De zakelijke schadeverzekering door haar levensloop: acceptatie, advies, beheer en schadebehandeling, steeds vanuit de onderneming. Bronnen: BW 7 titel 17, Wft/BGfo, Faillissementswet, Wet op belastingen van rechtsverkeer en de gedragscodes van het Verbond van Verzekeraars.
Acceptatie begint met het aanvraagformulier en de mededelingsplicht (art. 7:928 BW); bij grotere risico's volgt een inspectie met preventie-eisen (VRKI Bedrijven, NEN 3140). Acceptatie kan onder voorwaarden: een preventieclausule, een hoger eigen risico of een uitsluiting. Voorlopige dekking geeft alleen de verzekeraar of een gevolmachtigd agent, niet de adviseur zonder volmacht. Grote risico's gaan naar de beurs, afwijkende naar De Vereende. Bij afwijzing (3c.2): hoger eigen risico, beperkte dekking, beurs, captive of zelf dragen.
De premie bestaat uit risicopremie, kosten, provisie en poliskosten; daarover heft de fiscus 21 % assurantiebelasting, met vrijstellingen voor onder meer ziektekosten-, ongevallen-, transport- en exportkredietverzekeringen (art. 24 Wet op belastingen van rechtsverkeer). Bij wijziging: suppletie of restitutie pro rata (2f.4). De Gedragscode geïnformeerde verlenging (zakelijk) neemt één jaar als uitgangspunt; langer vereist een uitdrukkelijke keuze van de klant, en na verlenging is de polis in de regel jaarlijks opzegbaar. Tussentijds mag de verzekeraar alleen opzeggen op een polisgrond (art. 7:940 BW); bij wanbetaling is de dekking pas geschorst na een aanmaning met een termijn van veertien dagen (art. 7:934 BW). Bij een en-blocwijziging mag de klant opzeggen.
Beheer is veranderingen opsporen (2f.1): verhuizing, nieuwe activiteiten, groei, fusie of overname, andere rechtsvorm. Bij overgang van het verzekerde belang gaat de verzekering over op de nieuwe belanghebbende (art. 7:948 BW). Bij faillissement beheert de curator de boedel (art. 68 Fw) en beslist hij over voortzetting of opzegging; bij surseance handelt de ondernemer samen met de bewindvoerder (art. 228 Fw). Een uitkering voor een verpand of verhypothekeerd goed komt via art. 3:229 BW aan de zekerheidsgerechtigde toe. Een RDW-melding over een onverzekerd voertuig vraagt directe actie (art. 30 WAM). Alles wordt reconstrueerbaar vastgelegd (art. 4:23 Wft, art. 32 BGfo, AVG).
De klant meldt zo spoedig mogelijk, geeft inlichtingen, werkt mee en beperkt de schade (art. 7:941 en 7:957 BW); te late melding kost alleen uitkering bij benadeling, opzet tot misleiding doet het recht vervallen. De verzekeraar benoemt een expert (NIVRE); de onderneming mag een contra-expert inschakelen, waarvan de redelijke kosten voor rekening van de verzekeraar komen (art. 7:959 BW; voor zakelijke klanten kan de polis dit beperken, art. 7:963 BW beschermt alleen consumenten). Een arbiter beslecht verschillen. Bereddingskosten, expertisekosten en opruimingskosten worden aanvullend vergoed, bereddingskosten ook boven de verzekerde som; bij onderverzekering geldt de evenredigheidsregel (art. 7:958 BW). Openstaande premie wordt verrekend. Bij samenloop kiest de onderneming de gunstigste polis (art. 7:961 BW). Klachten: eerst intern; het Kifid staat open voor consumenten en bepaalde kleinzakelijke klachten, anders de rechter of arbitrage. De verzekeraar volgt de Gedragscode Verzekeraars en de Gedragscode Behandeling Letselschade.
1. Welke volgorde beschrijft het acceptatieproces van een zakelijke brand- en inventarisverzekering voor een productiebedrijf het meest nauwkeurig?
