelnemer. Toetsing hiervan gebeurt aan de Pensioenwet. De uitvoeringsovereenkomst regelt daarentegen de verhouding tussen werkgever en uitvoerder, zoals de premiebetaling.

12. Wat is de functie van het Uniform Pensioenoverzicht?

  1. De werkgever een overzicht verschaffen van de premies die hij over het afgelopen kalenderjaar voor al zijn werknemers aan de uitvoerder heeft afgedragen
  2. De deelnemer jaarlijks inzicht geven in zijn opgebouwde en te bereiken pensioen
  3. De toezichthouder inzicht geven in de dekkingsgraad van het fonds
  4. De Belastingdienst de gegevens leveren voor de vooringevulde aangifte

Het Uniform Pensioenoverzicht is een gestandaardiseerd document dat vergelijkbaarheid tussen uitvoerders mogelijk maakt. Deze regel staat in de Pensioenwet. Samen met het pensioenregister geeft het de deelnemer een totaalbeeld van zijn opbouw.

13. Waarvoor gebruikt een adviseur het pensioenregister?

  1. Om de dekkingsgraad van de betrokken pensioenfondsen te beoordelen
  2. Om te controleren of de werkgever van de klant de verschuldigde premies daadwerkelijk en op tijd aan de pensioenuitvoerder heeft afgedragen over de afgelopen jaren
  3. Om het totale opgebouwde pensioen en de AOW van een klant in één overzicht te zien
  4. Om een waardeoverdracht rechtstreeks in gang te zetten

Het pensioenregister toont de opbouw bij alle uitvoerders plus de AOW en is daarmee het startpunt van elke pensioeninventarisatie. Toetsing hiervan gebeurt aan artikel 4:23 Wft. Het bevat geen informatie over premieafdracht of over de financiële positie van een fonds.

14. Wat geeft de dekkingsgraad van een pensioenfonds aan?

  1. De verhouding tussen het aanwezige vermogen en de contante waarde van alle verplichtingen
  2. Het percentage van de premie dat het fonds daadwerkelijk belegt nadat de uitvoeringskosten en de kosten van vermogensbeheer daarvan zijn afgetrokken
  3. Het rendement dat het fonds in het afgelopen jaar op zijn beleggingen heeft behaald
  4. Het aandeel van de deelnemers dat al met pensioen is

Een dekkingsgraad boven honderd procent betekent dat het fonds meer vermogen heeft dan nodig voor zijn verplichtingen. Dit punt is terug te voeren op de Pensioenwet. De beleidsdekkingsgraad, het gemiddelde over twaalf maanden, is bepalend voor beslissingen over indexatie en korting.

15. Wat is voorwaardelijke indexatie van pensioenaanspraken?

  1. Verhoging van de aanspraken die het fonds jaarlijks moet toepassen zodra het prijsindexcijfer van het Centraal Bureau voor de Statistiek is gestegen ten opzichte van het jaar ervoor
  2. Verhoging van de aanspraken die alleen plaatsvindt als de financiële positie van het fonds dat toelaat
  3. Verhoging van de premie wanneer de dekkingsgraad daalt
  4. Verlaging van de aanspraken bij een tekort

Voorwaardelijke indexatie is geen recht maar een ambitie die van de financiële positie afhangt. Dit punt is terug te voeren op de Pensioenwet. Jarenlang uitblijven van indexatie was een van de aanleidingen voor de stelselherziening.

16. Wanneer mag een pensioenfonds aanspraken verlagen?

  1. Als uiterste maatregel wanneer de financiële positie langdurig ontoereikend is en herstel uitblijft
  2. Zodra het fonds in enig kalenderjaar een negatief beleggingsrendement behaalt op het deel van de portefeuille dat in zakelijke waarden is belegd
  3. Zodra de werkgever zijn premiebetaling gedurende een kwartaal opschort
  4. Zodra het aantal gepensioneerden dat van de actieve deelnemers overtreft

Korten is het laatste redmiddel binnen het financieel toetsingskader en volgt pas na een herstelperiode. Dit punt is terug te voeren op de Pensioenwet. Het is precies de maatregel die de stelselherziening zeldzamer beoogde te maken door aanspraken minder hard te maken.

