WftExamenTrainer

🏛️ Fiscaliteit box 3 en vermogensstructurering

Het boxenstelsel als vertrekpunt

De Wet inkomstenbelasting 2001 deelt het inkomen in drie boxen. Box 1 belast inkomen uit werk en woning tegen een progressief tarief, box 2 het inkomen uit aanmerkelijk belang van de aandeelhouder met ten minste vijf procent van het geplaatste kapitaal, box 3 het inkomen uit sparen en beleggen. Voor de adviseur Vermogen is de eerste vaardigheid het juist etiketteren van een vermogensbestanddeel: de eigen woning met de eigenwoningschuld hoort in box 1, aandelen in de eigen bv in box 2, spaargeld, een tweede woning en een effectenportefeuille in box 3. Een verkeerde box betekent een verkeerd advies, hoe zorgvuldig de rekensom daarna ook is.

De grondslag van box 3

Box 3 belast niet het werkelijk behaalde rendement maar een forfaitair vastgesteld rendement over de rendementsgrondslag op de peildatum van 1 januari. De grondslag is het saldo van bezittingen en schulden, waarbij op de schulden eerst een drempel in mindering komt en vervolgens het heffingsvrije vermogen wordt afgetrokken. Fiscale partners mogen de gezamenlijke grondslag naar eigen inzicht verdelen, wat een van de weinige echte optimalisatiemogelijkheden binnen deze box is. Vrijgesteld zijn onder meer groene beleggingen tot een maximum, een beperkt bedrag aan contant geld en voorwerpen van kunst en wetenschap die niet als belegging worden aangehouden. De bedragen en percentages worden jaarlijks herzien; in dit lesmateriaal staat steeds het mechanisme centraal, nooit het bedrag van één specifiek jaar.

Van forfait naar werkelijk rendement

De Hoge Raad oordeelde in het zogenoemde kerstarrest van 24 december 2021 dat de forfaitaire heffing in strijd kan komen met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod van het EVRM wanneer het werkelijke rendement structureel lager is dan het forfait. Daarop volgden herstel- en overbruggingswetgeving, waarin de grondslag wordt gesplitst in banktegoeden, overige bezittingen en schulden, elk met een eigen forfaitair percentage. De wetgever werkt toe naar een stelsel dat aansluit bij het werkelijke rendement. Voor het examen telt vooral dat de adviseur de systematiek kan uitleggen en de klant erop wijst dat een tegenbewijsregeling kan bestaan wanneer het feitelijke rendement lager uitvalt dan het forfait.

Vermogen overdragen

Vermogensstructurering reikt verder dan de jaarlijkse aangifte. De adviseur kent de hoofdlijnen van de Successiewet 1956: de tariefgroepen waarin partner en kinderen het gunstigste tarief en de hoogste vrijstelling kennen, de jaarlijkse schenkingsvrijstelling, de eenmalig verhoogde vrijstelling voor kinderen binnen een leeftijdsgrens, en de regel dat schenkingen binnen 180 dagen vóór overlijden worden behandeld als een erfrechtelijke verkrijging. Sinds 1 januari 2018 ontstaat bij een huwelijk zonder huwelijkse voorwaarden een beperkte gemeenschap van goederen: voorhuwelijks vermogen, erfenissen en schenkingen blijven in beginsel privé. Testamentaire figuren als het vruchtgebruiktestament en de tweetrapsmaking beïnvloeden zowel de erfbelasting als de latere box 3-positie van de langstlevende.

Grenzen van het advies

De zorgplicht van artikel 4:23 Wft verplicht de adviseur zijn advies te baseren op de ingewonnen informatie én de klant te wijzen op de grenzen van zijn eigen deskundigheid. Voor complexe estate planning, bedrijfsopvolging of buitenlands vermogen verwijst hij door naar een notaris of fiscalist. Dat doorverwijzen is geen zwakte maar een uitdrukkelijke professionele norm die in de toetstermen terugkeert.