Het acceptatieproces (toetsterm 1f.1) begint met het aanvraagformulier, waarbij de mededelingsplicht van art. 7:928 BW geldt; bij grotere of afwijkende risico's volgt een inspectie door een risico-inspecteur, daarna de risicobeoordeling met premievoorstel en eventuele beperkende voorwaarden of preventie-eisen, en pas na acceptatie de polis. Een adviseur zonder volmacht accepteert niet namens de verzekeraar.
2. Metaalbewerking Rotterdam BV vraagt een opstal- en inventarisverzekering aan voor een hal met laswerkplaats en een verzekerd belang van € 2,4 miljoen. De verzekeraar wil eerst een inspectie. Wat is het doel daarvan?
Bij grotere of gevaarlijke risico's laat de verzekeraar een risico-inspecteur de situatie ter plaatse beoordelen: bouwaard, brandcompartimentering, brandgevaarlijke werkzaamheden, elektrische installatie (NEN 3140) en inbraakbeveiliging (VRKI Bedrijven). Het rapport leidt tot preventie-eisen en clausules in de offerte (toetsterm 1f.1). Een taxatie van de waarde is een aparte opdracht en de verzekeraar heeft geen meldplicht bij de arbeidsinspectie.
3. Restaurant De Gouden Lepel vof opent morgen een tweede vestiging en vraagt de adviseur vandaag om dekking voor de inventaris. De adviseur heeft geen volmacht. Wat mag hij doen?
Voorlopige dekking is een tijdelijke verzekeringsovereenkomst die alleen de verzekeraar zelf of een gevolmachtigd agent (art. 1:1 Wft) kan aangaan; een adviseur zonder volmacht mag haar niet toezeggen en zou bij een schade zelf aansprakelijk kunnen zijn (toetsterm 1f.1). Hij vraagt de verzekeraar om voorlopige dekking en laat die schriftelijk bevestigen aan klant en verzekeraar. Een polis is geen wettelijk vereiste voor dekking (art. 7:932 BW).
4. Een verzekeraar geeft Bouwbedrijf Van Dam BV voorlopige dekking voor een nieuwe kraan, in afwachting van het inspectierapport. Het rapport is negatief en de verzekeraar wijst het risico af. Wat geldt voor de voorlopige dekking?
Voorlopige dekking is een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd die eindigt zodra de verzekeraar definitief accepteert of de aanvraag afwijst; bij afwijzing gunt hij de klant naar gebruik een korte termijn (bijvoorbeeld veertien dagen) om elders dekking te vinden, en de afwijzing moet worden meegedeeld (toetsterm 1f.1). De verzekeraar is na voorlopige dekking niet verplicht definitief te accepteren.
5. Wat onderscheidt een gevolmachtigd agent van een gewone adviseur of bemiddelaar bij de acceptatie van een zakelijke schadeverzekering?
Een gevolmachtigd agent heeft een volmacht van een of meer verzekeraars en sluit voor hun rekening en risico verzekeringen, geeft polissen af en behandelt schades; hij heeft daarvoor een Wft-vergunning als gevolmachtigde agent (art. 2:92 Wft), maar draagt het risico niet zelf. Volmachten omvatten veel zakelijke risico's, met acceptatiegrenzen per volmacht (toetsterm 1f.1).
6. Wat houdt het plaatsen van een groot zakelijk risico op de assurantiebeurs via co-assurantie in?
Bij co-assurantie op de beurs (VNAB) wordt één polis door meerdere verzekeraars getekend die elk een aandeel dragen; de leidende verzekeraar (bovenstaande verzekeraar) bepaalt voorwaarden, premie en schadebehandeling en de volgers sluiten aan. Zo worden grote industriële, transport- en aansprakelijkheidsrisico's verzekerd (toetsterm 2e.6: 'provinciale of beurspolis, coassurantie'). Afzonderlijke polissen zouden samenloop opleveren.
7. Distributiecentrum Oost BV heeft een nieuw magazijn met een verzekerd belang van € 40 miljoen en een complexe sprinklerinstallatie. Waarom adviseert de adviseur een beursplaatsing in plaats van een provinciale polis bij één verzekeraar?
