De Wet inkomstenbelasting 2001 deelt het inkomen in drie boxen. Box 1 belast inkomen uit werk en woning tegen een progressief tarief, box 2 het inkomen uit aanmerkelijk belang van de aandeelhouder met ten minste vijf procent van het geplaatste kapitaal, box 3 het inkomen uit sparen en beleggen. Voor de adviseur Vermogen is de eerste vaardigheid het juist etiketteren van een vermogensbestanddeel: de eigen woning met de eigenwoningschuld hoort in box 1, aandelen in de eigen bv in box 2, spaargeld, een tweede woning en een effectenportefeuille in box 3. Een verkeerde box betekent een verkeerd advies, hoe zorgvuldig de rekensom daarna ook is.
Box 3 belast niet het werkelijk behaalde rendement maar een forfaitair vastgesteld rendement over de rendementsgrondslag op de peildatum van 1 januari. De grondslag is het saldo van bezittingen en schulden, waarbij op de schulden eerst een drempel in mindering komt en vervolgens het heffingsvrije vermogen wordt afgetrokken. Fiscale partners mogen de gezamenlijke grondslag naar eigen inzicht verdelen, wat een van de weinige echte optimalisatiemogelijkheden binnen deze box is. Vrijgesteld zijn onder meer groene beleggingen tot een maximum, een beperkt bedrag aan contant geld en voorwerpen van kunst en wetenschap die niet als belegging worden aangehouden. De bedragen en percentages worden jaarlijks herzien; in dit lesmateriaal staat steeds het mechanisme centraal, nooit het bedrag van één specifiek jaar.
De Hoge Raad oordeelde in het zogenoemde kerstarrest van 24 december 2021 dat de forfaitaire heffing in strijd kan komen met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod van het EVRM wanneer het werkelijke rendement structureel lager is dan het forfait. Daarop volgden herstel- en overbruggingswetgeving, waarin de grondslag wordt gesplitst in banktegoeden, overige bezittingen en schulden, elk met een eigen forfaitair percentage. De wetgever werkt toe naar een stelsel dat aansluit bij het werkelijke rendement. Voor het examen telt vooral dat de adviseur de systematiek kan uitleggen en de klant erop wijst dat een tegenbewijsregeling kan bestaan wanneer het feitelijke rendement lager uitvalt dan het forfait.
Vermogensstructurering reikt verder dan de jaarlijkse aangifte. De adviseur kent de hoofdlijnen van de Successiewet 1956: de tariefgroepen waarin partner en kinderen het gunstigste tarief en de hoogste vrijstelling kennen, de jaarlijkse schenkingsvrijstelling, de eenmalig verhoogde vrijstelling voor kinderen binnen een leeftijdsgrens, en de regel dat schenkingen binnen 180 dagen vóór overlijden worden behandeld als een erfrechtelijke verkrijging. Sinds 1 januari 2018 ontstaat bij een huwelijk zonder huwelijkse voorwaarden een beperkte gemeenschap van goederen: voorhuwelijks vermogen, erfenissen en schenkingen blijven in beginsel privé. Testamentaire figuren als het vruchtgebruiktestament en de tweetrapsmaking beïnvloeden zowel de erfbelasting als de latere box 3-positie van de langstlevende.
De zorgplicht van artikel 4:23 Wft verplicht de adviseur zijn advies te baseren op de ingewonnen informatie én de klant te wijzen op de grenzen van zijn eigen deskundigheid. Voor complexe estate planning, bedrijfsopvolging of buitenlands vermogen verwijst hij door naar een notaris of fiscalist. Dat doorverwijzen is geen zwakte maar een uitdrukkelijke professionele norm die in de toetstermen terugkeert.
1. Welk inkomen wordt in box 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 belast?
Box 1 van de Wet IB 2001 omvat loon, winst uit onderneming, resultaat uit overige werkzaamheden en de eigenwoningregeling. Het progressieve tarief van deze box maakt de boxindeling voor het advies bepalend.
2. In welke box valt een tweede woning die de belastingplichtige als vakantiehuis gebruikt?
De eigenwoningregeling geldt uitsluitend voor de woning die als hoofdverblijf dient; elke andere woning hoort in box 3. Een verkeerde box leidt tot een verkeerde berekening van zowel de heffing als de leencapaciteit.
