De eigenwoningregeling
Afdeling 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat de eigen woning die als hoofdverblijf dient, samen met de eigenwoningschuld, in box 1 valt. De belastingplichtige telt het eigenwoningforfait bij zijn inkomen op — een percentage van de WOZ-waarde — en trekt daarvan de betaalde hypotheekrente en de aftrekbare financieringskosten af. Onder die financieringskosten vallen onder meer de afsluitprovisie, de notariskosten voor de hypotheekakte, de taxatiekosten voor de lening, de kosten van de NHG-borgtocht en de advies- en bemiddelingskosten. Kosten die op de aankoop van de woning zelf zien, zoals de overdrachtsbelasting en de notariskosten voor de leveringsakte, zijn niet aftrekbaar. Dit onderscheid is een klassiek examenonderwerp.
Aflossingseis en dertigjaarstermijn
Voor leningen die op of na 1 januari 2013 zijn aangegaan geldt een aflossingseis: de rente is alleen aftrekbaar als de lening in ten hoogste 360 maanden ten minste annuïtair volledig wordt afgelost. Wordt in enig jaar te weinig afgelost, dan kan de schuld naar box 3 verhuizen. Daarnaast kent de wet een maximale aftrekduur van dertig jaar per schuld, die doorloopt bij verhuizing. Voor bestaande schulden van vóór 2013 geldt overgangsrecht, waaronder dat van de kapitaalverzekering eigen woning. Het tarief waartegen de rente in aftrek komt, is de afgelopen jaren stapsgewijs afgebouwd naar het basistarief, terwijl de regeling-Hillen voor woningen met weinig of geen schuld eveneens in stappen wordt afgebouwd.
Bijleenregeling en eigenwoningreserve
Wie zijn woning met winst verkoopt, ziet die overwaarde geregistreerd als eigenwoningreserve. Bij de aankoop van een volgende woning moet die reserve worden ingezet: alleen over het deel van de aankoopprijs dat de reserve te boven gaat, kan een nieuwe eigenwoningschuld met renteaftrek ontstaan. Deze bijleenregeling verklaart waarom twee klanten met dezelfde lening een heel verschillende netto maandlast kunnen hebben. Bij het samenvoegen van twee huishoudens gelden aanvullende regels die in de praktijk tot veel fouten leiden.
De Tijdelijke regeling hypothecair krediet
Artikel 4:34 Wft verplicht de geldverstrekker vóór het aangaan van de overeenkomst te toetsen of de kredietverstrekking verantwoord is. Die norm is uitgewerkt in de Tijdelijke regeling hypothecair krediet, die jaarlijks wordt geactualiseerd en twee grenzen stelt. De loan-to-income-norm bepaalt met financieringslastpercentages, gebaseerd op de jaarlijkse berekeningen van het Nibud, welk deel van het toetsinkomen aan hypotheeklasten mag worden besteed; die percentages hangen af van het inkomen, de toetsrente en de leeftijd. De loan-to-value-norm begrenst de lening tot honderd procent van de marktwaarde van de woning, zodat de kosten koper uit eigen middelen moeten komen. Bij een rentevaste periode korter dan tien jaar rekent de geldverstrekker met een door de AFM gepubliceerde toetsrente in plaats van met de werkelijke rente, opdat de consument ook bij een rentestijging de last kan dragen.
Ruimte binnen en buiten de norm
De regeling kent expliciete uitzonderingen: extra leenruimte voor energiebesparende voorzieningen en voor woningen met een zeer gunstig energielabel, een eigen toetskader voor senioren met een bestendig inkomen, en de mogelijkheid om onderbouwd van de norm af te wijken. Zo een explain is geen vrijbrief: de geldverstrekker moet schriftelijk motiveren waarom de lasten in dit concrete geval verantwoord zijn, en die motivering hoort in het dossier. Een studieschuld verlaagt de leencapaciteit ook wanneer die niet bij het BKR staat geregistreerd; de consument moet daar uit eigen beweging opgave van doen.
Voorbeeldvragen (35)
1. Wanneer is een woning voor de Wet IB 2001 een eigen woning?
- Wanneer zij de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat
- Wanneer de belastingplichtige juridisch eigenaar is van de woning en de daarop rustende hypothecaire lening op zijn naam bij de geldverstrekker is geregistreerd
- Wanneer de woning in Nederland is gelegen en de belastingplichtige daar volgens de basisregistratie personen van de gemeente staat ingeschreven op dat adres
- Wanneer de belastingplichtige de woning gedurende het gehele kalenderjaar in zijn bezit heeft gehad en er geen huurinkomsten uit heeft ontvangen
Afdeling 3.6 van de Wet IB 2001 verlangt dat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Inschrijving in de basisregistratie is een aanwijzing maar op zichzelf niet doorslaggevend.
