WftExamenTrainer

⚖️ Aansprakelijkheid zakelijk: AVB, beroeps- en bestuurdersaansprakelijkheid, claims made, recall, bedrijfsrechtsbijstand

Waarover dit gaat

De aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB) beschermt het bedrijfsvermogen; BAV, BCA, recallverzekering en bedrijfsrechtsbijstand vullen de gaten (toetstermen 1c.17-1c.19, 1g.3, 1i.23-1i.24, 1e.16b, 1a.4).

Grondslagen in het BW

De onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) vraagt onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, schade, causaal verband en relativiteit; wanprestatie (art. 6:74 BW) is de tekortkoming tegenover een contractspartij. Kwalitatieve aansprakelijkheid treft de onderneming zonder eigen verwijt: ondergeschikten (art. 6:170 BW), zelfstandige hulppersonen (art. 6:171 BW), gebrekkige zaken, opstallen en dieren (art. 6:173, 6:174, 6:179 BW). De producent draagt risicoaansprakelijkheid voor een gebrekkig product (art. 6:185-6:193 BW). De werkgever moet een veilige werkomgeving bieden (art. 7:658 BW, omgekeerde bewijslast, ook voor ingeleend personeel) en verkeersrisico's van werknemers verzekeren (art. 7:611 BW).

De AVB en de claims-madepolis

De AVB dekt zaak- en letselschade van derden in de verzekerde hoedanigheid: rubrieken algemene, werkgevers-, product- en plotselinge milieuaansprakelijkheid. Uitgesloten: opzet, motorrijtuigen (WAM), opzicht, zuivere vermogensschade, contractuele boetes, asbest. Het verzekerd bedrag geldt per aanspraak en per jaar, met een eigen risico. De AVB is een claims-madepolis (1c.19): gedekt is de aanspraak die tijdens de looptijd wordt ingesteld en gemeld, met inloop voor onbekend voorrisico en te bedingen uitloop. Alternatieven: loss occurrence (schade ontstaan tijdens de looptijd) en act committed (handelen tijdens de looptijd).

BAV, BCA, garage en recall

De BAV dekt zuivere vermogensschade uit een beroepsfout; verplicht voor advocaten, notarissen, accountants en via art. 4:75 Wft voor financiëledienstverleners. De BCA dekt de bestuurder als natuurlijke persoon: ernstig verwijt (art. 2:9 BW), kennelijk onbehoorlijk bestuur in faillissement (art. 2:138 en 2:248 BW), de Beklamel-norm (art. 6:162 BW) en fiscale aansprakelijkheid na een te late melding van betalingsonmacht (art. 36 Invorderingswet 1990). De garageverzekering dekt de aansprakelijkheid voor cliëntenobjecten die de AVB als opzicht uitsluit. De recallverzekering (1e.16b) dekt de eigen terughaalkosten; productaansprakelijkheid dekt alleen de schade bij derden.

Voorwaarden en rechtsbijstand

Leveringsvoorwaarden beperken (exoneratie, vrijwaring) of vergroten (garantie, boetebeding) de aansprakelijkheid (1c.18). Grijze en zwarte lijst (art. 6:236, 6:237 BW) gelden alleen voor consumenten; bij botsende voorwaarden wint de eerste verwijzing tenzij de tweede uitdrukkelijk afwijst (art. 6:225 lid 3 BW); exoneratie voor opzet of bewuste roekeloosheid faalt op art. 6:248 lid 2 BW. De bedrijfsrechtsbijstand levert hulp in natura per rubriek (arbeidsrecht, contracten, incasso, verhaal); vrije advocaatkeuze in procedures volgt uit het arrest Sneller (HvJ EU 2013) en art. 4:67 Wft; de Kwaliteitscode Rechtsbijstand regelt geschillen en klachten (1a.4).

Schadebehandeling

Naast de benadeelde spelen regresnemers mee (1i.23): zorgverzekeraar (art. 7:962 BW), werkgever met loonregres (art. 6:107a BW), UWV en overheid; bij letsel bestaat een rechtstreekse actie op de verzekeraar (art. 7:954 BW). De Gedragscode Behandeling Letselschade stelt termijnen; de Bedrijfsregeling Brandregres regelt het verhaal van brandverzekeraars op aansprakelijke bedrijven.

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Een klant van Hoveniersbedrijf Groenwerk BV stelt het bedrijf aansprakelijk omdat een omgevallen boom zijn tuinhuis vernielde. Welke vereisten moet de klant aantonen om Groenwerk met succes op grond van art. 6:162 BW aan te spreken?

  1. Een onrechtmatige daad, toerekenbaarheid aan Groenwerk, schade, causaal verband en het relativiteitsvereiste
  2. Een overeenkomst met Groenwerk, een ingebrekestelling, verzuim en een schade die hoger is dan het factuurbedrag
  3. Alleen de schade en de naam van de dader; de wet vermoedt de onrechtmatigheid van iedere schadeveroorzaking
  4. Een strafrechtelijke veroordeling van de hovenier, gevolgd door een civiele vordering tot schadevergoeding

Art. 6:162 BW vereist een onrechtmatige daad (inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht of met het ongeschreven recht), toerekenbaarheid door schuld of door een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvatting voor rekening van de dader komt, schade en causaal verband; art. 6:163 BW voegt de relativiteit toe. Een strafrechtelijke veroordeling of een overeenkomst is niet vereist: de onrechtmatige daad is een buitencontractuele grondslag.

2. Installatiebedrijf Jansen BV legt in opdracht van Bakkerij Ozturk vof een nieuwe elektrische installatie aan. Door een verkeerd aangesloten groep brandt de oven door en staat de bakkerij drie dagen stil. Op welke grondslag spreekt de bakkerij Jansen BV in de eerste plaats aan?