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Welk inkomen wordt in box 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 belast?

  1. Inkomen uit aanmerkelijk belang van een aandeelhouder met ten minste vijf procent van het geplaatste kapitaal
  2. Inkomen uit sparen en beleggen, berekend over de rendementsgrondslag op de peildatum van 1 januari
  3. Inkomen uit werk en woning, waaronder loon, winst uit onderneming en de eigen woning
  4. Uitsluitend het loon uit dienstbetrekking, omdat winst uit onderneming in een afzonderlijke box valt

Box 1 van de Wet IB 2001 omvat loon, winst uit onderneming, resultaat uit overige werkzaamheden en de eigenwoningregeling. Het progressieve tarief van deze box maakt de boxindeling voor het advies bepalend.

2. In welke box valt een tweede woning die de belastingplichtige als vakantiehuis gebruikt?

  1. In box 3, als bezitting binnen de rendementsgrondslag
  2. In box 1, omdat elke woning onder de eigenwoningregeling van afdeling 3.6 van de Wet IB 2001 valt
  3. In box 2, omdat het bezit van onroerend goed als een aanmerkelijk belang wordt aangemerkt
  4. Buiten elke box, omdat een woning die niet wordt verhuurd geen inkomen genereert

De eigenwoningregeling geldt uitsluitend voor de woning die als hoofdverblijf dient; elke andere woning hoort in box 3. Een verkeerde box leidt tot een verkeerde berekening van zowel de heffing als de leencapaciteit.

3. Een klant bezit tien procent van de aandelen in een besloten vennootschap. In welke box valt dat belang?

  1. In box 3, omdat aandelen altijd als belegging binnen de rendementsgrondslag worden aangemerkt
  2. In box 2, omdat sprake is van een aanmerkelijk belang
  3. In box 1, omdat het houden van aandelen in een eigen vennootschap als werkzaamheid wordt gezien
  4. In box 2 en box 3 tegelijk, waarbij de belastingplichtige zelf de verdeling mag bepalen

Vanaf vijf procent van het geplaatste kapitaal is sprake van een aanmerkelijk belang, dat in box 2 wordt belast. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Zowel het reguliere voordeel als het vervreemdingsvoordeel valt daar onder.

4. Waarom is de rangorderegeling in de Wet IB 2001 van belang?

  1. Zij bepaalt dat een inkomensbestanddeel dat in een eerdere box valt, niet nogmaals in een latere box wordt belast
  2. Zij bepaalt dat de belastingplichtige zelf mag kiezen in welke box hij een bestanddeel wil aangeven
  3. Zij bepaalt dat box 3 altijd voorrang heeft boven box 1 wanneer beide van toepassing kunnen zijn
  4. Zij bepaalt in welke volgorde de belastingdienst de aanslagen over de drie boxen oplegt

De rangorderegeling voorkomt dubbele heffing: wat in box 1 wordt belast, komt niet meer in box 3 terug. De grondslag hiervoor ligt in de Wet IB 2001. Zij verklaart bijvoorbeeld waarom de eigen woning met haar schuld volledig uit de rendementsgrondslag blijft.

5. Waarom is de boxindeling van een vermogensbestanddeel het startpunt van elk vermogensadvies?

  1. Omdat het rendement van een belegging afhangt van de box waarin die belegging valt
  2. Omdat de belastingdienst zonder juiste indeling geen aangifte in behandeling kan nemen
  3. Omdat de bank de rekening pas kan openen nadat de box schriftelijk is vastgesteld
  4. Omdat zij bepaalt tegen welk regime het rendement wordt belast en welke aftrekposten gelden

De box bepaalt het tarief, de grondslag en de aftrekmogelijkheden en daarmee het netto resultaat voor de klant. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001 voor winst uit onderneming. Het rendement zelf verandert niet door de box, maar wat de klant ervan overhoudt wel.