3. Een klant bezit tien procent van de aandelen in een besloten vennootschap. In welke box valt dat belang?
Vanaf vijf procent van het geplaatste kapitaal is sprake van een aanmerkelijk belang, dat in box 2 wordt belast. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Zowel het reguliere voordeel als het vervreemdingsvoordeel valt daar onder.
4. Waarom is de rangorderegeling in de Wet IB 2001 van belang?
De rangorderegeling voorkomt dubbele heffing: wat in box 1 wordt belast, komt niet meer in box 3 terug. De grondslag hiervoor ligt in de Wet IB 2001. Zij verklaart bijvoorbeeld waarom de eigen woning met haar schuld volledig uit de rendementsgrondslag blijft.
5. Waarom is de boxindeling van een vermogensbestanddeel het startpunt van elk vermogensadvies?
De box bepaalt het tarief, de grondslag en de aftrekmogelijkheden en daarmee het netto resultaat voor de klant. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001 voor winst uit onderneming. Het rendement zelf verandert niet door de box, maar wat de klant ervan overhoudt wel.
6. Wat is de rendementsgrondslag in box 3?
De grondslag is het saldo van bezittingen en schulden op de peildatum van 1 januari, waarna het heffingsvrije vermogen in mindering komt. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de Wet IB 2001. Het werkelijke rendement speelt in het forfaitaire stelsel geen rol bij het bepalen van de grondslag.
7. Welke datum geldt als peildatum voor de heffing in box 3?
Sinds de vereenvoudiging kent box 3 één peildatum: 1 januari van het belastingjaar. Het antwoord berust op de Wet IB 2001. Wijzigingen in het vermogen na die datum werken pas het jaar daarop door.
8. Een klant verkoopt op 15 januari een effectenportefeuille en geeft de opbrengst uit. Wat is het gevolg voor box 3 van dat jaar?
Met één peildatum is de situatie op 1 januari beslissend voor het gehele jaar. Toetsing hiervan gebeurt aan de Wet IB 2001. Dat maakt de timing van grote transacties rond de jaarwisseling een terugkerend gespreksonderwerp in vermogensadvies.
9. Hoe worden schulden in box 3 verwerkt?
Op de schulden in box 3 wordt eerst een drempelbedrag in mindering gebracht; alleen het meerdere verlaagt de grondslag. De basis daarvoor is de Wet IB 2001. Het drempelbedrag wordt jaarlijks vastgesteld en is dus geen vast gegeven.
10. Welke schuld hoort niet thuis in box 3?
Wat in box 1 wordt verwerkt, komt op grond van de rangorderegeling niet nogmaals in box 3 terug; de eigenwoningschuld is daarvan het bekendste voorbeeld. de Wet IB 2001 is op dit punt de bepalende bron. De overige genoemde schulden horen wel in de grondslag van box 3.
11. Wat is het heffingsvrije vermogen in box 3?
Het heffingsvrije vermogen verlaagt de grondslag waarover het forfaitaire rendement wordt berekend. De basis daarvoor is de Wet IB 2001. Het bedrag wordt jaarlijks vastgesteld en verdubbelt in feite voor fiscale partners doordat zij hun grondslag samenvoegen.
12. Welke vrijheid hebben fiscale partners bij de aangifte over box 3?
De vrije toerekening geldt voor de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, waaronder de grondslag van box 3 als geheel. Deze regel staat in de Wet IB 2001. Doordat het stelsel schijven kent, kan die verdeling daadwerkelijk verschil maken.
13. Wanneer zijn twee samenwonenden fiscale partners voor de inkomstenbelasting?
Naast huwelijk en geregistreerd partnerschap kent de wet een reeks aanvullende criteria voor ongehuwd samenwonenden, waaronder een notarieel contract, een gezamenlijk kind of een gezamenlijke eigen woning. Dit vloeit rechtstreeks voort uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Inschrijving op hetzelfde adres is daarbij een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde.