  1. De toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst (art. 6:74 BW)
  2. Op grond van de onrechtmatige daad van art. 6:162 BW, omdat een installatiefout altijd buiten de overeenkomst valt
  3. Op grond van de kwalitatieve aansprakelijkheid voor een gebrekkige roerende zaak van art. 6:173 BW
  4. Op grond van de productaansprakelijkheid van art. 6:185 BW, omdat de bakkerij een gebrekkige installatie geleverd kreeg

Tussen de bakkerij en Jansen BV bestaat een overeenkomst van aanneming van werk; ondeugdelijk werk is een toerekenbare tekortkoming (art. 6:74 BW) die tot schadevergoeding verplicht. Productaansprakelijkheid (art. 6:185 BW) treft de producent van een gebrekkig product en niet de installateur van een installatie; art. 6:173 BW ziet op de bezitter van een gebrekkige zaak, niet op de opdrachtnemer die fouten maakte.

3. Dakdekkersbedrijf Bos vervangt het dak van een winkelpand. Een losgeraakte dakpan valt op de auto van een passant. De winkelier heeft geen schade. Wie kan het dakdekkersbedrijf aanspreken en op welke grondslag?

  1. Alleen de winkelier, die de vergoeding vervolgens aan de passant moet doorbetalen op grond van de overeenkomst
  2. Niemand: de passant staat buiten de aannemingsovereenkomst en de winkelier heeft geen schade geleden
  3. De passant op grond van wanprestatie, omdat hij als gebruiker van de openbare weg profiteert van de aannemingsovereenkomst
  4. De passant op grond van onrechtmatige daad; als opdrachtgever kan alleen de winkelier op grond van wanprestatie klagen, wat hij hier niet doet

De passant is geen partij bij de aannemingsovereenkomst en spreekt Bos aan uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW): het laten vallen van een dakpan op een auto is een inbreuk op zijn eigendomsrecht. Wanprestatie (art. 6:74 BW) staat alleen open voor de contractspartij, dus de winkelier; zonder schade heeft hij geen vordering. Een derde hoeft niet via de opdrachtgever te vorderen.

4. Een monteur in loondienst van Installatiebedrijf Jansen BV laat bij een klant een gereedschapskoffer van een trap vallen, waardoor een marmeren vloer beschadigt. De monteur handelde onvoorzichtig. Wie is tegenover de klant aansprakelijk en op welke grondslag?

  1. Uitsluitend de monteur zelf op grond van art. 6:162 BW, omdat een werkgever nooit aansprakelijk is voor de fouten van zijn personeel
  2. Jansen BV alleen als de klant aantoont dat de directie zelf toezicht op de monteur had moeten houden
  3. Alleen Jansen BV op grond van art. 6:171 BW, omdat een monteur in loondienst als zelfstandige hulppersoon in de bedrijfsuitoefening geldt
  4. Jansen BV als werkgever op grond van art. 6:170 BW, naast de monteur zelf op grond van art. 6:162 BW

Art. 6:170 BW legt op de werkgever een kwalitatieve aansprakelijkheid voor fouten van ondergeschikten, als de kans op de fout door de opdracht is vergroot en de werkgever zeggenschap had over de gedraging. De monteur blijft zelf aansprakelijk uit art. 6:162 BW; beide zijn hoofdelijk verbonden (art. 6:102 BW). Onderling draagt de werkgever de schade, tenzij de werknemer opzet of bewuste roekeloosheid treft (art. 6:170 lid 3 BW).

5. Bouwbedrijf Steenhuis BV besteedt het stucwerk van een nieuwbouwwoning uit aan een zelfstandige stukadoor zonder personeel. Door zijn fout raakt een aangrenzende woning beschadigd. De buurman spreekt Steenhuis BV aan. Welke stelling is juist?

  1. Steenhuis BV is aansprakelijk op grond van art. 6:174 BW, omdat de aannemer tijdens de bouw als bezitter van de opstal in wording geldt
  2. Steenhuis BV is nooit aansprakelijk, omdat art. 6:170 BW alleen geldt voor werknemers met een arbeidsovereenkomst
  3. Steenhuis BV kan aansprakelijk zijn op grond van art. 6:171 BW: de stukadoor werkte ter uitoefening van het bedrijf van Steenhuis
  4. De buurman moet eerst de stukadoor in rechte betrekken voordat hij het bouwbedrijf mag aanspreken op grond van de wet

Art. 6:171 BW maakt de opdrachtgever aansprakelijk voor fouten van een niet-ondergeschikte die werkzaamheden verricht ter uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever; de buitenwereld ziet de stukadoor als onderdeel van het bouwbedrijf. Art. 6:170 BW geldt inderdaad alleen voor ondergeschikten, maar art. 6:171 BW vult dat aan. De benadeelde mag kiezen wie hij aanspreekt; een volgorde is niet voorgeschreven.

6. Een gevelplaat van het bedrijfspand van Metaalbewerking Hendriks BV, eigenaar van het pand, laat los en beschadigt de bestelbus van een leverancier. Hendriks liet de gevel jaarlijks inspecteren. Welke vorm van aansprakelijkheid is aan de orde?

  1. Contractuele aansprakelijkheid, omdat de leverancier zijn bus op grond van de leveringsovereenkomst op het terrein parkeerde
  2. Kwalitatieve aansprakelijkheid van de bezitter van een gebrekkige opstal (art. 6:174 BW), ook zonder verwijt
  3. Geen aansprakelijkheid, omdat een jaarlijkse inspectie aantoont dat Hendriks aan zijn zorgplicht heeft voldaan
  4. Schuldaansprakelijkheid: Hendriks is alleen aansprakelijk als de leverancier bewijst dat de inspectie gebrekkig was

Art. 6:174 BW legt op de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, een risicoaansprakelijkheid; een verwijt is niet nodig, zodat de jaarlijkse inspectie Hendriks niet bevrijdt. Alleen de tenzij-clausule (ook bij bekendheid met het gevaar zou geen aansprakelijkheid hebben bestaan) kan helpen. De leverancier is geen partij bij een overeenkomst over het gebouw.

7. Manege De Ruiter BV stalt en traint paarden van particuliere eigenaren. Tijdens een les op de manege schrikt een gestald paard en verwondt een toeschouwer. Wie is op grond van het BW als eerste aansprakelijk voor de schade van de toeschouwer?