17. Wat is de functie van de franchise in een pensioenregeling?

  1. Zij begrenst het maximale pensioengevend salaris
  2. Zij geeft de werkgever de mogelijkheid een deel van de premie in te houden op het brutoloon van de werknemer zonder daarover loonheffing te hoeven afdragen aan de fiscus
  3. Zij houdt het inkomensdeel waarvoor de AOW al voorziet buiten de pensioenopbouw
  4. Zij bepaalt de hoogte van het nabestaandenpensioen

De pensioengrondslag is het salaris minus de franchise, omdat de AOW het eerste inkomensdeel al afdekt. De basis daarvoor is de Algemene Ouderdomswet. Een lagere franchise leidt tot een hogere grondslag en dus tot meer opbouw.

18. Een werknemer verdient € 55.000 en de franchise bedraagt € 17.000. Hoe hoog is de pensioengrondslag?

  1. € 55.000, omdat de franchise pas op de uitkering in mindering komt
  2. € 72.000, omdat de franchise als extra opbouwruimte bij het pensioengevend salaris moet worden opgeteld voordat het opbouwpercentage wordt toegepast
  3. De pensioengrondslag bedraagt € 38.000.
  4. € 17.000, omdat uitsluitend over de franchise wordt opgebouwd

De pensioengrondslag is het pensioengevend salaris verminderd met de franchise, hier € 55.000 min € 17.000. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001 voor de lijfrentepremieaftrek. Over dat bedrag wordt vervolgens het opbouwpercentage of de premiestaffel toegepast.

19. Wat geldt voor het pensioengevend salaris boven de wettelijke aftoppingsgrens?

  1. Daarover moet juist extra worden opgebouwd om het inkomensverlies te compenseren
  2. Daarover geldt een verlaagd opbouwpercentage dat door de Belastingdienst per bedrijfstak wordt vastgesteld op basis van de gemiddelde loonontwikkeling
  3. Daarover kan geen fiscaal gefacilieerd pensioen meer worden opgebouwd
  4. Daarover geldt een vrijstelling van loonheffing

Boven de aftoppingsgrens vervalt de fiscale faciliteit van de omkeerregel voor pensioenopbouw. Hierop is de Wet IB 2001 voor de lijfrentepremieaftrek van toepassing. Werknemers met een hoger salaris kunnen dat gat opvangen met een nettopensioenregeling of met eigen voorzieningen in box 3.

20. Wat kenmerkt een middelloonregeling?

  1. Het pensioen is gelijk aan een vast percentage van het minimumloon
  2. Het pensioen wordt berekend over het salaris dat de deelnemer verdiende in het jaar direct voorafgaand aan zijn pensionering, ongeacht zijn eerdere loopbaanverloop
  3. Het pensioen wordt opgebouwd over het gemiddelde salaris gedurende de gehele loopbaan
  4. Het pensioen hangt uitsluitend af van het behaalde beleggingsrendement

Bij middelloon telt elk jaar mee met het salaris van dat jaar, wat de regeling minder gevoelig maakt voor eindeloopbaancarrière. Toetsing hiervan gebeurt aan de Pensioenwet. Indexatie van reeds opgebouwde aanspraken is daarbij van groot belang voor de uiteindelijke uitkering.