2. Kan iemand twee eigen woningen tegelijk hebben in box 1?
- Ja, zonder beperking, mits beide woningen in Nederland zijn gelegen en op naam van dezelfde belastingplichtige of van zijn fiscale partner in het Kadaster zijn geregistreerd
- Ja, zolang de belastingplichtige beide woningen daadwerkelijk bewoont en in beide gemeenten in de basisregistratie personen staat ingeschreven op het betreffende adres
- Ja, maar alleen tijdelijk: binnen de verhuisregeling of de leegstandsregeling kunnen twee woningen in box 1 vallen.
- Nee, onder geen enkele omstandigheid kan er meer dan één woning tegelijk onder de eigenwoningregeling van afdeling 3.6 vallen bij dezelfde belastingplichtige
De verhuisregeling laat toe dat een te koop staande voormalige woning en de nieuwe woning tijdelijk beide in box 1 vallen. Dit punt is terug te voeren op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Ook een woning in aanbouw of tijdelijk verhuurd wonen kent een eigen regeling met een wettelijke termijn.
3. Wanneer kwalificeert een woning in aanbouw als eigen woning?
- Wanneer de belastingplichtige de koop-aannemingsovereenkomst heeft ondertekend en de eerste bouwtermijn aan de aannemer heeft voldaan uit het bij de geldverstrekker aangehouden bouwdepot
- Wanneer aannemelijk is dat zij binnen de wettelijke termijn als hoofdverblijf gaat dienen
- Wanneer de gemeente de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning heeft verleend en de bouw daadwerkelijk is aangevangen op het betreffende perceel grond
- Wanneer de woning wind- en waterdicht is opgeleverd en de belastingplichtige zich op dat adres in de basisregistratie personen heeft laten inschrijven
De wet laat renteaftrek toe voor een woning in aanbouw wanneer aannemelijk is dat zij binnen de wettelijke termijn hoofdverblijf wordt. Het antwoord berust op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Zo blijft de bouwrente aftrekbaar voordat er feitelijk wordt gewoond.
4. Wat regelt de leegstandsregeling in de eigenwoningregeling?
- Een woning die nog niet is opgeleverd valt gedurende de bouwperiode volledig buiten elke heffing tot het moment waarop de sleutel aan de koper wordt overhandigd
- Een woning die de eigenaar tijdelijk verhuurt blijft gedurende de gehele verhuurperiode onder de eigenwoningregeling vallen zolang hij daar zelf weer terugkeert na afloop
- Een woning die de eigenaar heeft verlaten wegens opname in een zorginstelling verhuist onmiddellijk naar box 3 waar zij tegen de WOZ-waarde wordt gewaardeerd
- Een leegstaande, te koop staande voormalige eigen woning blijft volgens deze regeling tijdelijk in box 1.
De leegstandsregeling houdt een te koop staande voormalige woning tijdelijk in box 1, met behoud van renteaftrek. Dat volgt uit de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Na afloop van de wettelijke termijn verhuist de woning naar box 3.
5. Wat gebeurt er met de eigen woning bij opname in een zorginstelling?
- De woning blijft na opname gedurende een wettelijke termijn als eigen woning aangemerkt.
- De woning verhuist onmiddellijk naar box 3 waar zij tegen de WOZ-waarde in de rendementsgrondslag wordt opgenomen en de renteaftrek in box 1 volledig komt te vervallen
- De woning moet binnen zes maanden na de opname worden verkocht omdat de eigenaar haar niet langer als hoofdverblijf gebruikt in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001
- De woning blijft onbeperkt onder de eigenwoningregeling vallen zolang de eigenaar niet is overleden en de woning niet aan een derde wordt verhuurd of verkocht
De wet kent een uitzondering waarbij de woning na opname in een zorginstelling nog een beperkte periode als eigen woning geldt. Dit punt is terug te voeren op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Na die termijn verhuist de woning naar box 3.
6. Wat is een eigenwoningschuld?
- Elke schuld waarvoor een recht van hypotheek is gevestigd op de woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf gebruikt, ongeacht waaraan het geleende bedrag is besteed
- Een schuld die is aangegaan voor verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning
- Het bedrag van de hypothecaire lening zoals dat in de notariële akte is opgenomen en in de openbare registers van het Kadaster is ingeschreven bij het passeren
- Het verschil tussen de marktwaarde van de woning en de resterende hoofdsom van de daarop rustende hypothecaire lening op de peildatum van 1 januari
Bepalend is waaraan het geld is besteed en niet op welk pand de hypotheek is gevestigd. Het antwoord berust op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Een lening voor consumptieve doeleinden kwalificeert daardoor nooit als eigenwoningschuld, ook al is zij hypothecair gedekt.