6. Wat is de rendementsgrondslag in box 3?

  1. De waarde van de bezittingen minus de schulden op de peildatum
  2. De werkelijk ontvangen rente, dividenden en huren over het gehele kalenderjaar
  3. De waarde van de bezittingen op 31 december, zonder aftrek van enige schuld
  4. Het gemiddelde van de vermogenswaarde op 1 januari en op 31 december van het belastingjaar

De grondslag is het saldo van bezittingen en schulden op de peildatum van 1 januari, waarna het heffingsvrije vermogen in mindering komt. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de Wet IB 2001. Het werkelijke rendement speelt in het forfaitaire stelsel geen rol bij het bepalen van de grondslag.

7. Welke datum geldt als peildatum voor de heffing in box 3?

  1. 1 januari van het betreffende belastingjaar
  2. 31 december van het voorafgaande belastingjaar, dus een dag eerder dan de jaarwisseling
  3. De datum waarop de belastingplichtige zijn aangifte inkomstenbelasting daadwerkelijk indient
  4. Het gemiddelde van vier kwartaalpeildata gedurende het belastingjaar

Sinds de vereenvoudiging kent box 3 één peildatum: 1 januari van het belastingjaar. Het antwoord berust op de Wet IB 2001. Wijzigingen in het vermogen na die datum werken pas het jaar daarop door.

8. Een klant verkoopt op 15 januari een effectenportefeuille en geeft de opbrengst uit. Wat is het gevolg voor box 3 van dat jaar?

  1. De klant mag zelf kiezen of hij de portefeuille in de grondslag opneemt of niet
  2. De portefeuille telt naar tijdsgelang mee voor het deel van het jaar dat zij is aangehouden
  3. De portefeuille telt niet mee, omdat zij aan het einde van het jaar niet meer aanwezig was
  4. De portefeuille telt volledig mee, omdat zij op 1 januari nog tot het vermogen behoorde

Met één peildatum is de situatie op 1 januari beslissend voor het gehele jaar. Toetsing hiervan gebeurt aan de Wet IB 2001. Dat maakt de timing van grote transacties rond de jaarwisseling een terugkerend gespreksonderwerp in vermogensadvies.

9. Hoe worden schulden in box 3 verwerkt?

  1. Zij blijven volledig buiten beschouwing omdat box 3 uitsluitend bezittingen belast
  2. Zij komen volledig in mindering zonder enige drempel of beperking
  3. Zij komen in mindering op de bezittingen, maar pas voor zover zij een wettelijke drempel overschrijden
  4. Zij komen alleen in mindering wanneer de bijbehorende bezitting eveneens in box 3 valt

Op de schulden in box 3 wordt eerst een drempelbedrag in mindering gebracht; alleen het meerdere verlaagt de grondslag. De basis daarvoor is de Wet IB 2001. Het drempelbedrag wordt jaarlijks vastgesteld en is dus geen vast gegeven.

10. Welke schuld hoort niet thuis in box 3?

  1. De eigenwoningschuld die onder de eigenwoningregeling van box 1 valt
  2. Een doorlopend krediet dat is gebruikt voor de aanschaf van een auto voor privégebruik
  3. Een lening bij familie die is aangewend voor de aankoop van een tweede woning
  4. Een studieschuld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs die nog moet worden afgelost

Wat in box 1 wordt verwerkt, komt op grond van de rangorderegeling niet nogmaals in box 3 terug; de eigenwoningschuld is daarvan het bekendste voorbeeld. de Wet IB 2001 is op dit punt de bepalende bron. De overige genoemde schulden horen wel in de grondslag van box 3.