Grote en complexe risico's passen niet in de standaardproducten en capaciteit van één provinciale verzekeraar; op de beurs wordt het risico over co-assuradeuren gespreid en worden voorwaarden op maat gemaakt, met een beursmakelaar en vaak een uitgebreide inspectie (toetsterm 2e.6). Een wettelijke grens per verzekeraar bestaat niet en de assurantiebelasting (21 %) is voor beide vormen gelijk.
8. De inventarisverzekering van Juwelier Goudsmit BV bevat de clausule dat het gecertificeerde inbraakalarm buiten openingstijden ingeschakeld moet zijn. Na een inbraak blijkt dat de eigenaar het alarm die avond vergat in te schakelen. Wat is het gevolg?
Een preventieclausule met garantiekarakter maakt de dekking afhankelijk van het naleven van een voorwaarde; is die niet nageleefd, dan ontbreekt de dekking voor de daarmee samenhangende schade, tenzij de verzekerde aantoont dat er geen verband is (polisvoorwaarden en art. 7:952 e.v. BW naar analogie, toetsterm 2e.3). De adviseur legt zulke clausules bij acceptatie uitdrukkelijk uit. Een wettelijke maximumkorting bestaat niet.
9. Transportbedrijf Van Leeuwen BV heeft in drie jaar acht cascoschades gemeld. De nieuwe verzekeraar biedt de wagenparkverzekering aan met een eigen risico van € 2.500 per casco-schade in plaats van € 500. Hoe beoordeelt de adviseur dit voorstel?
Toetsterm 2e.3 vraagt de acceptatiebeslissing te beoordelen 'ingeval van bijzonder schadeverleden': een hoger eigen risico is een gangbare beperkende voorwaarde waarmee de verzekeraar de frequentieschades bij de klant laat. De adviseur rekent voor wat acht schades met € 2.500 eigen risico kosten tegenover de premiebesparing en bespreekt preventie. Een wettelijk maximum voor het eigen risico bestaat niet.
10. De adviseur ontvangt voor Kwekerij Westland BV een offerte voor een bedrijfsschadeverzekering met een uitkeringstermijn van 26 weken, terwijl uit de risicoanalyse blijkt dat de herbouw van de kassen ten minste 15 maanden duurt. Wat doet de adviseur?
Toetsterm 2e.3 eist dat de adviseur beoordeelt of de offerte aansluit op zijn eerdere inschatting van het risico en verschillen verklaart: een uitkeringstermijn korter dan de verwachte herstelperiode laat de klant onverzekerd achter in de meest kritieke fase. Hij vraagt een passende termijn en legt de afweging vast (art. 4:23 Wft). Twee polissen op dezelfde bedrijfsschade leveren samenloop op en geen langere termijn.
11. Bij de aanvraag van een AVB voor Logistiek Venlo BV vult de financieel directeur het aanvraagformulier in en meldt geen eerdere schades. De bedrijfsleider wist van een claim van € 40.000 twee jaar eerder. Wat geldt voor de mededelingsplicht?
De mededelingsplicht van art. 7:928 BW rust op de verzekeringnemer; bij een rechtspersoon wordt de kennis van bestuurders en van functionarissen die met het risico of de verzekering zijn belast aan de vennootschap toegerekend. De bv moet dus intern nagaan wat relevant is; de verzekeraar mag op de opgave vertrouwen, al kan zijn eigen kennis (lid 4, CIS-raadpleging) een rol spelen (toetsterm 1f.1).
12. Waarvoor gebruikt een adviseur de Verbeterde Risicoklassenindeling voor bedrijven (VRKI Bedrijven) bij een inventaris- of goederenverzekering?
De VRKI Bedrijven, beheerd door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en toegepast door verzekeraars, deelt bedrijven op basis van de attractiviteit en de waarde van goederen en inventaris in risicoklassen in; per klasse hoort een pakket bouwkundige, elektronische en organisatorische maatregelen dat de verzekeraar als preventie-eis stelt (toetsterm 2e.1). Brandklassen en bedrijfsschadepremies volgen andere systematieken.