7. Wie moet aantonen dat een lening aan de eigen woning is besteed?
- De belastingplichtige moet dit zelf aantonen met facturen en betaalbewijzen voor de besteding.
- De geldverstrekker, die daarvan jaarlijks opgave doet aan de Belastingdienst zodat de gegevens in de vooringevulde aangifte van de belastingplichtige kunnen worden opgenomen
- De notaris, die bij het passeren van de akte vastlegt waaraan het geleende bedrag zal worden besteed en die verklaring aan de Belastingdienst toestuurt na de levering
- De adviseur, die in zijn adviesrapport moet onderbouwen dat het geadviseerde bedrag noodzakelijk is voor de verwerving of verbetering van de betreffende woning
De belastingplichtige draagt de bewijslast voor de bestemming van de lening, wat een deugdelijke administratie noodzakelijk maakt. Deze regel staat in de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Bij een verbouwing zijn facturen en betaalbewijzen daarvoor het aangewezen middel.
8. Wat houdt de aflossingseis voor leningen vanaf 2013 in?
- De lening moet binnen dertig jaar volledig zijn afgelost waarbij de belastingplichtige zelf mag bepalen in welk tempo hij dat doet zolang het eindbedrag maar nul bedraagt
- De lening moet in ten hoogste 360 maanden ten minste annuïtair volledig worden afgelost
- De lening mag niet hoger zijn dan het bedrag dat volgens de financieringslastnormen van de Tijdelijke regeling hypothecair krediet aan de consument mag worden verstrekt
- De lening moet ten minste voor de helft bestaan uit een annuïtair of lineair aflossend deel waarover de belastingplichtige maandelijks daadwerkelijk aflost aan zijn geldverstrekker
Renteaftrek bestaat alleen bij ten minste annuïtaire aflossing in maximaal 360 maanden. Dit punt is terug te voeren op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Sneller aflossen, bijvoorbeeld lineair, voldoet ruimschoots aan die eis.
9. Wat gebeurt er bij een aflossingsachterstand op de eigenwoningschuld?
- De geldverstrekker is verplicht de achterstand te melden bij het Bureau Krediet Registratie waarna de belastingplichtige zijn recht op renteaftrek in box 1 verliest voor dat jaar
- Bij een aflossingsachterstand kan de eigenwoningschuld naar box 3 verhuizen en kan de renteaftrek vervallen.
- De Belastingdienst legt een boete op ter grootte van het bedrag aan renteaftrek dat de belastingplichtige in het betreffende jaar ten onrechte in aanmerking heeft genomen
- De belastingplichtige moet het tekort binnen zes maanden aanzuiveren, waarna de renteaftrek met terugwerkende kracht wordt hersteld over de gehele periode van de achterstand
Wordt er te weinig afgelost, dan voldoet de schuld niet langer aan de aflossingseis en verhuist zij naar box 3. Hierop is de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001 van toepassing. De wet kent wel een herstelmogelijkheid binnen een beperkte termijn.
10. Begint de dertigjaarstermijn opnieuw bij verhuizing?
- Ja, bij elke verhuizing ontstaat een nieuwe eigenwoningschuld waarvoor opnieuw een volledige termijn van dertig jaren aan renteaftrek beschikbaar komt voor de belastingplichtige
- Nee. Voor het bestaande deel van de eigenwoningschuld loopt de dertigjaarstermijn bij verhuizing door.
- Ja, mits de belastingplichtige zijn oude woning binnen drie kalenderjaren na de aankoop van de nieuwe woning daadwerkelijk heeft verkocht en geleverd aan een derde partij
- Nee, maar de termijn wordt verlengd met het aantal jaren dat de belastingplichtige zijn woning niet als hoofdverblijf heeft gebruikt wegens verblijf in het buitenland
De termijn is aan de schuld gekoppeld en loopt door bij verhuizing, zodat verhuizen geen nieuwe aftrekperiode oplevert. De basis daarvoor is de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Voor een verhoging boven de bestaande schuld begint wel een nieuwe termijn.
11. Welke kosten kunnen naast de rente in aftrek worden gebracht?
- Alle kosten die de belastingplichtige maakt in verband met de aankoop van zijn woning, waaronder de overdrachtsbelasting en de notariskosten voor de akte van levering
- Financieringskosten zoals afsluitprovisie, taxatie voor de lening en advieskosten
- De kosten van onderhoud en verbetering van de woning, mits de belastingplichtige die kosten uit eigen middelen heeft voldaan en daarvan facturen kan overleggen aan de fiscus
- De premies van de opstalverzekering en van de overlijdensrisicoverzekering die de geldverstrekker als voorwaarde voor de verstrekking van de lening heeft gesteld
Alleen kosten die op de financiering zien zijn aftrekbaar, waaronder afsluitprovisie, taxatie, advies en de borgtochtprovisie. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Kosten die op de verkrijging van de woning zien zijn dat niet.