  1. De eigenaar van het paard, omdat art. 6:179 BW de aansprakelijkheid altijd bij de bezitter van het dier legt
  2. De manege als bedrijfsmatig gebruiker van het paard, omdat art. 6:181 BW de aansprakelijkheid van de bezitter naar haar verlegt
  3. De ruiter die het paard bereed, omdat alleen degene die het dier feitelijk in zijn macht heeft aansprakelijk kan zijn
  4. Niemand, omdat een toeschouwer die vrijwillig een manege bezoekt het risico van schrikkende paarden aanvaardt

Art. 6:179 BW legt de risicoaansprakelijkheid voor een dier op de bezitter, maar art. 6:181 BW verlegt haar naar degene die het dier gebruikt in de uitoefening van een bedrijf. De manege die paarden bedrijfsmatig stalt en traint is die gebruiker en dekt dit risico op haar AVB. Risicoaanvaarding door een toeschouwer is geen zelfstandige grond om aansprakelijkheid uit te sluiten; hoogstens speelt eigen schuld (art. 6:101 BW).

8. Webshop Nova importeert vanuit Vietnam koffiezetapparaten en verkoopt die onder haar eigen merknaam 'Nova Brew' aan consumenten. Een apparaat vat vlam door een fabricagefout. Hoe wordt Nova in de regeling van de productaansprakelijkheid behandeld?

  1. Als producent: wie een product in de EER invoert of zijn eigen merk erop zet, geldt op grond van art. 6:187 BW als producent
  2. Als verkoper die uitsluitend op grond van de regels van de consumentenkoop in Boek 7 BW het apparaat hoeft te herstellen of te vervangen
  3. Als tussenhandelaar zonder enige aansprakelijkheid, omdat alleen de fabriek in Vietnam als producent kan worden aangemerkt
  4. Als producent alleen als de consument eerst aantoont dat de fabriek in Vietnam onvindbaar of failliet is

Art. 6:187 BW rekent tot de producent ook degene die zich als producent presenteert door zijn naam of merk op het product aan te brengen en degene die het product in de Europese Economische Ruimte invoert. Nova is beide en draagt de risicoaansprakelijkheid van art. 6:185 BW voor letsel en zaakschade in de privésfeer. De leverancier zonder eigen merk is alleen aansprakelijk als hij de producent niet binnen redelijke termijn noemt.

9. Een gebrekkige waterkoker van Speelgoed- en Huishoudfabrikant Ludo BV veroorzaakt bij een consument thuis € 2.300 zaakschade aan de keuken; letsel is er niet. Welk bedrag kan de consument van Ludo vorderen op grond van de wettelijke regeling van de productaansprakelijkheid, uitgaande van een wettelijke franchise van € 500 (indicatief, in de wet vastgelegd)?

  1. € 2.300, omdat de wettelijke franchise alleen geldt voor bedrijfsmatig gebruikte zaken en niet voor schade bij consumenten thuis
  2. Niets, omdat de wettelijke productaansprakelijkheid uitsluitend geldt voor letselschade en overlijden
  3. € 500, omdat de wettelijke regeling zaakschade slechts tot het franchisebedrag vergoedt
  4. € 1.800, omdat art. 6:190 BW bij zaakschade in de privésfeer een franchise van € 500 in mindering brengt

Art. 6:190 lid 1 BW beperkt de wettelijke productaansprakelijkheid tot schade door dood of letsel en tot zaakschade aan zaken in de privésfeer, met toepassing van een franchise van € 500: de consument vordert € 2.300 − € 500 = € 1.800 van de producent. Het restant kan hij eventueel op de verkoper verhalen via de gewone koopregels. De franchise geldt niet voor letselschade en niet voor zakelijk gebruikte zaken, die buiten de regeling vallen.

10. Fietsenfabriek Velo BV bracht in 2014 een e-bike op de markt. In 2026 breekt het frame door een constructiefout en raakt de berijder gewond. Hij stelt Velo direct aansprakelijk op grond van de productaansprakelijkheid. Welke stelling is juist?

  1. De vordering slaagt, omdat de verjaring van drie jaar pas begint op de dag dat de benadeelde het gebrek en de producent kent
  2. De vordering slaagt alleen als Velo het gebrek in 2014 kende; anders geldt het verweer van het ontwikkelingsrisico
  3. De vordering uit art. 6:185 BW is vervallen: tien jaar na het in het verkeer brengen van het product
  4. De vordering slaagt, omdat bij letselschade geen verval- of verjaringstermijn geldt tegenover een producent

Art. 6:191 lid 2 BW laat het recht op schadevergoeding uit productaansprakelijkheid vervallen tien jaar na het in het verkeer brengen van het product; de driejarige verjaring van lid 1 speelt daarnaast. In 2026 is die vervaltermijn voor een e-bike uit 2014 voorbij. De berijder kan wel nog proberen Velo op grond van de gewone onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) aan te spreken, maar dan moet hij schuld bewijzen.

11. Een werknemer van Schoonmaakbedrijf Helder BV glijdt uit op een natte trap in het pand van een klant en breekt zijn pols. Hij stelt Helder aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW. Hoe is de bewijslast verdeeld?

  1. De werknemer moet aantonen dat Helder haar zorgplicht schond; de werkgever hoeft zelf niets te bewijzen over de veiligheid
  2. De klant bij wie de trap nat was, is als enige aansprakelijk; art. 7:658 BW geldt alleen op de eigen locatie van de werkgever
  3. Helder is zonder meer aansprakelijk, omdat art. 7:658 BW een risicoaansprakelijkheid is waartegen geen verweer openstaat
  4. De werknemer bewijst schade in de uitoefening van zijn werk; Helder moet haar zorgplicht of opzet dan wel bewuste roekeloosheid van de werknemer bewijzen

Art. 7:658 lid 2 BW legt een zware bewijslast op de werkgever: zodra de werknemer aantoont dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade leed, is de werkgever aansprakelijk tenzij hij bewijst dat hij aan zijn zorgplicht voldeed of dat de schade in belangrijke mate door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer is ontstaan. De zorgplicht geldt ook op de werkplek bij een klant; het is een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast.

12. Metaalbewerking Hendriks BV leent via Uitzendbureau Flexpool een lasser in. Bij het werk in de fabriek van Hendriks raakt de lasser gewond door een ontbrekende afscherming. Wie kan de lasser op grond van art. 7:658 BW aanspreken?