13. Bouwbedrijf Van Dam BV wil een CAR-verzekering voor een nieuwbouwproject. Welke branche-informatie gebruikt de adviseur bij het adviseren over diefstalpreventie op de bouwplaats?
Toetsterm 2e.1 vraagt de informatie uit protocollen, convenanten, bedrijfsregelingen en gedragscodes op de juiste wijze te gebruiken: voor diefstal op bouwplaatsen is dat het Convenant Criminaliteit Bouwlocaties met preventiemaatregelen (afsluiten, registratie, toezicht) die verzekeraars in CAR-polissen als eis kunnen opnemen. De Brandregresregeling gaat over verhaal na brand, de andere codes over letselschade en rechtsbijstand.
14. Wat is volgens de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen zakelijke schade- en inkomensverzekeringen het uitgangspunt voor de contractstermijn van een zakelijke schadeverzekering?
De Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen zakelijke schade- en inkomensverzekeringen (Verbond van Verzekeraars) neemt een contractstermijn van twaalf maanden als uitgangspunt; een meerjarig contract kan alleen als de zakelijke klant daar bewust en uitdrukkelijk voor kiest, bijvoorbeeld tegen een korting. De verzekeraar informeert de klant vooraf over de verlenging (toetsterm 1a.1). Dagelijkse opzegbaarheid is de particuliere regel na verlenging.
15. De inventarisverzekering van Drukkerij Snel BV is na het eerste contractjaar stilzwijgend verlengd. In maart wil de directeur overstappen naar een goedkopere verzekeraar. Wat legt de adviseur uit over de opzegmogelijkheid?
Voor zakelijke klanten bepaalt de Gedragscode geïnformeerde verlenging dat een verlengd contract in de regel jaarlijks opzegbaar is tegen de contractvervaldatum, met de opzegtermijn van de polis (meestal twee maanden, art. 7:940 lid 1 BW), tenzij de klant uitdrukkelijk een langere termijn is overeengekomen. De dagelijkse opzegbaarheid met één maand geldt voor consumenten (toetsterm 1a.1). Stilzwijgende verlenging is rechtsgeldig.
16. Een verzekeraar biedt Accountantskantoor Berg & Partners een beroepsaansprakelijkheidsverzekering met 10 % korting aan bij een contractstermijn van drie jaar. Waaraan moet de adviseur denken volgens de zakelijke gedragscode?
De zakelijke Gedragscode geïnformeerde verlenging staat meerjarige contracten toe, mits de klant daar uitdrukkelijk voor kiest en de verzekeraar of adviseur hem informeert over de gevolgen: de polis is dan gedurende de looptijd niet zonder polisgrond opzegbaar (art. 7:940 BW). De adviseur legt de afweging tussen korting en gebondenheid vast in het dossier (art. 4:23 Wft, toetsterm 1a.1).
17. Na een grote brandschade bij Meubelmaker Houtwerk BV wil de verzekeraar de opstalverzekering beëindigen. De polis bevat een clausule die opzegging na een schademelding toestaat. Hoe moet de verzekeraar handelen?
Tussentijdse opzegging door de verzekeraar is alleen mogelijk op gronden die in de polis staan en van dien aard zijn dat gebondenheid niet meer kan worden gevergd (art. 7:940 lid 3 BW); opzegging na een schademelding is zo'n gebruikelijke polisgrond, met een termijn van doorgaans twee maanden. Heeft de verzekeraar deze bevoegdheid, dan heeft de verzekeringnemer haar ook (lid 4). Onverdiende premie wordt gerestitueerd (toetsterm 1a.1).
18. De verzekeraar van Schildersbedrijf Mulder BV verhoogt per de hoofdpremievervaldatum de premie van de AVB en-bloc met 18 % voor alle schildersbedrijven. Welke mogelijkheid heeft de bv?