12. Welke kostenpost is niet aftrekbaar bij de eigen woning?
- De eenmalige borgtochtprovisie die de consument verschuldigd is voor de borgstelling van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen jegens zijn eigen geldverstrekker
- De kosten van het gevalideerde taxatierapport dat de geldverstrekker verlangt voordat hij bereid is een bindend aanbod voor de hypothecaire lening uit te brengen aan de consument
- De makelaarskosten voor de aankoop van de woning zijn binnen de eigenwoningregeling niet aftrekbaar.
- De advies- en bemiddelingskosten die de consument op grond van het provisieverbod rechtstreeks aan zijn hypotheekadviseur verschuldigd is voor diens dienstverlening
Aankoopmakelaarskosten horen bij de verkrijging van de woning en zijn daarom niet aftrekbaar. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Taxatie, borgtochtprovisie en advieskosten voor de financiering zijn dat wel.
13. Welke bouwrente is bij nieuwbouw aftrekbaar?
- Alle bouwrente die de projectontwikkelaar aan de koper in rekening brengt, ongeacht het moment waarop die rente is berekend en aan de koopsom van de woning is toegevoegd
- Aftrekbaar is de bouwrente die na het sluiten van de koop-aannemingsovereenkomst is berekend.
- Uitsluitend de rente die de koper aan zijn geldverstrekker betaalt over het deel van de lening dat op dat moment nog niet uit het bouwdepot is opgenomen voor de aannemer
- Uitsluitend de rente over de grondkosten, omdat die kosten betrekking hebben op de verwerving van het perceel waarop de woning uiteindelijk zal worden gebouwd
Bouwrente van vóór het sluiten van de koop-aannemingsovereenkomst hoort bij de koopsom en is niet aftrekbaar. Hierop is de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001 van toepassing. Rente die daarna is berekend, valt onder de financieringskosten en is dat wel.
14. Wanneer is het eigenwoningforfait niet verschuldigd?
- Wanneer de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en zijn inkomen uitsluitend bestaat uit een uitkering en een aanvullend pensioen
- Wanneer de belastingplichtige zijn eigenwoningschuld volledig heeft afgelost en er dus geen rente meer in aftrek wordt gebracht op zijn inkomen uit werk en woning in box 1
- Wanneer de WOZ-waarde van de woning lager is dan het bedrag dat als heffingsvrij vermogen in box 3 geldt voor de betreffende belastingplichtige in dat jaar
- Het eigenwoningforfait is niet verschuldigd wanneer de woning niet als hoofdverblijf dient.
Het forfait hoort bij de eigenwoningregeling en geldt dus alleen voor het hoofdverblijf. Wie zijn schuld heeft afgelost, betaalt juist wel forfait, waarvoor de regeling-Hillen in afbouw voorziet.
15. Wat gebeurt er met het eigenwoningforfait bij een duurdere woning?
- Het forfait vervalt volledig zodra de WOZ-waarde van de woning een door de wetgever jaarlijks vastgestelde bovengrens overschrijdt in het betreffende belastingjaar
- Het forfait wordt begrensd op het bedrag dat de belastingplichtige in dat jaar aan aftrekbare hypotheekrente en financieringskosten in aanmerking heeft genomen bij zijn aangifte
- Bij een duurdere woning geldt over het deel boven een wettelijke waardegrens een hoger forfaitpercentage.
- Het forfait wordt gehalveerd omdat de wetgever wil voorkomen dat de bijtelling bij duurdere woningen onevenredig zwaar op het inkomen van de belastingplichtige drukt
Boven een wettelijke waardegrens geldt een hoger percentage over het meerdere, wat het forfait voor dure woningen sterk verhoogt. Toetsing hiervan gebeurt aan de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Die grens en de percentages worden jaarlijks vastgesteld.
16. Wat regelt de kamerverhuurvrijstelling?
- De woning waarvan een kamer wordt verhuurd blijft volledig buiten de rendementsgrondslag van box 3 zolang de verhuurder haar zelf als hoofdverblijf blijft gebruiken
- De verhuurder van een kamer in zijn eigen woning mag de kosten die hij daarvoor maakt in mindering brengen op zijn inkomen uit werk en woning in box 1 van de Wet IB 2001
- De vrijstelling houdt in dat huurinkomsten uit een kamer in de eigen woning tot een wettelijke grens onbelast blijven.