14. Welke bezitting kent in box 3 een bijzondere vrijstelling?
De vrijstelling voor groene beleggingen geldt tot een jaarlijks vastgesteld maximum en kent daarnaast een heffingskorting. Toetsing hiervan gebeurt aan de Wet IB 2001. De andere genoemde bezittingen behoren gewoon tot de rendementsgrondslag.
15. Hoe worden voorwerpen van kunst en wetenschap in box 3 behandeld?
De vrijstelling voor kunst en wetenschap vervalt zodra de voorwerpen hoofdzakelijk als belegging dienen. Hierop is de Wet IB 2001 van toepassing. Het onderscheid tussen liefhebberij en belegging is daarmee bepalend en in de praktijk regelmatig onderwerp van discussie.
16. Een klant houdt een aanzienlijk bedrag aan contant geld thuis. Hoe wordt dat in box 3 behandeld?
Contant geld en vergelijkbare waardepapieren kennen een beperkte vrijstelling; daarboven behoren zij tot de bezittingen. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001. De vrijstelling geldt per belastingplichtige en wordt jaarlijks vastgesteld.
17. Welke waarde wordt voor een verhuurde woning in box 3 in aanmerking genomen?
Voor woningen geldt de WOZ-waarde als uitgangspunt; bij verhuur met huurbescherming kan die via de leegwaarderatio worden verlaagd. De grondslag hiervoor ligt in de Wet IB 2001. De ratio is een percentage dat volgt uit de verhouding tussen jaarhuur en WOZ-waarde en jaarlijks kan wijzigen.
18. Hoe wordt een vordering op een familielid in box 3 verwerkt?
Een onderhandse lening is spiegelbeeldig: bezitting bij de een, schuld bij de ander, beide op de peildatum. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001. Ontbreekt die spiegeling in de aangiften, dan is dat voor de belastingdienst een eenvoudig te signaleren onregelmatigheid.
19. Een klant heeft op 1 januari € 250.000 aan bezittingen en € 40.000 aan schulden, waarvan € 3.000 onder de drempel valt. Wat is de grondslag vóór het heffingsvrije vermogen?
Alleen het deel van de schuld boven de drempel telt mee: € 40.000 min € 3.000 is € 37.000 aftrekbaar, wat leidt tot € 213.000. De basis daarvoor is de Wet IB 2001. Daarna komt het heffingsvrije vermogen nog in mindering.
20. Waarom kan het lonen om vlak vóór de jaarwisseling een aankoop te doen die anders in januari zou plaatsvinden?
Uitgaven die vóór 1 januari plaatsvinden, verlagen het vermogen op de peildatum en dus de grondslag. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001. De adviseur moet daarbij waken voor uitgaven die alleen om fiscale redenen worden gedaan en verder geen nut hebben.
21. Wat betekent het dat box 3 een forfaitair rendement kent?
Het forfait is een wettelijke veronderstelling die de heffing eenvoudig houdt maar kan afwijken van de werkelijkheid. Deze regel staat in de Wet IB 2001. Juist dat verschil vormde de kern van de rechtspraak over box 3.
22. Hoe wordt de rendementsgrondslag onder de overbruggingswetgeving verdeeld?
De overbruggingswetgeving onderscheidt drie categorieën met elk een eigen percentage, waarbij banktegoeden het laagste forfait kennen. Dat volgt uit de Wet IB 2001. Die percentages worden jaarlijks vastgesteld en zijn dus geen blijvend gegeven.
23. Wat oordeelde de Hoge Raad in het zogenoemde kerstarrest van 24 december 2021?
De Hoge Raad oordeelde dat de forfaitaire heffing bij een lager werkelijk rendement in strijd kan komen met artikel 1 van het Eerste Protocol en artikel 14 van het EVRM. Op dat arrest volgden achtereenvolgens herstelwetgeving en overbruggingswetgeving.
24. Wat is het praktische gevolg van de rechtspraak over box 3 voor een klant met vooral spaargeld?
Voor banktegoeden geldt een aanzienlijk lager forfait dan voor overige bezittingen, en de wetgever heeft voorzien in een tegenbewijsmogelijkheid bij een lager werkelijk rendement. Het antwoord berust op de Wet IB 2001. De uitwerking daarvan verandert regelmatig, wat de adviseur bij elk gesprek moet controleren.