Bij een en-blocwijziging van premie of voorwaarden ten nadele van de verzekeringnemer geven de polisvoorwaarden en art. 7:940 lid 4 BW de klant het recht de verzekering op te zeggen tegen de ingangsdatum van de wijziging, meestal binnen dertig dagen na de mededeling. Zwijgt hij, dan geldt de wijziging (toetsterm 1a.1). Het Kifid staat voor een bv niet open en de oude premie blijven betalen is geen optie.
19. Restaurant De Gouden Lepel vof betaalt de vervolgpremie van de inventarisverzekering niet. De verzekeraar stuurt op 1 maart een aanmaning met de gevolgen van niet-betaling. Op 20 maart ontstaat brandschade; de premie is nog niet betaald. Wat geldt?
Art. 7:934 BW bepaalt dat het niet betalen van de vervolgpremie pas tot schorsing of einde van de dekking leidt nadat de verzekeraar de schuldenaar vruchteloos heeft aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, met vermelding van de gevolgen. Na 15 maart is de dekking dus geschorst en de brand van 20 maart onverzekerd; de dekking herleeft de dag na ontvangst van de betaling (toetsterm 1a.1).
20. Handelsonderneming Zuid BV sluit een nieuwe goederenverzekering met ingangsdatum 1 april; de polis bepaalt dat de dekking pas ingaat na betaling van de eerste premie. De premie wordt niet betaald en op 10 april is er waterschade. Wat is juist?
Art. 7:934 BW schrijft de aanmaning met veertien dagen voor bij het niet betalen van de vervolgpremie; voor de eerste premie geldt die eis niet als de polis bepaalt dat de dekking pas ingaat na betaling. De overeenkomst bestaat wel, maar de dekking is opgeschort (toetsterm 1a.1). De adviseur bewaakt daarom bij nieuwe zakelijke polissen de tijdige betaling van de eerste premie.
21. Twee maanden na acceptatie ontdekt de verzekeraar dat Kwekerij Westland BV een eerdere afwijzing door een andere verzekeraar niet heeft gemeld, terwijl daarnaar was gevraagd. Er is nog geen schade. Wat mag de verzekeraar doen?
Art. 7:929 BW: ontdekt de verzekeraar de niet-nakoming van de mededelingsplicht, dan moet hij de verzekeringnemer binnen twee maanden waarschuwen; hij mag de overeenkomst met dadelijke ingang opzeggen als hij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten of als er opzet tot misleiding was. Anders kan hij voorstellen de polis aan te passen (toetsterm 1a.1). Premie behouden mag alleen bij opzet (art. 7:930 lid 5 BW).
22. In welke gevallen mag een verzekeraar een zakelijke schadeverzekering tussentijds, dus vóór de contractvervaldatum, opzeggen?
Art. 7:940 lid 3 BW beperkt de tussentijdse opzegging door de verzekeraar tot gronden die in de overeenkomst zijn vermeld en die van dien aard zijn dat gebondenheid niet meer kan worden gevergd, zoals een schademelding, verzwijging (art. 7:929 BW) of fraude. Een slecht schadeverloop op zichzelf is geen opzeggingsgrond en de AFM speelt geen rol in individuele opzeggingen (toetsterm 1a.1).
23. Uit welke bestanddelen bestaat de premie die een onderneming voor een inventarisverzekering betaalt?
De brutopremie bestaat uit de risicopremie (verwachte schadelast), een opslag voor kosten en winst, de provisie voor de bemiddelaar bij provisieproducten en eventuele poliskosten; over dat geheel wordt 21 % assurantiebelasting geheven (art. 20 e.v. Wet op belastingen van rechtsverkeer, toetsterm 1e.5). Verzekeringen zijn vrijgesteld van btw (art. 11 Wet OB), en de assurantiebelasting is voor ondernemers niet verrekenbaar.
24. De inventarisverzekering van Drukkerij Snel BV heeft een jaarpremie van € 1.500 exclusief belasting plus € 25 poliskosten. Welk bedrag betaalt de bv in totaal per jaar?