  1. Geen van beide; een uitzendkracht kan alleen een beroep doen op de collectieve ongevallenverzekering van de bedrijfstak
  2. Alleen Flexpool, omdat de arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau is gesloten en niet met Hendriks
  3. Alleen Hendriks, omdat het ongeval zich in haar fabriek voordeed en het uitzendbureau daar geen zeggenschap had
  4. Hendriks als inlener (art. 7:658 lid 4 BW) en Flexpool als formele werkgever, hoofdelijk voor de hele schade

Art. 7:658 lid 4 BW breidt de zorgplicht van de werkgever uit tot degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft: de inlener Hendriks. Het uitzendbureau blijft als formele werkgever ook aansprakelijk. Beide zijn hoofdelijk verbonden (art. 6:102 BW); onderling verhaal wordt vaak in de inleenovereenkomst geregeld.

13. Een vertegenwoordiger van Groothandel Bloemendaal BV raakt gewond bij een eenzijdig auto-ongeval tijdens een klantbezoek met zijn eigen auto. Er is geen sprake van een schending van de zorgplicht van de werkgever. Op welke grondslag kan hij toch een vergoeding van Bloemendaal vorderen?

  1. Op grond van art. 7:658 BW, omdat de werkgever altijd aansprakelijk is voor letsel dat onder werktijd ontstaat
  2. Op grond van art. 7:611 BW: als goed werkgever moet Bloemendaal verkeersongevallen van werknemers behoorlijk verzekeren
  3. Op grond van art. 6:170 BW, omdat een werkgever ook aansprakelijk is voor schade die zijn ondergeschikte tijdens het werk zichzelf toebrengt
  4. Op geen enkele grondslag: zonder zorgplichtschending draagt de werknemer zijn schade bij een eenzijdig ongeval zelf

De Hoge Raad heeft uit art. 7:611 BW (goed werkgeverschap) afgeleid dat een werkgever moet zorgen voor een behoorlijke verzekering voor werknemers die als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deelnemen voor het werk; ontbreekt die, dan vergoedt hij de schade die een behoorlijke verzekering had gedekt. Art. 7:658 BW is hier niet van toepassing omdat de werkgever de verkeersveiligheid niet beheerst; de schadeverzekering voor inzittenden (svi) dekt dit risico.

14. Supermarkt Blom laat een pallet met dozen midden in een looppad staan terwijl de winkel open is; een klant struikelt en breekt haar arm. Met welke criteria beoordeelt de rechter of Blom onrechtmatig een gevaar in het leven heeft geroepen?

  1. Uitsluitend met de vraag of een bedrijfsregel of Arbo-voorschrift het plaatsen van pallets in een looppad verbiedt
  2. Met de vier Kelderluik-criteria voor gevaarzetting, waaronder de kans op onoplettendheid van bezoekers
  3. Met de vraag of de klant een waarschuwingsbord had kunnen zien; zonder bord is de winkelier nooit aansprakelijk
  4. Met de omzet van de winkel: hoe groter de onderneming, hoe zwaarder de zorgplicht tegenover bezoekers volgens de rechter weegt

Sinds het Kelderluik-arrest (Hoge Raad 1965) weegt de rechter bij gevaarzetting de waarschijnlijkheid dat anderen niet oplettend zijn, de kans dat daaruit een ongeval ontstaat, de ernst van de gevolgen en de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen. Een pallet in een looppad is eenvoudig te vermijden en de kans op struikelen is groot, dus handelt Blom onrechtmatig (art. 6:162 BW). Het ontbreken van een specifiek voorschrift maakt de gedraging niet rechtmatig.

15. De directeur-grootaandeelhouder van Restaurant De Gouden Lepel BV gooit bij een ruzie zelf een glas naar een gast, die daardoor letsel oploopt. Hoe kwalificeert de adviseur deze aansprakelijkheid bij de schadeanalyse?

  1. Als contractuele aansprakelijkheid van de bv, omdat de gast op grond van de horecaovereenkomst recht heeft op een veilige avond
  2. Als persoonlijke aansprakelijkheid van de directeur zelf uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), met opzet als toerekeningsgrond
  3. Als productaansprakelijkheid, omdat het glas een door de bv geleverde zaak is die schade veroorzaakte
  4. Als kwalitatieve aansprakelijkheid van de bv op grond van art. 6:170 BW, omdat de directeur haar hoogste ondergeschikte is

Wie zelf een onrechtmatige daad pleegt, is persoonlijk aansprakelijk op grond van art. 6:162 BW; opzet maakt de daad zonder meer toerekenbaar. Toetsterm 2g.7 vraagt de adviseur te onderscheiden tussen persoonlijke, kwalitatieve en contractuele aansprakelijkheid. Een AVB sluit opzettelijk veroorzaakte schade uit, zodat de directeur deze schade zelf draagt; of de bv daarnaast via art. 6:170 BW kan worden aangesproken, hangt af van het functionele verband.

16. Welke omschrijving past bij kwalitatieve aansprakelijkheid, zoals de adviseur die bij een aansprakelijkheidsclaim tegen een onderneming moet herkennen?

  1. Aansprakelijkheid die alleen ontstaat als de onderneming een kwaliteitsnorm zoals een NEN-norm of ISO-certificaat heeft geschonden
  2. Aansprakelijkheid die pas bestaat na een strafrechtelijk oordeel over de kwaliteit van het handelen van de ondernemer
  3. Aansprakelijkheid die uitsluitend voortvloeit uit een overeenkomst waarin de onderneming een bepaalde kwaliteit heeft gegarandeerd
  4. Aansprakelijkheid van de onderneming vanwege haar hoedanigheid (werkgever, bezitter, producent), zonder eigen verwijt

Kwalitatieve of risicoaansprakelijkheid legt de schade bij iemand vanwege zijn hoedanigheid: werkgever (art. 6:170 BW), opdrachtgever van niet-ondergeschikten (art. 6:171 BW), bezitter van een gebrekkige zaak, opstal of dier (art. 6:173, 6:174, 6:179 BW), producent (art. 6:185 BW). Een verwijt is niet vereist. Het woord 'kwalitatief' verwijst naar de kwaliteit waarin iemand optreedt, niet naar een kwaliteitsnorm.