11. Wat is het heffingsvrije vermogen in box 3?

  1. Het maximumbedrag dat onder het depositogarantiestelsel per persoon per bank is gedekt
  2. Een bedrag dat de belastingplichtige jaarlijks belastingvrij aan zijn kinderen mag schenken
  3. Een bedrag dat op de grondslag in mindering komt voordat het forfaitaire rendement wordt berekend
  4. Het deel van het inkomen in box 1 dat door de algemene heffingskorting onbelast blijft

Het heffingsvrije vermogen verlaagt de grondslag waarover het forfaitaire rendement wordt berekend. De basis daarvoor is de Wet IB 2001. Het bedrag wordt jaarlijks vastgesteld en verdubbelt in feite voor fiscale partners doordat zij hun grondslag samenvoegen.

12. Welke vrijheid hebben fiscale partners bij de aangifte over box 3?

  1. Zij mogen de gezamenlijke grondslag onderling naar eigen inzicht verdelen
  2. Zij moeten de grondslag verplicht bij helfte over beide partners verdelen
  3. Zij moeten de grondslag volgen die uit de tenaamstelling van de rekeningen blijkt
  4. Zij mogen uitsluitend de bezittingen verdelen en moeten de schulden bij één partner laten

De vrije toerekening geldt voor de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, waaronder de grondslag van box 3 als geheel. Deze regel staat in de Wet IB 2001. Doordat het stelsel schijven kent, kan die verdeling daadwerkelijk verschil maken.

13. Wanneer zijn twee samenwonenden fiscale partners voor de inkomstenbelasting?

  1. Uitsluitend wanneer zij een gezamenlijke bankrekening aanhouden waarop beider inkomen binnenkomt
  2. Uitsluitend wanneer zij met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan
  3. Zodra zij langer dan zes maanden op hetzelfde adres staan ingeschreven, ongeacht verdere omstandigheden
  4. Wanneer zij aan een van de in de wet genoemde voorwaarden voldoen, zoals een notarieel samenlevingscontract of een gezamenlijk kind

Naast huwelijk en geregistreerd partnerschap kent de wet een reeks aanvullende criteria voor ongehuwd samenwonenden, waaronder een notarieel contract, een gezamenlijk kind of een gezamenlijke eigen woning. Dit vloeit rechtstreeks voort uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Inschrijving op hetzelfde adres is daarbij een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde.

14. Welke bezitting kent in box 3 een bijzondere vrijstelling?

  1. Een tweede woning die uitsluitend voor eigen gebruik en niet voor verhuur wordt aangehouden
  2. Groene beleggingen in een aangewezen fonds, tot een wettelijk maximum
  3. Een effectenportefeuille die langer dan tien jaar ongewijzigd wordt aangehouden
  4. Een banktegoed bij een buitenlandse bank binnen de Europese Unie

De vrijstelling voor groene beleggingen geldt tot een jaarlijks vastgesteld maximum en kent daarnaast een heffingskorting. Toetsing hiervan gebeurt aan de Wet IB 2001. De andere genoemde bezittingen behoren gewoon tot de rendementsgrondslag.

15. Hoe worden voorwerpen van kunst en wetenschap in box 3 behandeld?

  1. Zij zijn vrijgesteld zolang zij niet hoofdzakelijk als belegging worden aangehouden
  2. Zij zijn altijd vrijgesteld, ongeacht het doel waarmee de eigenaar ze aanhoudt
  3. Zij tellen altijd volledig mee in de rendementsgrondslag van box 3
  4. Zij worden voor de helft van hun getaxeerde waarde in de grondslag opgenomen

De vrijstelling voor kunst en wetenschap vervalt zodra de voorwerpen hoofdzakelijk als belegging dienen. Hierop is de Wet IB 2001 van toepassing. Het onderscheid tussen liefhebberij en belegging is daarmee bepalend en in de praktijk regelmatig onderwerp van discussie.