De maatstaf van heffing voor de assurantiebelasting is de premie inclusief de daarmee samenhangende vergoedingen zoals poliskosten (art. 22 Wet op belastingen van rechtsverkeer): (€ 1.500 + € 25) × 1,21 = € 1.845,25. Het tarief van 21 % is een stabiel wettelijk gegeven (toetsterm 1e.5). Assurantiebelasting is geen btw en kan door een onderneming niet als voorbelasting worden verrekend.
25. Machinehandel De Vries BV sluit een goederentransportverzekering voor machines die zij naar klanten in Europa verstuurt. Welk gevolg heeft dit voor de assurantiebelasting?
Art. 24 Wet op belastingen van rechtsverkeer stelt onder meer transportverzekeringen (verzekeringen van vervoerde zaken, zeeschepen en luchtvaartuigen), ziektekosten-, ongevallen-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, exportkredietverzekeringen en herverzekering vrij van assurantiebelasting (toetsterm 1e.5). Een verlaagd tarief kent de assurantiebelasting niet; het is 21 % of vrijgesteld.
26. Metaalbewerking Rotterdam BV sluit voor haar personeel een collectieve ongevallenverzekering en een werknemersschadeverzekering. Hoe worden beide premies behandeld voor de assurantiebelasting?
Ongevallen-, invaliditeits- en ziektekostenverzekeringen zijn vrijgesteld (art. 24 Wet op belastingen van rechtsverkeer); de werknemersschadeverzekering is een schadeverzekering die de vermogensschade van werknemers dekt en valt niet onder een vrijstelling, dus 21 % (toetsterm 1e.5). Dat beide het letsel van werknemers betreffen, is voor de belasting niet beslissend; de wettelijke lijst is dat wel.
27. Adviesbureau Kompas BV betaalt voor haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering een totaalbedrag van € 3.630 per jaar inclusief assurantiebelasting; er zijn geen aparte poliskosten. Hoe hoog is de premie exclusief assurantiebelasting?
Het totaalbedrag is de premie vermeerderd met 21 %: € 3.630 / 1,21 = € 3.000 exclusief belasting en € 630 belasting (toetsterm 1e.5). Wie 21 % van het brutobedrag aftrekt, rekent de belasting over het verkeerde grondslagbedrag. Aansprakelijkheidsverzekeringen vallen niet onder de vrijstellingen van art. 24 Wet op belastingen van rechtsverkeer.
28. Voor de opstalverzekering van Meubelmaker Houtwerk BV geldt een premie van 1,2 ‰ over de herbouwwaarde van € 1.250.000, plus € 25 poliskosten. Wat is het jaarlijks te betalen bedrag inclusief 21 % assurantiebelasting?
1,2 ‰ van € 1.250.000 is € 1.500; met € 25 poliskosten is de grondslag € 1.525 en met 21 % assurantiebelasting € 1.845,25 (toetsterm 2e.2: rekenen met promillage en een vast bedrag). Een promille is een duizendste, geen procent. Opstalverzekeringen zijn niet vrijgesteld en poliskosten horen tot de grondslag (art. 22 Wet op belastingen van rechtsverkeer).
29. Het verzekerde bedrag van de opstalverzekering van Stichting Kinderopvang Zon is € 800.000 en wordt jaarlijks aangepast met het indexcijfer voor bouwkosten. Het indexcijfer stijgt van 100 naar 106. Wat wordt het nieuwe verzekerde bedrag?
Bij een indexclausule wordt het verzekerde bedrag jaarlijks aangepast aan het indexcijfer: € 800.000 × 106/100 = € 848.000; de premie stijgt mee (toetsterm 2e.2: rekenen met een index). Zo blijft het verzekerde bedrag de herbouwwaarde volgen en wordt onderverzekering (art. 7:958 lid 5 BW) voorkomen. Een indexpunt is geen euro en indexering geldt voor bedrag en premie samen.
30. IT-bedrijf Codewerk BV gaat naast softwareontwikkeling ook drones verhuren voor inspecties. De adviseur meldt dit aan de AVB-verzekeraar. Welke acceptatiebeslissing is bij deze wijziging het meest waarschijnlijk?