- De huurder van een kamer in een eigen woning heeft recht op huurtoeslag zolang de huurprijs onder de jaarlijks vastgestelde liberalisatiegrens blijft in dat kalenderjaar
De vrijstelling houdt huurinkomsten uit een kamer in de eigen woning tot een jaarlijks vastgestelde grens onbelast. Toetsing hiervan gebeurt aan de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Wordt die grens overschreden, dan is de volledige opbrengst belast en verhuist het verhuurde deel naar box 3.
17. Hoe wordt tijdelijke verhuur van de eigen woning fiscaal behandeld?
- De woning verhuist gedurende de verhuurperiode naar box 3 waar zij tegen de WOZ-waarde in de rendementsgrondslag wordt opgenomen en de renteaftrek in box 1 vervalt
- Bij tijdelijke verhuur wordt een wettelijk deel van de huuropbrengst bij het belastbare inkomen geteld.
- De huuropbrengst wordt als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 belast waarbij alle daarmee samenhangende kosten volledig in aftrek mogen worden gebracht
- De huuropbrengst blijft volledig onbelast zolang de verhuur niet langer duurt dan drie aaneengesloten maanden binnen hetzelfde kalenderjaar en de eigenaar terugkeert
Bij tijdelijke verhuur blijft de eigenwoningregeling van toepassing en wordt een wettelijk deel van de huur bijgeteld. Bij structurele verhuur verhuist de woning wel degelijk naar box 3.
18. Hoe verdelen fiscale partners de aftrekbare hypotheekrente?
- Naar rato van hun inkomen in box 1, waarbij de partner met het hoogste inkomen verplicht het grootste deel van de aftrek in zijn aangifte in aanmerking moet nemen
- Naar rato van hun aandeel in de eigendom van de woning zoals dat blijkt uit de akte van levering die bij de notaris is gepasseerd en in het Kadaster is ingeschreven
- Fiscale partners verdelen de aftrekbare hypotheekrente naar eigen inzicht, mits zij samen niet meer dan honderd procent toerekenen.
- Bij helfte, omdat de eigenwoningregeling van afdeling 3.6 uitgaat van een gelijke verdeling tussen fiscale partners ongeacht hun onderlinge eigendomsverhouding
Het saldo van forfait en aftrek is een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel dat partners vrij mogen toerekenen. Het antwoord berust op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Toerekenen aan de partner met het hoogste tarief levert doorgaans het grootste voordeel op.
19. Hoe lang blijft een te koop staande voormalige eigen woning in box 1?
- Gedurende twaalf maanden na de datum waarop de eigenaar zich op het adres van zijn nieuwe woning heeft ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente
- Totdat de woning daadwerkelijk is verkocht en geleverd aan een derde, ongeacht hoeveel jaren er tussen het vertrek van de eigenaar en die levering verstrijken
- De voormalige eigen woning blijft gedurende de wettelijke termijn van de verhuisregeling in box 1.
- Gedurende de periode waarin de eigenaar de woning nog niet heeft verhuurd en de woning ook niet door anderen om niet in gebruik is genomen als hoofdverblijf
De verhuisregeling kent een wettelijke termijn waarbinnen de oude woning nog als eigen woning geldt. De grondslag hiervoor ligt in de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Verstrijkt die termijn, dan verhuist de woning naar box 3 en vervalt de renteaftrek.
20. Wat is het gevolg wanneer de oude woning na afloop van de termijn nog niet is verkocht?
- Na die termijn verhuist de oude woning naar box 3 en is de rente niet langer aftrekbaar.
- De belastingplichtige mag de renteaftrek voortzetten zolang hij kan aantonen dat hij de woning actief te koop aanbiedt via een makelaar tegen een marktconforme vraagprijs
- De woning wordt geacht te zijn verkocht tegen de WOZ-waarde waardoor er een eigenwoningreserve ontstaat die bij een volgende aankoop moet worden ingezet
- De belastingplichtige krijgt op verzoek van de inspecteur een verlenging van de termijn met telkens twaalf maanden zolang de woningmarkt ongunstig blijft in zijn regio
Na afloop van de wettelijke termijn verhuist de woning naar box 3 en vervalt de renteaftrek. de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001 is op dit punt de bepalende bron. De schuld verlaagt dan wel de rendementsgrondslag, maar geeft geen aftrek meer in box 1.
21. Hoe wordt een restschuld na verkoop van de eigen woning behandeld?
- Als eigenwoningschuld in box 1 waarover gedurende vijftien jaren renteaftrek mogelijk blijft op grond van de tijdelijke regeling die de wetgever daarvoor heeft getroffen
- Een restschuld geldt na verkoop als schuld in box 3, zonder recht op renteaftrek.