17. IT-bedrijf CloudNL BV garandeert in een servicecontract met Accountantskantoor De Vries een beschikbaarheid van 99,9 %. Door een storing bij CloudNL is het kantoor twee dagen offline en mist het een aangiftetermijn. Hoe kwalificeert de adviseur de aanspraak van De Vries?

  1. Als kwalitatieve aansprakelijkheid van CloudNL als bezitter van gebrekkige servers op grond van art. 6:173 BW
  2. Als contractuele aansprakelijkheid wegens tekortkoming in de nakoming van de garantie (art. 6:74 BW)
  3. Als persoonlijke aansprakelijkheid van de systeembeheerder die de storing niet tijdig verhielp
  4. Als productaansprakelijkheid van CloudNL, omdat software een product is in de zin van art. 6:187 BW

Een garantie in een overeenkomst vergroot de aansprakelijkheid: bij niet-nakoming is de tekortkoming toerekenbaar zonder dat schuld hoeft te worden bewezen (art. 6:74 BW). Toetsterm 1c.18 vraagt aansprakelijkheidsvergrotende bedingen te herkennen. De schade van De Vries is zuivere vermogensschade, die op een AVB is uitgesloten en alleen op een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor IT-dienstverleners gedekt kan zijn.

18. Bij een verbouwing veroorzaken Aannemersbedrijf Roos BV en Installatiebedrijf Jansen BV samen door een fout van beide een lekkage bij de buren, schade € 30.000. Wat mag de benadeelde buurman vorderen?

  1. Het volledige bedrag van elk van beide bedrijven: zij zijn hoofdelijk verbonden en verhalen onderling
  2. Alleen van het bedrijf dat als eerste de fout maakte; het andere bedrijf kan pas na een vonnis worden aangesproken
  3. Van elk bedrijf de helft, omdat de wet de schade bij meerdere daders altijd in gelijke delen over hen verdeelt
  4. Van elk bedrijf een deel naar rato van hun aanneemsom, omdat de omvang van de opdracht de draagplicht bepaalt

Art. 6:102 BW bepaalt dat wie samen voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, hoofdelijk verbonden zijn: de benadeelde mag elk van hen voor het geheel aanspreken. De onderlinge draagplicht volgt uit art. 6:101 BW naar de mate waarin ieders omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, en de regeling van regres (art. 6:10 en 6:12 BW). De benadeelde hoeft zich niets van die interne verdeling aan te trekken.

19. Een bezoeker van Bouwmarkt Doorn BV loopt ondanks een duidelijk afzetlint een afgesloten gangpad in en wordt geraakt door een vallend pak tegels dat een medewerker onzorgvuldig had gestapeld. De schade is € 8.000; de rechter stelt de eigen schuld van de bezoeker op 25 %. Welke vergoeding volgt uit art. 6:101 BW?

  1. € 6.000, omdat de vergoedingsplicht wordt verminderd naar de mate waarin de eigen gedraging aan de schade bijdroeg
  2. € 8.000, omdat eigen schuld alleen een rol speelt als de benadeelde zelf ook een onderneming is
  3. € 2.000, omdat de aansprakelijke partij alleen het deel hoeft te dragen dat met de eigen schuld overeenkomt
  4. € 4.000, omdat bij eigen schuld de schade altijd bij helfte tussen dader en benadeelde wordt verdeeld

Art. 6:101 BW vermindert de vergoedingsplicht in evenredigheid met de mate waarin de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen: € 8.000 × 75 % = € 6.000. Een billijkheidscorrectie kan die verdeling nog bijstellen. Een vaste verdeling bij helfte kent de wet niet; de causale weging staat voorop.

20. Een gast van Restaurant De Gouden Lepel BV loopt door een omgevallen terrasverwarmer brandwonden op. Welke schadeposten kan zij op grond van het algemene schadevergoedingsrecht van de aansprakelijke onderneming vorderen?

  1. Uitsluitend de medische kosten die haar zorgverzekeraar niet vergoedt; overige schade valt buiten het schadevergoedingsrecht
  2. Een vast bedrag per dag ziekenhuisopname, zoals de Letselschaderichtlijnen dat dwingend voorschrijven
  3. Alleen smartengeld, omdat de vermogensschade van een letselslachtoffer door de sociale verzekeringen wordt opgevangen
  4. Vermogensschade zoals medische kosten en verlies van arbeidsvermogen, plus smartengeld als ander nadeel

Art. 6:95 en 6:96 BW geven recht op vergoeding van vermogensschade (geleden verlies, gederfde winst, redelijke kosten ter vaststelling en tot verkrijging van voldoening buiten rechte); art. 6:106 BW voegt smartengeld toe als ander nadeel bij lichamelijk letsel. De Letselschaderichtlijnen van De Letselschade Raad zijn richtsnoeren voor onder meer ziekenhuisdaggeldvergoeding, geen dwingend recht. Ook wat de zorgverzekeraar betaalde, wordt gevorderd, maar dan door de zorgverzekeraar zelf.

21. Een klant raakt gewond door een fout van Fietsenwinkel Trapper vof; de zorgverzekeraar van de klant betaalt € 12.000 aan ziekenhuiskosten. Welke rol speelt de zorgverzekeraar bij de afwikkeling van de claim op de AVB van Trapper?

  1. Hij treedt door subrogatie (art. 7:962 BW) in de rechten van de klant en verhaalt de betaalde zorgkosten op Trapper
  2. Geen enkele: de zorgverzekeraar draagt de zorgkosten definitief, omdat de Zorgverzekeringswet verhaal op derden uitsluit
  3. Hij vordert de kosten terug van de klant, die ze vervolgens zelf als schadepost bij Trapper moet indienen
  4. Hij kan alleen verhalen als de klant hem daartoe een afzonderlijke volmacht geeft na afloop van de behandeling

Art. 7:962 BW subrogeert de schadeverzekeraar die de schade vergoedt in de rechten van de verzekerde tegenover de aansprakelijke derde; de zorgverzekeraar is daarmee een regresnemer op de AVB van de fietsenwinkel (toetsterm 1i.23). Zorgverzekeraars wikkelen dit verhaal in de praktijk deels collectief af via convenanten met aansprakelijkheidsverzekeraars. Een volmacht van de klant is niet nodig: de subrogatie werkt van rechtswege.