21. Waarom zijn eindloonregelingen vrijwel verdwenen?

  1. Eindloonregelingen kenden geen nabestaandenpensioen
  2. De Pensioenwet verbiedt sinds haar inwerkingtreding uitdrukkelijk elke regeling waarbij de uitkering wordt gekoppeld aan het laatstverdiende salaris van de deelnemer
  3. Werknemers gaven de voorkeur aan een hogere directe beloning
  4. Elke salarisverhoging leidde tot een dure inhaalopbouw over alle eerdere dienstjaren

Bij eindloon werkt een salarisstijging door in alle achterliggende dienstjaren, wat de kosten voor de werkgever onvoorspelbaar maakte. Deze regel staat in de Pensioenwet. Die backservice was de belangrijkste reden voor de overgang naar middelloon.

22. Wat kenmerkt een beschikbarepremieregeling?

  1. De uitkering wordt door de overheid gegarandeerd
  2. De uitkering staat vast en de werkgever past de premie jaarlijks aan zodat het toegezegde bedrag op de pensioendatum met zekerheid kan worden uitgekeerd
  3. De premie wordt jaarlijks door de deelnemer zelf vastgesteld
  4. De premie staat vast en de uiteindelijke uitkering hangt af van rendement en rentestand

Bij een premieregeling ligt het beleggings-, rente- en langlevenrisico bij de deelnemer tot het moment van aankoop van een uitkering. Onder de Wet toekomst pensioenen wordt dit de enige toegestane vorm.

23. Wat was de gedachte achter een leeftijdsafhankelijke premiestaffel?

  1. Jongere werknemers wisselen vaker van baan
  2. De wetgever wilde jongere werknemers ontzien omdat zij aan het begin van hun loopbaan doorgaans over een lager besteedbaar inkomen beschikken dan hun oudere collega's
  3. Oudere werknemers werken gemiddeld minder uren en bouwen daardoor minder op
  4. Een euro premie rendeert langer naarmate de deelnemer jonger is, zodat oudere deelnemers een hogere premie nodig hebben

De staffel compenseert de kortere beleggingshorizon van oudere deelnemers met een hogere premie. Juist die leeftijdsafhankelijkheid vervalt onder de Wet toekomst pensioenen ten gunste van een vlakke premie.

24. Wat hield de doorsneesystematiek bij pensioenfondsen in?

  1. Alle deelnemers ontvingen ongeacht hun opbouw eenzelfde uitkering zodra zij de in het reglement genoemde pensioenleeftijd hadden bereikt en hun dienstverband beëindigden
  2. Alle deelnemers betaalden dezelfde premie en kregen daarvoor dezelfde opbouw, ongeacht hun leeftijd
  3. Alle werkgevers in een bedrijfstak betaalden dezelfde premie per werknemer
  4. Alle fondsen hanteerden dezelfde rekenrente

De doorsneesystematiek bevatte een impliciete overdracht van jong naar oud, omdat de premie van jongeren langer rendeert dan hun opbouw waard is. Hierop is de Wet toekomst pensioenen van toepassing. Het afschaffen ervan is de kern van de stelselherziening en de reden voor compensatieafspraken.

25. Welke rol speelde de rekenrente in het oude pensioenstelsel?

  1. Zij bepaalde het rendement dat het pensioenfonds op zijn beleggingsportefeuille moest behalen om aan zijn toekomstige verplichtingen jegens deelnemers te kunnen voldoen
  2. Zij bepaalde de contante waarde van de verplichtingen en daarmee de dekkingsgraad van het fonds
  3. Zij bepaalde de hoogte van de premie die de werknemer zelf moest betalen
  4. Zij bepaalde de indexatie van ingegane uitkeringen

Een lagere rekenrente verhoogt de contante waarde van de verplichtingen en verlaagt daardoor de dekkingsgraad. Hierop is de Pensioenwet van toepassing. De discussie over de juiste rekenrente was jarenlang de kern van het politieke debat over pensioenen.