- Als persoonsgebonden aftrekpost die de belastingplichtige gedurende drie kalenderjaren in mindering mag brengen op zijn inkomen uit werk en woning in box 1
- Als een negatief inkomensbestanddeel dat rechtstreeks in mindering komt op het eigenwoningforfait dat de belastingplichtige over zijn nieuwe woning verschuldigd is
De tijdelijke regeling die renteaftrek op restschulden toestond, gold voor een afgebakende periode en is verlopen. Hierop is de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001 van toepassing. Een restschuld hoort daardoor in box 3.
22. Voor welke schulden geldt het overgangsrecht van de eigenwoningregeling?
- Voor alle eigenwoningschulden die zijn aangegaan vóór de datum waarop de Wet inkomstenbelasting 2001 op 1 januari van dat jaar in werking is getreden voor belastingplichtigen
- Het overgangsrecht geldt voor eigenwoningschulden die op 31 december 2012 al bestonden.
- Voor schulden waarvan de rente op grond van de tariefsaanpassing niet langer tegen het toptarief in aftrek kan worden gebracht op het inkomen in box 1 van de belastingplichtige
- Voor schulden die met een kapitaalverzekering eigen woning zijn verbonden en waarvan de uitkering bij het einde van de looptijd volledig aan aflossing wordt besteed
Bestaande eigenwoningschulden van vóór 2013 vallen onder overgangsrecht en kennen geen aflossingseis. De grondslag hiervoor ligt in de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Dat overgangsrecht kan bij verhoging of oversluiten geheel of gedeeltelijk vervallen.
23. Welke voorwaarde geldt voor de vrijstelling van een kapitaalverzekering eigen woning?
- Er moet gedurende een minimumaantal jaren premie zijn betaald binnen een bandbreedte
- De uitkering moet volledig worden aangewend voor de aankoop van een nieuwe eigen woning binnen twee jaren na het moment waarop de verzekering tot uitkering is gekomen
- De verzekering moet zijn afgesloten bij een verzekeraar met zetel in Nederland die onder prudentieel toezicht van De Nederlandsche Bank staat en aan de solvabiliteitseisen voldoet
- De verzekeringnemer moet gedurende de gehele looptijd van de verzekering eigenaar zijn geweest van dezelfde woning die hij als hoofdverblijf heeft gebruikt
De vrijstelling verlangt premiebetaling gedurende een minimumaantal jaren binnen een bandbreedte tussen hoogste en laagste premie. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. De uitkering moet bovendien worden gebruikt voor aflossing van de eigenwoningschuld.
24. Wat gebeurt er wanneer de premie buiten de wettelijke bandbreedte valt?
- De verzekering wordt van rechtswege omgezet in een gewone kapitaalverzekering die vanaf dat moment in box 3 wordt belast tegen het forfaitaire rendement
- De verzekeraar is verplicht de premie aan te passen zodat zij weer binnen de bandbreedte valt en de vrijstelling voor de belastingplichtige behouden blijft bij de uitkering
- De Belastingdienst legt een boete op ter grootte van het belastingvoordeel dat de belastingplichtige door de vrijstelling in de betreffende jaren heeft genoten
- Wanneer de premie buiten de wettelijke bandbreedte valt, kan de vrijstelling geheel of gedeeltelijk vervallen.
De bandbreedte-eis is strikt: valt de premie erbuiten, dan kan de vrijstelling vervallen. Het antwoord berust op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Dat is een van de redenen om oude polissen niet zonder fiscale toets te wijzigen.
25. Wanneer ontstaat een eigenwoningreserve?
- Bij elke verkoop van een woning, ook wanneer de opbrengst lager is dan de resterende hoofdsom van de daarop rustende eigenwoningschuld op het moment van de levering
- Een eigenwoningreserve ontstaat bij verkoop van een eigen woning met een positief vervreemdingssaldo.
- Bij het aflossen van een eigenwoningschuld met eigen middelen, waarbij het afgeloste bedrag als reserve wordt geregistreerd voor een eventuele volgende woningaankoop
- Bij het ontvangen van een schenking die door de belastingplichtige wordt aangewend voor de aankoop van een eigen woning die hij als hoofdverblijf gaat gebruiken
De reserve ontstaat bij een positief verschil tussen opbrengst en eigenwoningschuld, na aftrek van de verkoopkosten. Dit punt is terug te voeren op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Bij een negatief saldo ontstaat er juist een restschuld en geen reserve.