22. Een werknemer van Accountantskantoor De Vries wordt aangereden door een heftruck van Transportbedrijf Van Dam BV en zit vier maanden thuis. De Vries betaalt het loon door. Wat kan De Vries van Van Dam vorderen?

  1. Het doorbetaalde nettoloon en redelijke re-integratiekosten, via het verhaalsrecht van art. 6:107a BW
  2. Niets, omdat een werkgever die loon doorbetaalt geen benadeelde is in de zin van het aansprakelijkheidsrecht
  3. Het volledige brutoloon inclusief werkgeverslasten en de kosten van een vervangende kracht, als eigen schade van de werkgever
  4. Alleen de premie van de verzuimverzekering die De Vries voor dit soort gevallen bij haar verzekeraar heeft afgesloten

Art. 6:107a lid 2 BW geeft de werkgever een zelfstandig verhaalsrecht op de aansprakelijke derde voor het tijdens ziekte doorbetaalde loon, beperkt tot het nettoloon dat de werknemer zelf had kunnen vorderen als hij geen loon had ontvangen (het civiele plafond); lid 3 voegt de redelijke re-integratiekosten toe. Werkgeverslasten en vervangingskosten vallen erbuiten. Deze regresnemer speelt bij elke letselclaim op een AVB een rol (toetsterm 1i.23).

23. Welke publieke regresnemers kan de behandelaar van een letselclaim op de AVB van Bouwbedrijf Steenhuis BV tegenover zich krijgen wanneer het slachtoffer langdurig arbeidsongeschikt raakt?

  1. Geen enkele: publieke uitkeringen worden altijd definitief uit de collectieve middelen betaald, zonder verhaal op de dader
  2. De Belastingdienst, die de gederfde loonheffing van het slachtoffer op de aansprakelijke partij verhaalt
  3. De Sociale Verzekeringsbank voor de AOW-opbouw die het slachtoffer door de arbeidsongeschiktheid misloopt
  4. Het UWV voor verstrekte uitkeringen op grond van de WIA en de Ziektewet, en de overheid als werkgever via de Verhaalswet ongevallen ambtenaren

Het UWV heeft een wettelijk verhaalsrecht voor uitkeringen die het door de schadeveroorzakende gebeurtenis moet verstrekken (Ziektewet en WIA), begrensd door het civiele plafond; de overheid verhaalt doorbetaald loon van een gewonde ambtenaar op grond van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren. Ook gemeenten (Wmo) en Wlz-uitvoerders kennen regres. De Belastingdienst en de SVB hebben geen verhaalsrecht op de aansprakelijke partij.

24. Een voetganger wordt ernstig gewond door een vallende steiger van Schildersbedrijf Kowalski BV. Kowalski heeft een AVB, maar reageert niet op brieven. Welke mogelijkheid biedt het BW de voetganger tegenover de AVB-verzekeraar?

  1. Hij kan verlangen dat de verzekeraar rechtstreeks aan hem uitkeert: de directe actie van art. 7:954 BW bij dood of letsel
  2. Geen: alleen bij motorrijtuigen bestaat een eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar, namelijk op grond van art. 6 WAM
  3. Hij kan de verzekeraar alleen dagvaarden na het faillissement van Kowalski, omdat de polis dan van rechtswege op hem overgaat
  4. Hij krijgt een eigen vorderingsrecht tegen de verzekeraar zodra hij aangifte doet bij de politie van de gevaarzetting

Art. 7:954 BW geeft bij schade door dood of letsel de benadeelde een directe actie: als de verzekerde de schade heeft gemeld, kan de benadeelde verlangen dat de aansprakelijkheidsverzekeraar rechtstreeks aan hem uitkeert; hij kan de melding zelf afdwingen door de verzekeraar aan te schrijven. Het is geen eigen recht zoals art. 6 WAM: verweren uit de polis blijven gelden. Een politieaangifte of faillissement is niet vereist.

25. Een klant van Kinderdagverblijf Het Vrolijke Nest BV stelt het bedrijf aansprakelijk voor letsel van zijn kind. De ouders vragen de adviseur hoe snel de AVB-verzekeraar een standpunt moet innemen. Wat schrijft de Gedragscode Behandeling Letselschade voor?

  1. Binnen drie maanden na de aansprakelijkstelling een gemotiveerd standpunt over de aansprakelijkheid, met het slachtoffer centraal
  2. Binnen één week een volledige schadevergoeding, omdat bij letsel van jonge kinderen elke discussie over de aansprakelijkheid is uitgesloten
  3. Binnen twaalf maanden een eindregeling, waarbij de verzekeraar de hoogte van het smartengeld eenzijdig mag vaststellen
  4. Geen termijn: de code regelt alleen de omgang met belangenbehartigers en niet de contacten met het slachtoffer zelf

De Gedragscode Behandeling Letselschade van De Letselschade Raad stelt het slachtoffer centraal en bevat gedragsregels met termijnen: de verzekeraar bevestigt de ontvangst, neemt binnen drie maanden na de aansprakelijkstelling een onderbouwd standpunt in over de aansprakelijkheid en houdt het slachtoffer op de hoogte. Toetsterm 1a.4 vraagt de adviseur de meest voorkomende gedragscodes te kennen. De code kent geen automatische aansprakelijkheid voor letsel van kinderen.

26. Door onzorgvuldig laswerk van Metaalbewerking Hendriks BV ontstaat brand in het naastgelegen pand van een groothandel; de brandverzekeraar van de groothandel keert € 900.000 uit. Wat betekent de Bedrijfsregeling Brandregres voor Hendriks?