16. Een klant houdt een aanzienlijk bedrag aan contant geld thuis. Hoe wordt dat in box 3 behandeld?

  1. Het telt mee in de grondslag voor zover het een beperkte wettelijke vrijstelling overschrijdt
  2. Het telt nooit mee omdat contant geld buiten het zicht van de belastingdienst blijft
  3. Het telt volledig mee zonder enige vrijstelling, net als een banktegoed
  4. Het telt uitsluitend mee wanneer het bedrag hoger is dan het heffingsvrije vermogen

Contant geld en vergelijkbare waardepapieren kennen een beperkte vrijstelling; daarboven behoren zij tot de bezittingen. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001. De vrijstelling geldt per belastingplichtige en wordt jaarlijks vastgesteld.

17. Welke waarde wordt voor een verhuurde woning in box 3 in aanmerking genomen?

  1. De oorspronkelijke aankoopprijs van de woning vermeerderd met de kosten koper
  2. De WOZ-waarde, in bepaalde gevallen verlaagd via de leegwaarderatio wegens de verhuur
  3. De vrije verkoopwaarde die een makelaar op de peildatum heeft getaxeerd
  4. De som van de huurinkomsten over de twaalf maanden voorafgaand aan de peildatum

Voor woningen geldt de WOZ-waarde als uitgangspunt; bij verhuur met huurbescherming kan die via de leegwaarderatio worden verlaagd. De grondslag hiervoor ligt in de Wet IB 2001. De ratio is een percentage dat volgt uit de verhouding tussen jaarhuur en WOZ-waarde en jaarlijks kan wijzigen.

18. Hoe wordt een vordering op een familielid in box 3 verwerkt?

  1. Als bezitting bij de schuldeiser en als schuld bij de schuldenaar
  2. Uitsluitend als schuld bij de schuldenaar, omdat de vordering geen rendement oplevert
  3. Als bezitting bij de schuldeiser, terwijl de schuldenaar de lening niet hoeft op te geven
  4. Buiten box 3, omdat leningen binnen de familie geen zakelijk karakter hebben

Een onderhandse lening is spiegelbeeldig: bezitting bij de een, schuld bij de ander, beide op de peildatum. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001. Ontbreekt die spiegeling in de aangiften, dan is dat voor de belastingdienst een eenvoudig te signaleren onregelmatigheid.

19. Een klant heeft op 1 januari € 250.000 aan bezittingen en € 40.000 aan schulden, waarvan € 3.000 onder de drempel valt. Wat is de grondslag vóór het heffingsvrije vermogen?

  1. € 290.000, omdat de schulden bij de bezittingen moeten worden opgeteld tot één totaalbedrag
  2. € 210.000, omdat de volledige schuld van € 40.000 in mindering komt op de bezittingen
  3. € 250.000, omdat schulden in box 3 in het geheel niet aftrekbaar zijn van de bezittingen
  4. De grondslag vóór het heffingsvrije vermogen bedraagt € 213.000.

Alleen het deel van de schuld boven de drempel telt mee: € 40.000 min € 3.000 is € 37.000 aftrekbaar, wat leidt tot € 213.000. De basis daarvoor is de Wet IB 2001. Daarna komt het heffingsvrije vermogen nog in mindering.

20. Waarom kan het lonen om vlak vóór de jaarwisseling een aankoop te doen die anders in januari zou plaatsvinden?

  1. Omdat het bedrag dan op de peildatum niet meer tot het box 3-vermogen behoort
  2. Omdat aankopen in december altijd tegen een lager btw-tarief worden belast
  3. Omdat de belastingdienst uitgaven in december automatisch als aftrekpost aanmerkt
  4. Omdat het heffingsvrije vermogen in december hoger is dan in januari

Uitgaven die vóór 1 januari plaatsvinden, verlagen het vermogen op de peildatum en dus de grondslag. Dit punt is terug te voeren op de Wet IB 2001. De adviseur moet daarbij waken voor uitgaven die alleen om fiscale redenen worden gedaan en verder geen nut hebben.