26. Hoe lang blijft een eigenwoningreserve bestaan?
- Onbeperkt, omdat de Belastingdienst de reserve blijft registreren zolang de belastingplichtige eigenaar is van een woning die onder de eigenwoningregeling valt
- Gedurende de volledige resterende looptijd van de nieuwe eigenwoningschuld die de belastingplichtige voor zijn volgende woning bij een geldverstrekker is aangegaan
- Totdat de belastingplichtige het volledige bedrag van de reserve heeft aangewend voor de aankoop of verbetering van een woning die hij als hoofdverblijf gaat gebruiken
- Een eigenwoningreserve blijft gedurende een wettelijke termijn van drie jaren na het ontstaan bestaan.
De eigenwoningreserve vervalt na een wettelijke termijn van drie jaren wanneer zij niet is benut. Dat volgt uit de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Wordt binnen die termijn een nieuwe woning gekocht, dan moet de reserve worden ingezet.
27. Wat is het gevolg wanneer een klant binnen de termijn geen nieuwe woning koopt?
- De Belastingdienst merkt de reserve aan als voordeel uit eigen woning en telt het bedrag daarom bij het inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige in dat jaar
- De belastingplichtige moet het bedrag van de reserve in box 3 aangeven als bezitting totdat hij het volledig heeft aangewend voor de aankoop van een nieuwe eigen woning
- Wanneer binnen de termijn geen nieuwe woning wordt gekocht, vervalt de eigenwoningreserve na afloop van die termijn.
- De reserve wordt overgedragen aan de fiscale partner van de belastingplichtige die het bedrag bij een eigen woningaankoop alsnog moet inzetten binnen de termijn
Na verloop van de wettelijke termijn vervalt de reserve en beperkt zij een latere aankoop niet meer. Dit punt is terug te voeren op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Het bedrag zelf staat overigens gewoon in box 3 zolang het als vermogen aanwezig is.
28. Wat is het gevolg van de afbouw van de regeling-Hillen?
- De renteaftrek wordt voor alle belastingplichtigen stapsgewijs beperkt tot het basistarief van de eerste schijf van box 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001
- Door de afbouw gaan eigenaren met weinig of geen eigenwoningschuld geleidelijk meer belasting betalen.
- Het eigenwoningforfait wordt jaarlijks verlaagd voor belastingplichtigen die hun eigenwoningschuld volledig hebben afgelost met eigen middelen of met een erfenis
- De aflossingseis vervalt voor belastingplichtigen die hun schuld sneller aflossen dan het wettelijk voorgeschreven annuïtaire schema van 360 maanden voorschrijft
De regeling-Hillen voorkwam dat wie zijn schuld had afgelost per saldo belasting over het forfait ging betalen. Dit punt is terug te voeren op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Door de stapsgewijze afbouw komt dat effect geleidelijk terug.
29. Voor wie is de tariefsaanpassing van de aftrek merkbaar?
- Voor alle belastingplichtigen met een eigen woning, omdat het volledige rentebedrag door de aanpassing niet langer volledig in aftrek kan worden gebracht op hun inkomen
- De tariefsaanpassing is merkbaar voor belastingplichtigen met inkomen in de hoogste tariefschijf.
- Voor belastingplichtigen met een eigenwoningschuld die hoger is dan de jaarlijks vastgestelde kostengrens van de Nationale Hypotheek Garantie in het betreffende jaar
- Voor belastingplichtigen die hun woning met een aflossingsvrije lening hebben gefinancierd en daarom gedurende de gehele looptijd uitsluitend rente betalen
Wie in de hoogste schijf valt, kan de rente niet meer tegen dat tarief aftrekken maar tegen het basistarief. De basis daarvoor is de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Voor inkomens in de eerste schijf verandert er door de aanpassing niets.
30. Wanneer geldt het verlaagde woningtarief in de overdrachtsbelasting?
- Wanneer de verkrijger in de vijf jaren voorafgaand aan de verkrijging geen onroerende zaak in eigendom heeft gehad volgens de registers van het Kadaster
- Wanneer de verkregen onroerende zaak naar haar aard is bestemd voor bewoning, ongeacht of de verkrijger daar zelf gaat wonen of het pand aan een derde gaat verhuren
- Wanneer de koopsom van de woning onder de jaarlijks vastgestelde waardegrens van de startersvrijstelling blijft en de verkrijger jonger is dan vijfendertig jaar
- Wanneer de verkrijger de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken
Het verlaagde woningtarief is gekoppeld aan het gebruik als hoofdverblijf, wat de verkrijger schriftelijk moet verklaren. de Wet op belastingen van rechtsverkeer is op dit punt de bepalende bron. Beleggers en kopers van een tweede woning betalen daarom het algemene tarief.