  1. Zij mag verhalen op Hendriks als de brand door onzorgvuldig handelen ontstond; de AVB-dekking moet dit verhaal kunnen dragen
  2. De brandverzekeraar mag niets verhalen: brandverzekeraars hebben onderling afgesproken nooit regres te nemen op andere ondernemingen
  3. De brandverzekeraar mag alleen op de particuliere eigenaar van het pand verhalen en niet op het bedrijf dat de brand veroorzaakte
  4. Het verhaal is wettelijk beperkt tot het eigen risico van de groothandel, omdat de brandpolis de rest van de schade al heeft vergoed

De Bedrijfsregeling Brandregres van het Verbond van Verzekeraars regelt het verhaal van brandverzekeraars na subrogatie (art. 7:962 BW): op particulieren wordt in beginsel geen regres genomen, op bedrijven wél wanneer de brand door onzorgvuldig handelen is ontstaan, sinds de regeling van 2014 zonder het eerdere maximum per gebeurtenis. Voor de adviseur betekent dit dat het verzekerd bedrag van de AVB (rubriek algemene aansprakelijkheid) de schade aan naburige panden moet kunnen dragen.

27. Bij de behandeling van een letselclaim tegen Stichting Buurthuis Noord noteert de adviseur alle betrokkenen. Welke partijen spelen bij een vordering op een aansprakelijkheidsverzekering in de regel een rol?

  1. Alleen de verzekeringnemer en de verzekeraar; de benadeelde staat buiten de verzekeringsovereenkomst en heeft geen rol
  2. De verzekerde onderneming, de aansprakelijkheidsverzekeraar, de benadeelde en regresnemers zoals zorgverzekeraar, werkgever en UWV
  3. De benadeelde, zijn advocaat en de rechter; de verzekeraar wordt pas na een vonnis bij de zaak betrokken
  4. De Autoriteit Financiële Markten als toezichthouder op de correcte afhandeling van elke aansprakelijkheidsclaim

Toetsterm 1i.23 vraagt de vorderingsgerechtigden bij een aansprakelijkheidsclaim te herkennen: naast de benadeelde zelf zijn dat regresnemers die een deel van zijn schade droegen, zoals de zorgverzekeraar (art. 7:962 BW), de werkgever (art. 6:107a BW), het UWV en bij overlijden de nabestaanden (art. 6:108 BW). De verzekeraar behandelt de claim namens de verzekerde; de AFM houdt toezicht op de markt, niet op individuele schadedossiers.

28. Een werknemer van een klant komt om het leven door een fout van Transportbedrijf Van Dam BV. Zijn partner en twee minderjarige kinderen laten zich adviseren over hun vorderingen op de AVB van Van Dam. Welke vorderingen kent het BW aan hen toe?

  1. Gederfd levensonderhoud en kosten van lijkbezorging (art. 6:108 BW), plus een vast bedrag aan affectieschade
  2. Uitsluitend de begrafeniskosten; het verdriet van nabestaanden is in het Nederlandse recht nooit voor vergoeding vatbaar
  3. Het volledige toekomstige inkomen van de overledene tot zijn pensioendatum, zonder aftrek van eigen inkomsten van de nabestaanden
  4. Alleen smartengeld voor de partner; kinderen hebben pas bij meerderjarigheid een eigen vorderingsrecht

Art. 6:108 BW geeft nabestaanden recht op vergoeding van gederfd levensonderhoud en van de kosten van lijkbezorging; sinds 2019 kent lid 3 en 4 daarnaast affectieschade toe, met bij besluit vastgestelde vaste bedragen per categorie nabestaande (indicatief, bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd). Het levensonderhoud wordt berekend naar behoefte, met verrekening van eigen inkomsten; het volle inkomen van de overledene is niet de maatstaf.

29. Op 10 maart 2021 raakt een bezoeker gewond in het pand van Sportschool FitZone BV; hij weet direct dat FitZone aansprakelijk is en wat zijn schade is. Hij stuurt pas op 1 juni 2026 een aansprakelijkstelling, zonder eerdere stuiting. Hoe staat het met zijn vordering?

  1. De vordering is verjaard: de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW liep af op 10 maart 2026, zonder tussentijdse stuiting
  2. De vordering is nog niet verjaard, omdat voor letselschade een absolute termijn van twintig jaar na de gebeurtenis geldt
  3. De vordering is verjaard, omdat een vordering op een bedrijf binnen twee jaar na het ongeval moet worden ingesteld
  4. De vordering verjaart pas na tien jaar, omdat bij letsel de termijn van de productaansprakelijkheid geldt

Art. 3:310 lid 1 BW laat een rechtsvordering tot schadevergoeding verjaren vijf jaar na de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden; hier op 10 maart 2026. Een aansprakelijkstelling op 1 juni 2026 komt te laat, tenzij eerder is gestuit (art. 3:317 BW). De twintigjaarstermijn is een lange stop, geen verlenging; de tienjaarstermijn hoort bij de productaansprakelijkheid.

30. Autoservice Peters BV krijgt de bestelbus van een klant in reparatie. Tijdens een proefrit door een monteur raakt de bus beschadigd door een stuurfout. De klant eist herstel. Welke grondslag en welk verzekeringsaspect herkent de adviseur?

  1. Kwalitatieve aansprakelijkheid van de klant als bezitter van het motorrijtuig; hij draagt de proefritschade daarom zelf
  2. Productaansprakelijkheid van Peters, omdat de bestelbus na reparatie als een door hem geleverd product moet worden gezien
  3. Wanprestatie in de reparatieovereenkomst; op een AVB is dit opzicht, uitgesloten, maar de garageverzekering dekt het
  4. Onrechtmatige daad van de monteur; de AVB van Peters dekt deze schade als gewone zaakschade aan een derde, zonder sublimiet

Peters heeft de bus onder zich krachtens een overeenkomst en is bij beschadiging aansprakelijk uit wanprestatie (art. 6:74 BW, bewaarnemingsaspect van art. 7:600 BW). Een AVB sluit schade aan zaken die de verzekerde onder opzicht heeft uit; de garageverzekering kent daarvoor de rubriek aansprakelijkheid voor cliëntenobjecten (toetsterm 1c.17). Dat de klant bezitter van de bus is, maakt hem niet aansprakelijk voor de fout van de monteur.

31. Verhuisbedrijf Snel BV neemt in zijn algemene voorwaarden op dat het niet aansprakelijk is voor beschadiging van meubels, ook niet bij schuld van zijn personeel. Welke stelling over deze exoneratie is juist?