21. Wat betekent het dat box 3 een forfaitair rendement kent?

  1. Het rendement wordt achteraf berekend op basis van de werkelijke rente en dividenden
  2. De belastingplichtige mag zelf kiezen welk rendementspercentage hij toepast
  3. De belastingdienst stelt per belastingplichtige een individueel rendement vast
  4. De wet veronderstelt een rendement in plaats van het werkelijk behaalde resultaat te belasten

Het forfait is een wettelijke veronderstelling die de heffing eenvoudig houdt maar kan afwijken van de werkelijkheid. Deze regel staat in de Wet IB 2001. Juist dat verschil vormde de kern van de rechtspraak over box 3.

22. Hoe wordt de rendementsgrondslag onder de overbruggingswetgeving verdeeld?

  1. In beleggingen en verzekeringen, waarbij verzekeringen volledig buiten de heffing blijven
  2. In roerende en onroerende zaken, met voor beide hetzelfde forfaitaire percentage
  3. In binnenlandse en buitenlandse bezittingen, waarbij alleen de eerste categorie wordt belast
  4. In banktegoeden, overige bezittingen en schulden, elk met een eigen forfaitair percentage

De overbruggingswetgeving onderscheidt drie categorieën met elk een eigen percentage, waarbij banktegoeden het laagste forfait kennen. Dat volgt uit de Wet IB 2001. Die percentages worden jaarlijks vastgesteld en zijn dus geen blijvend gegeven.

23. Wat oordeelde de Hoge Raad in het zogenoemde kerstarrest van 24 december 2021?

  1. Dat spaargeld voortaan volledig buiten de heffing in box 3 moet blijven
  2. Dat box 3 in zijn geheel onmiddellijk moest worden afgeschaft zonder vervangende regeling
  3. Dat de belastingdienst het werkelijke rendement van elke belastingplichtige moet berekenen
  4. Dat de forfaitaire heffing in strijd kan zijn met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod van het EVRM

De Hoge Raad oordeelde dat de forfaitaire heffing bij een lager werkelijk rendement in strijd kan komen met artikel 1 van het Eerste Protocol en artikel 14 van het EVRM. Op dat arrest volgden achtereenvolgens herstelwetgeving en overbruggingswetgeving.

24. Wat is het praktische gevolg van de rechtspraak over box 3 voor een klant met vooral spaargeld?

  1. Hij kan aanspraak maken op een lager forfait voor banktegoeden en op tegenbewijs bij een lager werkelijk rendement
  2. Hij hoeft over zijn spaargeld helemaal geen inkomstenbelasting meer te betalen
  3. Hij moet zijn spaargeld verplicht omzetten in beleggingen om nog voor rechtsherstel in aanmerking te komen
  4. Hij krijgt automatisch alle betaalde belasting over de afgelopen tien jaar terug

Voor banktegoeden geldt een aanzienlijk lager forfait dan voor overige bezittingen, en de wetgever heeft voorzien in een tegenbewijsmogelijkheid bij een lager werkelijk rendement. Het antwoord berust op de Wet IB 2001. De uitwerking daarvan verandert regelmatig, wat de adviseur bij elk gesprek moet controleren.

25. Wanneer is het voor een klant zinvol een beroep te doen op de tegenbewijsregeling in box 3?

  1. Wanneer zijn vermogen boven een bepaald bedrag uitkomt, ongeacht het behaalde rendement
  2. Wanneer zijn werkelijke rendement structureel lager is dan het forfaitair veronderstelde rendement
  3. Wanneer hij uitsluitend in aandelen belegt en geen banktegoeden aanhoudt
  4. Wanneer hij zijn aangifte later indient dan de wettelijke termijn toestaat

De tegenbewijsroute is bedoeld voor wie aantoonbaar minder rendement behaalde dan het forfait veronderstelt. Toetsing hiervan gebeurt aan de Wet IB 2001. De bewijslast ligt daarbij bij de belastingplichtige, wat een volledige administratie van rente, dividend en waardeontwikkeling vereist.