25. Wanneer is het voor een klant zinvol een beroep te doen op de tegenbewijsregeling in box 3?
De tegenbewijsroute is bedoeld voor wie aantoonbaar minder rendement behaalde dan het forfait veronderstelt. Toetsing hiervan gebeurt aan de Wet IB 2001. De bewijslast ligt daarbij bij de belastingplichtige, wat een volledige administratie van rente, dividend en waardeontwikkeling vereist.
26. Hoe wordt een buitenlandse bankrekening van een Nederlandse belastingplichtige behandeld?
Een inwoner van Nederland is belastingplichtig voor zijn wereldwijde vermogen; buitenlandse tegoeden horen dus in de aangifte. Dit punt is terug te voeren op het toepasselijke verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Voor buitenlands onroerend goed geldt doorgaans een voorkoming van dubbele belasting op grond van het verdrag.
27. Wat is het gevolg van het bezit van een vakantiewoning in het buitenland voor de heffing in Nederland?
Onroerend goed wordt volgens de meeste belastingverdragen belast in het land waar het ligt, terwijl Nederland het wel in de grondslag opneemt en vervolgens voorkoming verleent. Het effect op het gemiddelde tarief over het overige vermogen blijft daarbij bestaan.
28. Waarom mag een adviseur Vermogen zich niet beperken tot het rendement van een product?
Wat de klant overhoudt hangt af van box, tarief en vrijstellingen, niet alleen van het brutorendement. Deze regel staat in de Wet IB 2001. Voor complexe fiscale vraagstukken verwijst de adviseur door, maar de hoofdlijn hoort hij zelf te beheersen.
29. Een klant wil zijn box 3-heffing verlagen. Welke maatregel is fiscaal het meest voor de hand liggend en niet gekunsteld?
Aflossen verlaagt het box 3-vermogen én de rentelast en is een reële, verdedigbare handeling. Hierop is de Wet IB 2001 van toepassing. Constructies die uitsluitend rond de peildatum worden opgetuigd, kunnen als misbruik worden aangemerkt en horen niet in een advies thuis.
30. Welke afweging maakt een adviseur bij de keuze tussen aflossen van de hypotheek en beleggen in box 3?
Aflossen levert een zeker rendement gelijk aan de nettorente en verlaagt bovendien de grondslag van box 3. De grondslag hiervoor ligt in de Wet IB 2001. Beleggen kan meer opleveren maar is onzeker; die vergelijking hoort altijd na belasting en na kosten te worden gemaakt.
31. Wat wordt in box 2 belast?
Box 2 belast zowel de lopende voordelen, zoals dividend, als het resultaat bij verkoop van de aandelen. Deze regel staat in de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het loon van de directeur-grootaandeelhouder valt daarentegen in box 1.
32. Wanneer is sprake van een aanmerkelijk belang?
De grens ligt bij vijf procent van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen, waarbij het belang van de fiscale partner meetelt. de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is op dit punt de bepalende bron. De rechtsvorm van de vennootschap is daarbij niet bepalend.
33. Waarom is de keuze tussen dividend uitkeren en oppotten in de bv voor een directeur-grootaandeelhouder relevant?
Elke euro winst in de bv draagt een latente box 2-claim die vroeg of laat wordt afgerekend; uitstellen is dus geen afstellen. Hierop is de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing. Bij een tarief met schijven kan gespreid uitkeren over meerdere jaren voordelig uitpakken.
34. Welke rol speelt de dividendbelasting voor een particuliere belegger in box 3?
De ingehouden dividendbelasting wordt als voorheffing verrekend en kan bij een particulier in box 3 tot teruggaaf leiden. Bij buitenlandse dividenden is verrekening beperkt tot wat het belastingverdrag toestaat.
35. Een klant ontvangt dividend uit een buitenlands aandeel waarop bronbelasting is ingehouden. Wat geldt dan?
Het belastingverdrag bepaalt welk percentage de bronstaat mag heffen; het meerdere moet in het bronland worden teruggevraagd. In de praktijk is die teruggaaf bewerkelijk, wat een reëel aandachtspunt bij internationale spreiding vormt.