  1. Zij is tegenover iedereen geldig, omdat een ondernemer vrij is zijn aansprakelijkheid in algemene voorwaarden volledig uit te sluiten
  2. Tegenover consumenten vermoed onredelijk bezwarend (grijze lijst, art. 6:237 BW); tegenover bedrijven gelden alleen art. 6:233 en 6:248 lid 2 BW
  3. Zij is tegenover iedereen nietig, omdat een exoneratie voor schade door eigen personeel in Nederland wettelijk verboden is
  4. Zij geldt alleen tegenover bedrijven met minder dan tien werknemers; grotere bedrijven vallen onder de zwarte lijst van art. 6:236 BW

Art. 6:237 onder f BW plaatst een beding dat de aansprakelijkheid van de gebruiker uitsluit of beperkt op de grijze lijst: tegenover een consument wordt het vermoed onredelijk bezwarend. Tegenover een zakelijke wederpartij gelden de lijsten niet (hooguit reflexwerking voor kleine ondernemers); de rechter toetst aan art. 6:233 onder a BW en aan de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW, die exoneratie voor opzet of bewuste roekeloosheid van de leiding niet toelaat.

32. Supermarktketen Blom BV neemt in haar inkoopvoorwaarden op dat de leverancier Blom vrijwaart voor alle aanspraken van consumenten wegens gebrekkige producten. Wat betekent dit beding voor de aansprakelijkheid van de leverancier, Bakkerij Ozturk vof?

  1. Het beding is zonder betekenis, omdat de consument alleen de producent kan aanspreken en nooit de supermarkt
  2. Het beding maakt Ozturk strafrechtelijk verantwoordelijk voor alle schade die consumenten door de producten lijden
  3. Het vergroot de aansprakelijkheid van Ozturk: zij moet Blom schadeloos stellen voor claims die Blom als verkoper betaalt
  4. Het beding ontneemt de consument zijn vordering op Blom, omdat de supermarkt haar aansprakelijkheid heeft overgedragen

Een vrijwaringsbeding is een aansprakelijkheidsvergrotend beding (toetsterm 1c.18): de leverancier neemt contractueel de schade over die de afnemer aan derden moet betalen, ook boven de wettelijke regeling. Het werkt alleen tussen partijen en raakt de rechten van de consument tegenover de supermarkt niet (art. 7:24 BW). Voor de adviseur van Ozturk betekent het dat de AVB-rubriek productaansprakelijkheid deze contractuele vrijwaring vaak alleen dekt voor zover ook wettelijke aansprakelijkheid zou bestaan.

33. Metaalbewerking Hendriks BV stuurt een offerte met verwijzing naar haar leveringsvoorwaarden; Aannemersbedrijf Roos BV aanvaardt per e-mail 'onder toepasselijkheid van onze inkoopvoorwaarden', zonder de voorwaarden van Hendriks uitdrukkelijk van de hand te wijzen. Welke voorwaarden gelden?

  1. Beide sets gelden naast elkaar en bij tegenstrijdigheid beslist de rechter per afzonderlijk beding welk van de twee het redelijkst is
  2. De inkoopvoorwaarden van Roos, omdat de laatste verwijzing in de onderhandeling altijd doorslaggevend is
  3. Geen van beide, omdat tegenstrijdige verwijzingen de totstandkoming van de overeenkomst verhinderen
  4. De voorwaarden van Hendriks: de tweede verwijzing werkt niet zonder uitdrukkelijke afwijzing van de eerste (art. 6:225 lid 3 BW)

Art. 6:225 lid 3 BW regelt de battle of forms met de first-shot-rule: verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing geen werking toe wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de eerste uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Hendriks' voorwaarden gelden dus; de overeenkomst komt gewoon tot stand. Voor de aansprakelijkheidsanalyse (toetsterm 1c.18) bepaalt dit welke exoneratie geldt.

34. Bouwbedrijf Steenhuis BV heeft in een aannemingsovereenkomst een boete van € 1.500 per dag te late oplevering aanvaard. Door een fout in de planning levert het 20 dagen te laat op en de opdrachtgever vordert de boete. Welke stelling over deze schade en de AVB is juist?

  1. De AVB vergoedt de boete, omdat te late oplevering een aansprakelijkheid tegenover een derde is die uit het werk voortvloeit
  2. De boete is nietig, omdat een boetebeding in de bouw op grond van de wet nooit meer dan € 500 per dag mag bedragen
  3. Een contractuele boete is zuivere vermogensschade; de AVB sluit haar uit en Steenhuis draagt haar zelf
  4. De AVB vergoedt de boete tot het verzekerd bedrag per aanspraak, na aftrek van het eigen risico van de polis

Een boetebeding (art. 6:91 e.v. BW) vergroot de aansprakelijkheid van de aannemer: de boete is verschuldigd zonder bewijs van schade, al kan de rechter matigen (art. 6:94 BW). De AVB dekt aansprakelijkheid voor zaak- en letselschade en sluit zuivere vermogensschade en aanspraken die uitsluitend op een boete- of garantiebeding berusten uit. De adviseur wijst hier op bij de analyse van contractvoorwaarden (toetsterm 1c.18).

35. Een beursgenoteerde logistieke onderneming met 400 werknemers wil een exoneratie in de leveringsvoorwaarden van haar softwareleverancier laten vernietigen als onredelijk bezwarend. Welke stelling is juist?

  1. Zij kan het beding vernietigen op grond van de zwarte lijst, omdat exoneraties voor software daarop uitdrukkelijk zijn opgenomen
  2. Zij mist het beroep op art. 6:233 en 6:234 BW: art. 6:235 BW sluit grote ondernemingen (gepubliceerde jaarrekening of vijftig of meer werknemers) uit
  3. Zij kan het beding alleen vernietigen als de voorwaarden haar niet vóór het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld
  4. Zij kan het beding vernietigen, omdat de grijze lijst voor alle rechtspersonen geldt die geen consument zijn

Art. 6:235 lid 1 BW sluit het beroep op de vernietigingsgronden van art. 6:233 en 6:234 BW uit voor rechtspersonen die hun jaarrekening openbaar moeten maken en voor partijen met vijftig of meer werknemers. Zo'n grote onderneming kan een exoneratie alleen nog bestrijden met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). De grijze en zwarte lijst gelden alleen voor consumenten.

Gratis beginnen