26. Hoe wordt een buitenlandse bankrekening van een Nederlandse belastingplichtige behandeld?

  1. Die telt slechts voor de helft mee omdat er al bronbelasting is ingehouden
  2. Die blijft buiten de heffing zolang de bank in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd
  3. Die wordt uitsluitend in het land van de bank belast op grond van het territorialiteitsbeginsel
  4. Die behoort tot de rendementsgrondslag van box 3 en moet in de aangifte worden vermeld

Een inwoner van Nederland is belastingplichtig voor zijn wereldwijde vermogen; buitenlandse tegoeden horen dus in de aangifte. Dit punt is terug te voeren op het toepasselijke verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Voor buitenlands onroerend goed geldt doorgaans een voorkoming van dubbele belasting op grond van het verdrag.

27. Wat is het gevolg van het bezit van een vakantiewoning in het buitenland voor de heffing in Nederland?

  1. De woning telt mee in box 3, maar Nederland verleent voorkoming van dubbele belasting
  2. De woning blijft volledig buiten de Nederlandse aangifte omdat zij in het buitenland ligt
  3. De woning wordt in box 1 belast omdat zij als tweede eigen woning wordt aangemerkt
  4. De woning wordt in Nederland belast zonder enige verrekening met buitenlandse heffing

Onroerend goed wordt volgens de meeste belastingverdragen belast in het land waar het ligt, terwijl Nederland het wel in de grondslag opneemt en vervolgens voorkoming verleent. Het effect op het gemiddelde tarief over het overige vermogen blijft daarbij bestaan.

28. Waarom mag een adviseur Vermogen zich niet beperken tot het rendement van een product?

  1. Omdat de fiscale behandeling het nettoresultaat voor de klant sterk beïnvloedt
  2. Omdat de wet voorschrijft dat elk advies door een belastingadviseur wordt medeondertekend
  3. Omdat het rendement van een product zonder fiscale context niet berekend kan worden
  4. Omdat de belastingdienst het advies vooraf op fiscale juistheid controleert

Wat de klant overhoudt hangt af van box, tarief en vrijstellingen, niet alleen van het brutorendement. Deze regel staat in de Wet IB 2001. Voor complexe fiscale vraagstukken verwijst de adviseur door, maar de hoofdlijn hoort hij zelf te beheersen.

29. Een klant wil zijn box 3-heffing verlagen. Welke maatregel is fiscaal het meest voor de hand liggend en niet gekunsteld?

  1. Het vermogen in contanten opnemen en buiten de aangifte houden
  2. Het vermogen kort vóór de peildatum tijdelijk aan een familielid overmaken
  3. Aflossen op een schuld die niet in box 3 aftrekbaar is, zoals de eigenwoningschuld
  4. Een lening aangaan om het vermogen kunstmatig te verlagen op de peildatum

Aflossen verlaagt het box 3-vermogen én de rentelast en is een reële, verdedigbare handeling. Hierop is de Wet IB 2001 van toepassing. Constructies die uitsluitend rond de peildatum worden opgetuigd, kunnen als misbruik worden aangemerkt en horen niet in een advies thuis.

30. Welke afweging maakt een adviseur bij de keuze tussen aflossen van de hypotheek en beleggen in box 3?

  1. Uitsluitend het brutorendement van de belegging tegenover de brutorente van de hypotheek
  2. De zekere besparing van de nettorente tegenover het onzekere rendement na heffing
  3. Uitsluitend de vraag of de klant emotioneel liever schuldenvrij is
  4. De hoogte van de advieskosten die aan beide varianten verbonden zijn

Aflossen levert een zeker rendement gelijk aan de nettorente en verlaagt bovendien de grondslag van box 3. De grondslag hiervoor ligt in de Wet IB 2001. Beleggen kan meer opleveren maar is onzeker; die vergelijking hoort altijd na belasting en na kosten te worden gemaakt.