31. Welke voorwaarden gelden voor de startersvrijstelling?
- De verkrijger moet aantonen dat hij de woning volledig met eigen middelen financiert zonder daarvoor een hypothecaire lening bij een geldverstrekker af te sluiten
- De verkrijger mag in de tien jaren voorafgaand aan de verkrijging geen onroerende zaak in eigendom hebben gehad en moet de woning ten minste vijf jaren zelf blijven bewonen
- Een leeftijdsgrens, gebruik als hoofdverblijf, een waardegrens en eenmalig gebruik
- De verkrijger moet de woning binnen zes maanden na de eigendomsoverdracht daadwerkelijk betrekken en zich op dat adres inschrijven in de basisregistratie personen
De vrijstelling kent een leeftijdsgrens, een eis van hoofdverblijf, een jaarlijks aangepaste waardegrens en mag maar eenmaal worden gebruikt. Hierop is de Wet op belastingen van rechtsverkeer van toepassing. De verkrijger legt daarvoor een schriftelijke verklaring af.
32. Hoe werkt een schenking voor de eigen woning fiscaal uit?
- Een schenking verlaagt de benodigde eigenwoninglening en daardoor ook het bedrag aan aftrekbare rente.
- Zij geeft de begiftigde recht op een aanvullende renteaftrek in box 1 ter grootte van het geschonken bedrag gedurende de eerste tien jaren na de verkrijging van de woning
- Zij wordt door de Belastingdienst aangemerkt als eigenwoningreserve die bij een volgende woningaankoop opnieuw moet worden ingezet voordat er renteaftrek kan ontstaan
- Zij blijft buiten de heffing van schenkbelasting wanneer het bedrag volledig aan de aankoop of verbetering van een eigen woning wordt besteed binnen twee kalenderjaren
Meer eigen geld betekent een kleinere lening en dus minder aftrekbare rente, maar ook een lagere last. de Successiewet 1956 is op dit punt de bepalende bron. De vroegere extra verhoogde vrijstelling voor de eigen woning is inmiddels vervallen.
33. Onder welke voorwaarde is rente op een familielening voor de eigen woning aftrekbaar?
- Wanneer de ouders de lening bij notariële akte hebben vastgelegd en daarvoor een recht van hypotheek op de woning van hun kind hebben laten vestigen bij het Kadaster
- Wanneer de lening voldoet aan de aflossingseis en tijdig bij de fiscus is gemeld
- Wanneer de overeengekomen rente niet hoger is dan het percentage dat een bank op dat moment voor een vergelijkbare lening met dezelfde rentevaste periode zou hanteren
- Wanneer het geleende bedrag niet hoger is dan de helft van de marktwaarde van de woning die het kind met behulp van die lening heeft verworven van een derde
Ook een familielening moet aan de aflossingseis voldoen en moet in de aangifte worden gemeld. De basis daarvoor is de Successiewet 1956. Een onzakelijk lage rente kan bovendien deels als schenking worden aangemerkt.
34. Waarom is het netto voordeel van renteaftrek lager dan het rentebedrag?
- Omdat renteaftrek tegen een belastingpercentage werkt en niet het volledige rentebedrag vergoedt.
- De Belastingdienst brengt op het bedrag van de aftrek eerst het eigenwoningforfait in mindering voordat het restant tegen het geldende tarief wordt verrekend met de aanslag
- De belastingplichtige ontvangt het voordeel pas na afloop van het kalenderjaar waardoor hij gedurende dat jaar rente derft over het bedrag dat hij te veel heeft afgedragen
- De renteaftrek is beperkt tot het bedrag van het eigenwoningforfait dat de belastingplichtige in datzelfde belastingjaar bij zijn inkomen heeft moeten optellen
Aftrek levert een besparing op ter grootte van het rentebedrag maal het tarief, niet het volledige rentebedrag. Hierop is de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001 van toepassing. Het forfait vermindert het saldo bovendien nog verder.
35. Welke gegevens over de eigen woning staan doorgaans in de vooringevulde aangifte?
- Alle aftrekbare financieringskosten die de belastingplichtige in het jaar van aankoop heeft gemaakt, waaronder de kosten van de notaris, de taxateur en zijn adviseur
- Uitsluitend het bedrag van het eigenwoningforfait dat de Belastingdienst op basis van de WOZ-waarde van de woning voor het betreffende belastingjaar heeft berekend
- Doorgaans staan de WOZ-waarde en de door de geldverstrekker aangeleverde hypotheekrente en schuld vooraf ingevuld.
- Het bedrag van de eigenwoningreserve dat bij een volgende aankoop van een woning door de belastingplichtige verplicht moet worden ingezet volgens de bijleenregeling
Banken leveren rente en schuld aan en de gemeente de WOZ-waarde, zodat die gegevens vooraf zijn ingevuld. Het antwoord berust op de eigenwoningregeling van de Wet IB 2001. Financieringskosten en familieleningen moet de belastingplichtige zelf toevoegen.