26. Wat is de pensioenrichtleeftijd in een pensioenregeling?

  1. De leeftijd waarop de deelnemer volgens de arbeidsovereenkomst verplicht is zijn dienstverband te beëindigen en zijn pensioenuitkering te laten ingaan bij de uitvoerder
  2. De leeftijd waarop de regeling fiscaal is gericht en waarvan de opbouw wordt afgeleid
  3. De leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat
  4. De leeftijd waarop waardeoverdracht niet meer mogelijk is

De pensioenrichtleeftijd is een fiscale rekengrootheid en niet de datum waarop iemand moet stoppen met werken. Toetsing hiervan gebeurt aan de Pensioenwet. Eerder of later met pensioen gaan is mogelijk, met een actuariële herrekening van de uitkering.

27. Wat gebeurt er met de uitkering als een deelnemer eerder met pensioen gaat?

  1. De uitkering vervalt tot de AOW-leeftijd is bereikt
  2. De uitkering blijft gelijk maar de deelnemer ontvangt gedurende de eerste jaren een overbruggingsuitkering die na het bereiken van de AOW-leeftijd automatisch vervalt
  3. De uitkering wordt verhoogd ter compensatie van het gemiste arbeidsinkomen
  4. De uitkering wordt actuarieel verlaagd omdat zij eerder ingaat en langer moet worden uitgekeerd

Eerder ingaan betekent een langere uitkeringsduur en minder opbouwjaren, wat tot een lagere uitkering leidt. Dat volgt uit de Pensioenwet. Een hoog-laagconstructie kan de eerste jaren verzachten, maar verlaagt de uitkering daarna verder.

28. Wat houdt uitruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen in?

  1. De deelnemer ruilt zijn ouderdomspensioen in voor een hogere uitkering aan zijn kinderen
  2. De deelnemer draagt zijn opgebouwde partnerpensioen over aan de pensioenuitvoerder van zijn partner zodat beide aanspraken bij dezelfde uitvoerder worden ondergebracht
  3. De deelnemer verhoogt zijn eigen levenslange uitkering door af te zien van een deel van het partnerpensioen
  4. De deelnemer zet zijn pensioen om in een bedrag ineens

Uitruil vereist instemming van de partner, omdat diens aanspraak daarmee vervalt of vermindert. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de Pensioenwet. Voor een alleenstaande deelnemer is uitruil vaak juist aantrekkelijk, omdat een partnerpensioen dan geen waarde heeft.

29. Waarvoor wordt een hoog-laagconstructie in de uitkeringsfase gebruikt?

  1. Om de uitkering in de eerste jaren juist lager te houden zodat de deelnemer in die periode minder inkomstenbelasting in box 1 verschuldigd is over zijn totale inkomen
  2. Om de eerste jaren een hogere uitkering te ontvangen, bijvoorbeeld ter overbrugging tot de AOW
  3. Om het beleggingsrisico in de uitkeringsfase volledig af te dekken
  4. Om het partnerpensioen te verhogen

De verhouding tussen de hoge en de lage periode is fiscaal begrensd en het totaal blijft actuarieel neutraal. Het antwoord berust op de Pensioenwet. Wie de eerste jaren meer ontvangt, ontvangt daarna structureel minder.

30. Wat regelt de mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen op de pensioendatum?

  1. De uitvoerder mag kleine pensioenen ineens afkopen
  2. De deelnemer mag zijn volledige pensioenkapitaal ineens laten uitbetalen zodra hij de in het reglement genoemde pensioenleeftijd heeft bereikt en zijn dienstverband beëindigt
  3. De deelnemer mag jaarlijks een bedrag opnemen zolang de resterende waarde toereikend blijft
  4. De deelnemer mag een beperkt deel van de waarde ineens laten uitkeren en de rest als periodieke uitkering ontvangen

Het keuzerecht betreft een wettelijk begrensd deel van de waarde en de uitkering is in box 1 belast. Dat volgt uit de Pensioenwet. Opname kan doorwerken in toeslagen en in inkomensafhankelijke regelingen, wat de adviseur moet doorrekenen.