31. Wat wordt in box 2 belast?

  1. Uitsluitend de winst die de vennootschap zelf in het boekjaar heeft behaald
  2. Uitsluitend het dividend dat een vennootschap aan haar aandeelhouders uitkeert
  3. Het reguliere voordeel en het vervreemdingsvoordeel uit een aanmerkelijk belang
  4. Het loon dat de directeur-grootaandeelhouder van zijn eigen vennootschap ontvangt

Box 2 belast zowel de lopende voordelen, zoals dividend, als het resultaat bij verkoop van de aandelen. Deze regel staat in de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het loon van de directeur-grootaandeelhouder valt daarentegen in box 1.

32. Wanneer is sprake van een aanmerkelijk belang?

  1. Bij een belang van ten minste vijf procent in een beursgenoteerde onderneming, maar niet in een besloten vennootschap
  2. Bij elk aandelenbezit in een besloten vennootschap, ongeacht de omvang van het belang
  3. Uitsluitend bij een belang van meer dan vijftig procent, waarmee zeggenschap wordt verkregen
  4. Bij een belang van ten minste vijf procent van het geplaatste kapitaal, al dan niet samen met de fiscale partner

De grens ligt bij vijf procent van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen, waarbij het belang van de fiscale partner meetelt. de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is op dit punt de bepalende bron. De rechtsvorm van de vennootschap is daarbij niet bepalend.

33. Waarom is de keuze tussen dividend uitkeren en oppotten in de bv voor een directeur-grootaandeelhouder relevant?

  1. Omdat dividend uitkeren wettelijk verplicht is zodra de reserves een drempel overschrijden
  2. Omdat opgepotte winst in de bv volledig buiten elke belastingheffing blijft
  3. Omdat uitkeren tot heffing in box 2 leidt terwijl oppotten de latente claim laat oplopen
  4. Omdat de vennootschapsbelasting vervalt zodra er dividend wordt uitgekeerd

Elke euro winst in de bv draagt een latente box 2-claim die vroeg of laat wordt afgerekend; uitstellen is dus geen afstellen. Hierop is de Wet IB 2001 voor het aanmerkelijk belang en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing. Bij een tarief met schijven kan gespreid uitkeren over meerdere jaren voordelig uitpakken.

34. Welke rol speelt de dividendbelasting voor een particuliere belegger in box 3?

  1. Zij wordt uitsluitend geheven bij aandeelhouders met een aanmerkelijk belang
  2. Zij is een eindheffing waardoor het dividend verder buiten de aangifte blijft
  3. Zij is een gemeentelijke belasting die los staat van de inkomstenbelasting
  4. Zij is een voorheffing die met de verschuldigde inkomstenbelasting wordt verrekend

De ingehouden dividendbelasting wordt als voorheffing verrekend en kan bij een particulier in box 3 tot teruggaaf leiden. Bij buitenlandse dividenden is verrekening beperkt tot wat het belastingverdrag toestaat.

35. Een klant ontvangt dividend uit een buitenlands aandeel waarop bronbelasting is ingehouden. Wat geldt dan?

  1. Verrekening is mogelijk tot het percentage dat het belastingverdrag toewijst aan de bronstaat
  2. De volledige buitenlandse bronbelasting is altijd volledig verrekenbaar in Nederland
  3. Buitenlandse bronbelasting is nooit verrekenbaar en vormt een definitief verlies
  4. De klant kan de bronbelasting uitsluitend terugvragen bij de Nederlandse belastingdienst

Het belastingverdrag bepaalt welk percentage de bronstaat mag heffen; het meerdere moet in het bronland worden teruggevraagd. In de praktijk is die teruggaaf bewerkelijk, wat een reëel aandachtspunt bij internationale spreiding vormt.

Gratis beginnen