Toetsterm 1h.2 vraagt de acceptatiebeslissing bij een wijziging uit te leggen: een nieuwe, risicovollere activiteit wordt door de verzekeraar opnieuw beoordeeld, met als mogelijke uitkomst een premietoeslag, een beperkende voorwaarde (AVB-polissen sluiten schade door luchtvaartuigen doorgaans uit) of een verwijzing naar een aparte dronepolis. De AVB dekt de omschreven hoedanigheid, niet automatisch alles in het handelsregister.
31. Bij de uitbreiding van de inventarisverzekering van Restaurant De Gouden Lepel vof ontvangt de klant een suppletienota. Uit welke bestanddelen is die nota opgebouwd?
Bij een wijziging bestaat de suppletie uit dezelfde bestanddelen als de oorspronkelijke premie: het premieverschil naar tijdsevenredigheid over de resterende verzekeringsperiode, eventueel aangepaste kosten en provisie, en daarover 21 % assurantiebelasting (Wet op belastingen van rechtsverkeer, toetsterm 1h.3). Belasting wordt over iedere premiebetaling geheven, ook over een suppletie.
32. Transportbedrijf Van Leeuwen BV verkoopt op 1 augustus een bestelbus waarvan de cascoverzekering een jaarpremie van € 2.400 kent, betaald per 1 januari. De polis wordt per 1 augustus beëindigd met restitutie pro rata. Welk bedrag ontvangt de bv terug (exclusief belasting)?
Restitutie pro rata betekent terugbetaling van de premie over de niet-verstreken periode: van 1 augustus tot 1 januari zijn vijf maanden, dus 5/12 × € 2.400 = € 1.000; de zeven verstreken maanden (€ 1.400) blijven verdiend (toetsterm 2f.4). Ook de assurantiebelasting over het gerestitueerde deel wordt terugbetaald. Sommige polissen kennen een korte-termijntabel of kosteninhouding; de adviseur controleert de polisvoorwaarden.
33. De inventarisverzekering van Drukkerij Snel BV (jaarpremie € 1.800, vervaldatum 1 januari) wordt per 1 mei verhoogd; de nieuwe jaarpremie is € 2.400. Welke suppletie exclusief belasting is de bv verschuldigd voor de rest van het jaar?
De suppletie is het premieverschil naar tijdsevenredigheid over de resterende periode: (€ 2.400 − € 1.800) × 8/12 = € 400, plus 21 % assurantiebelasting (toetsterm 2f.4). De al betaalde premie voor de oude dekking blijft staan; alleen de verhoging wordt pro rata verrekend. Zo betaalt de klant niet te veel en heeft hij vanaf 1 mei de juiste dekking.
34. De verzekeraar zegt de opstalverzekering van Meubelmaker Houtwerk BV op na een brandschade, met inachtneming van twee maanden, midden in het verzekeringsjaar. Welke gevolgen heeft dit voor de premie?
Bij tussentijdse beëindiging heeft de verzekeringnemer recht op teruggave van de premie over de periode waarin geen risico meer wordt gelopen, naar billijkheid berekend (art. 7:938 BW); een uitgekeerde schade verandert daar niets aan, omdat de premie de tegenprestatie voor het gelopen risico is (toetsterm 2f.4). Verrekening van een uitgekeerde schade met premie is niet mogelijk; verrekening werkt alleen andersom bij openstaande premie.
35. Bij Kapsalon Haarfijn vof (eenmanszaak met twee medewerkers) knapt een waterleiding; de kappersstoelen, spiegels en voorraad raken beschadigd voor € 9.000. De salon heeft een inventaris- en goederenverzekering met uitgebreide dekking. Wat legt de adviseur uit?
Toetsterm 1e.1 vraagt de dekking van een eenvoudig schadegeval te omschrijven: een uitgebreide inventaris- en goederenverzekering dekt schade door water dat onvoorzien uit leidingen stroomt, naast brand, storm, inbraak en dergelijke. De opstalverzekering van de verhuurder dekt het pand, niet de inventaris van de huurder, en de AVB dekt aansprakelijkheid tegenover derden, niet eigen zaakschade.