31. Wat gebeurt er met een klein pensioen bij baanwissel?

  1. De uitvoerder draagt de waarde automatisch over naar de nieuwe uitvoerder van de deelnemer
  2. De uitvoerder keert het bedrag automatisch aan de deelnemer uit zodra deze uit dienst treedt, waarbij over de uitkering loonheffing wordt ingehouden en afgedragen
  3. De aanspraak vervalt volledig omdat de administratiekosten hoger zijn dan de waarde
  4. De deelnemer moet zelf om overdracht verzoeken

Automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen voorkomt versnippering en het verloren gaan van aanspraken. De basis daarvoor is de Algemene nabestaandenwet. Afkoop van kleine pensioenen is sinds die wetswijziging in beginsel niet meer toegestaan.

32. Wanneer kan waardeoverdracht bij baanwissel ongunstig uitpakken?

  1. Wanneer de deelnemer jonger is dan veertig jaar
  2. Wanneer de deelnemer korter dan een jaar bij zijn nieuwe werkgever in dienst is en de overdracht daardoor nog niet definitief kan worden vastgesteld door de uitvoerder
  3. Wanneer de nieuwe uitvoerder een hogere dekkingsgraad heeft dan de oude uitvoerder
  4. Wanneer de oude regeling gunstiger voorwaarden kent dan de nieuwe regeling van de werkgever

Waardeoverdracht is niet automatisch voordelig: verschillen in indexatiebeleid, opbouwpercentage en partnerpensioen kunnen ongunstig uitpakken. Dit punt is terug te voeren op de Algemene nabestaandenwet. De adviseur vergelijkt beide reglementen voordat hij een advies uitbrengt.

33. Wat is het verschil tussen partnerpensioen op opbouwbasis en op risicobasis?

  1. Bij risicobasis betaalt de deelnemer zelf de premie
  2. Bij opbouwbasis wordt het partnerpensioen uitsluitend uitgekeerd wanneer de deelnemer overlijdt voordat hij de pensioendatum heeft bereikt en nog in dienst was
  3. Bij risicobasis is de uitkering hoger dan bij opbouwbasis
  4. Bij opbouwbasis blijft de aanspraak na uitdiensttreding bestaan, bij risicobasis vervalt zij

Risicodekking is een verzekering die alleen loopt tijdens het dienstverband en zonder waarde eindigt bij vertrek. Dit punt is terug te voeren op de Algemene nabestaandenwet. Dat is een van de belangrijkste aandachtspunten bij baanwissel of werkloosheid.

34. Een deelnemer wordt werkloos en had partnerpensioen op risicobasis. Wat is het gevolg?

  1. De dekking blijft van kracht tot de deelnemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt omdat de premie over de opgebouwde jaren al is voldaan aan de uitvoerder
  2. De dekking vervalt bij het einde van het dienstverband, tenzij van het recht op vrijwillige voortzetting gebruik wordt gemaakt
  3. De dekking gaat automatisch over naar de uitkeringsinstantie
  4. De dekking wordt omgezet in een opgebouwde aanspraak

Een risicodekking eindigt met het dienstverband en laat de nabestaanden onverzekerd achter. De Pensioenwet kent daarvoor een tijdelijke voortzetting tijdens werkloosheid en de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting.

35. Tot welke leeftijd wordt wezenpensioen doorgaans uitgekeerd?

  1. Levenslang, net als bij het partnerpensioen
  2. Tot het moment waarop het kind zelf een eigen inkomen verwerft dat hoger is dan het bedrag van de uitkering die het van de pensioenuitvoerder ontvangt
  3. Tot het achttiende levensjaar zonder enige uitzondering
  4. Tot een in het reglement genoemde leeftijd, die onder de nieuwe wetgeving is geüniformeerd

De Wet toekomst pensioenen uniformeert de eindleeftijd voor wezenpensioen en laat de studievoorwaarde vervallen. Voorheen liepen die leeftijden en voorwaarden per regeling sterk uiteen.

Gratis beginnen